Sarcofaagteksten


Klik op het Oog van Horus om een afbeelding te zien van de hiërogliefen,
die bij de desbetreffende bezwering horen.
Voor een overzicht van de gebruikte bronnen voor deze bezweringen, klik hier.
Voor een overzicht van alle teksten in hiërogliefen met dank aan Adriaan de Buck, klik hier.
(Bij elke bezwering staan deze ook afzonderlijk.)
BEZWERING OM MACHT TE KRIJGEN OVER DE WINDEN.1
De mond van mijn open neusgat bevindt zich in Djedu, mijn offers zijn in On.
Dit huis van mij is gebouwd door Seshat,2 Khnum3 heeft op de borstweringen gezeten.
Als het weer als noordenwind komt, zal ik ten zuiden ervan zitten; als het weer als zuidenwind komt, zal ik ten noorden ervan zitten; als het weer als westenwind komt, zal ik ten oosten ervan zitten; als het weer als oostenwind komt, zal ik ten westen ervan zitten.
Ik snuit mijn neus(?), die open4 is op de plek waar ik wil verblijven.5
Variatie: ‘Levend op lucht in het rijk der doden’; ‘Opgaand naar Djedu en On, offers brengend aan de horizon’. Bezwering 297 is verwant.
Variatie: ‘Ptah’, ‘Sakhmet’.
Variatie: ‘Horus’.
Variatie: B1Boa: ‘die de wind opent’.
B1Boa voegt een titel in zwart toe: ‘Opgaand naar Djedu’.
BEZWERING OM MACHT OVER WATER TE VERKRIJGEN EN NIET TE STERVEN IN HET RIJK DER DODEN, DOOR EEN MAN IN DE WAARHEID. De Grote1 wordt geopend voor Osiris, de poorten van het firmament worden opengegooid voor Thoth en voor de Nijlgod, Heer van de horizon in deze zijn naam Pns.2 Moge U mij macht geven over water zoals over een ledemaat van Seth de opstandige.
De hemel, opgevat als een godin. Vergelijk bezwering 353.
Variatie pns-tA in 10m (Sp. 358); BD 132,12 heeft pdsw. In 8d L1Li leest: ‘[ … ] vloed van de Nijl-god, Heer van de horizon, in deze zijn naam van %w-dy-tA.
Ik ben hij die de hemel doorkruist, ik ben de leeuw op de dag van de slachting.
Ik heb de voorpoot afgescheiden,1 ik heb de Twee Landen doorkruist met het ledemaat, ik ben over de oevers ten noorden van het Veld van Djeret gegaan.
De eeuwigheid is mij geschonken, en ik zal niet sterven; ik heb geen einde, want ik ben de erfgenaam.2
Letterlijk ‘geopend’.
L1Li leest: ‘omdat N de erfgenaam van de eeuwigheid is en [het eeuwige hem is gegeven]’, vgl. de Buck, noot 4*.
De Grote1 opent zich voor Osiris, de poorten van het firmament worden opengegooid voor Thoth en voor de Nijlgod in zijn naam van ‘Hij die het land op zijn kop zet’.
Moge u N vandaag macht over het water geven, zoals over het voedsel van Seth de opstandige op die dag van de storm over de Twee Landen.
Het zijn de Groten van de hemel die hen die zich in het westen van het firmament bevinden en die tot u willen naderen, brengen, en u zult niet verstoord worden, u zult niet overstroomd worden, u zult niet verschroeid worden, want u behoort tot Re; u bent de goede roeispaan van Re waarmee hij zijn voorouders en zijn vrouwelijke verwanten roeit.
De uitstroom van Osiris wordt omhoog geheven naar het eiland Asyut, de Grote wordt geopend voor Osiris, de poorten van het firmament worden geopend voor Thoth, een pad van zeven ellen wordt bereid voor de Nijlgod over het land in zijn naam pns-tA.2
Moge u N vandaag macht geven over het water zoals over het voedsel van Seth de opstandige op die dag van de storm over de Twee Landen.
De Groten worden naar hem gebracht bij de Bocht van de Westerlingen, en zij kennen de god, de bekwame en waardige geest.
Mannen brengen hem voor de bevrediging(?) van zijn behoeften,3 mannen komen naar hem toe om zijn dorst te lessen.
Ho N! Uw … worden geopend door Neper, water wordt voor u afgemeten door de Nijlgod, Neith zal naar u toe komen met haar dienaren.
Ho N! Uw ontbijt wordt vandaag bereid […] boven […]
De hemel.
Vgl. bezwering 356, noot 4. pns-tA kan een verbastering zijn van pna-tA in 10b, of omgekeerd.
Letterlijk ‘nummering’, maar vermoedelijk worden de behoeften genummerd om te worden vervuld.
[BEZWERING VOOR] MACHT OVER WATER IN HET RIJK DER DODEN.1
Ik ben die roeispaan van Re waarmee hij zijn voorouders voortbeweegt, en ik zal niet vernietigd noch verschroeid worden.
Ik ben Babi, de oudste zoon van Osiris,2 die elke god binnen de kring van zijn oog in On3 verzamelde; ik ben de erfgenaam van Osiris, de plunderaar van de Groten die zelf vermoeid raakte; ik heb de Grote die zelf vermoeid raakte geplunderd; ik heb macht door hem, ik en ik heb de macht van de ander4 van hem afgenomen.
Aan het begin van deze bezwering T1La, die de rubriek mist, wordt ingevoegd: ‘Ho N! Je zult niet verschroeid worden, want je behoort tot’, of mogelijk ‘jij bent Re’.
Variatie T1La: ‘jij bent die oudste zoon van Nut’.
A1C voegt, enigszins overbodig, toe: ‘Ik ben de zoon van Osiris’.
Vermoedelijk Seth, de vijand van Osiris.
‘Hij’ kan alleen verwijzen naar Re.
Variatie: ‘waarmee hij de Schone deed verschijnen’. Hierna anticiperen B1C en B2C op 16b.
Variatie: B9C: ‘Babi: Wie is degene die macht over hem heeft?’ (zie 16e), vermoedelijk een retorische vraag. De naam van de god is geschreven met een teken dat
en de staande koning met de Witte Kroon in één ideogram combineert. De rubriek in B1C (161) behoort tot bezwering 387.
MACHT OVER WATER HEBBEN, BADEN IN DE VLOED, BEGRAVEN WORDEN IN ON.
Ik was mijn handen, ik verschijn als Horus, ik was mijn gezicht, ik ben verheven in Ombos,1 ik baad in de poelen van Ietep; ik heb mijn gezicht afgeveegd met wat toebehoort aan hem die aan de zijde van Re staat; zie, ik ben verschenen als Horus die uit Goud voortkwam.
Lof wordt mij gebracht door hen die in het Westen zijn, en de aarde wordt voor mij gekust door de zonmensen.
Ik zal geen dorst hebben, mijn lippen zullen niet droog zijn, ik heb mijn dorst gelest met die grote uitstroom van mijn vader Osiris.
Ik ben die roeispaan van Re waarmee hij die ouden roeit die Re toebehoren, die aan de horizon zijn, die van het water leven, die macht hebben over de sterrenhemel en die hun dorst lessen met de grote uitstroom van mijn vader Osiris.2
Wat betreft haar die vandaag gered wordt(?), ik daal af om van dit water te drinken.
Ik zal de grote vrouwelijke valk op aarde bewaken, die in On woont, terwijl Re midden in de hemel staat.
Hij breekt mijn mes, hij splijt mijn schild(?). Ik zal geen dorst hebben, mijn lippen zullen niet droog zijn.
Ik heb mijn dorst gelest met de uitstroom van mijn vader Osiris.
O Isis, [ik heb] mijn dorst gelest met de hoge Nijl, met de vloed van Osiris.
S10C voegt hier in: ‘Ik zal naar beneden gaan’.
S10C voegt hier in: ‘Ik zal geen dorst hebben, mijn lippen zullen niet droog zijn’.
BEZWERING VOOR ‘HET MOOIE WESTEN IS VERHEUGD BIJ DE ONTMOETING MET DE MAN’.
Ik ben tot u gekomen, o zoon van Nut; moge u Re bereiken op de dag van zijn feest, terwijl de goden in rouw zijn, want zij hebben de verschrikking van de Brede Hal1 gezien.
Moge u Nut bereiken, moge u de verborgen dingen zien, moge u Shu redden, moge u uw blik verruimen, want zij hebben hen gezien die zich aan de grenzen van de horizon bevinden.
Zij die in de hemel zijn, zijn tot u gekomen op de dag dat de lange hoorn wordt gevangen met een lasso, terwijl het mooie Westen zich verheugt, want zij hebben het ledemaat van de god gezien.
Zo ben ik.
Var. B1C: ‘de hemel’.
Ik ben de onbesnedene(?) die uit Re voortkwam, ik ben voortgekomen uit de ruimte tussen de dijen van de Enneaden; Shesmet heeft mij ontvangen en gebaard.
Ik ben de valk die uit Re voortkwam, ik ben de levende uraeus die uit het Oog van Re voortkwam, ik vlieg omhoog en land op de bark1 van Khopri, op de boeg van zijn boot die zich in de Afgrond bevindt.
B2Lb heeft: ‘Ik vlieg op vanaf de top van Khopri in de boeg van zijn schip’; BD 148,12 heeft: ‘Ik vlieg op en land op de top van Re in de boeg van zijn schip’, en wat er overblijft van D1C is hiermee in overeenstemming.
Ik ben afgedaald naar het land van de Stille, ik ben toegerust door de gier, ik ben gekleed door de …1 van de vogels, mijn mantel2 is op mijn rug, het Grote Westen is hij die mijn botten strekt en mijn ledematen uitstrekt, zodat ik kan lopen op mijn voeten als Osiris, mijn twee vliegers3 bevinden zich in het oosten van de hemel.
Mijn botten zijn gestrekt en mijn ledematen zijn uitgestrekt, en ik loop op mijn voeten als Osiris.
Pt~t, bepaald met een vogel. Betekenis onbekend.
Uit B2L is het waarschijnlijk dat het kledingstuk
bedoeld wordt. Omdat het op de rug van de spreker zit, is het waarschijnlijk een mantel.
Isis en Nephthys in vogelvorm.
Mijn voorhoofd wordt omhoog geheven door Shu met zijn linkerhand waarmee hij de hemel ondersteunt.
Als mijn voorhoofd naar de grond zou vallen, dan zal ook Nuts voorhoofd naar de grond vallen.
De zolen van mijn voeten worden stevig op de aarde gezet door Isis, en zij maakt mij stevig, zo maakt Isis mij stevig op aarde als een levende godin.
Ik word omhoog geheven1 door Isis, net zoals zij haar zoon Horus vestigde in de boeg van de boot van Re die hij omhoog hief.
HET PRACHTIGE WESTEN IS VERHEUGD DEZE MAN TE ONTMOETEN.
Var. Sq6C: ‘N’s wenkbrauw is opgetrokken’
BEZWERING OM NIET ONDERSTEBOVEN TE LOPEN.
Als ik ondersteboven loop, dan zal hij1 ook ondersteboven lopen.
Ik ben een god die leeft van de mensen, ik ben degene die opstijgt uit de Nijl. Ik ben een …2 in het tribunaal.
De Grote staat op en hij smeekt3 niet; ik zal rechtop lopen, ik zal niet ondersteboven lopen.4
De persoon of het wezen naar wie ‘hij’ verwijst, wordt niet gespecificeerd. In B2P lezen we ‘Ik … jij …’; in Sq6C hebben we absurd genoeg ‘N … Osiris N …’.
Zie de Buck, noten 2*, 4* en 7*. In drie teksten staat het woord snt ‘zus’, wat geen betekenis heeft; in de andere twee wordt een onleesbaar teken gebruikt.
Variatie Sq3C: ‘hij is [niet] bang’.
Sq6C en Sq3C plaatsen de rubriek aan het einde van de bezwering.
O Nk en Qd(?),1 ik ben inderdaad @ty in de nacht van het vergaan (?).
Ik ben inderdaad degene die komt wanneer hij geroepen2 wordt, en u zult tot mij komen (neergebogen) op uw gezicht, uw . ..3 op uw linker wenkbrauw, en kaalheid is wat daarop is.
Ik ben degene die uit eigen beweging komt, en niets wordt (van mij(?)).
‘O Shu’, zegt Hij van Djedu- en omgekeerd. ‘Neith draagt haar hoofddoek, Hathor maakt Osiris blij, en wie is hij die hem of mij zal opeten?
Jij bent degene die hij in de moerassen heeft geplaatst (?); ik weet niet wie mij zal laten spreken.’
DE MAN MOET DEZE BEZWERING EROVER UITSPREKEN, zodat deze slangen hem niet in het dodenrijk opeten, maar hij zal al deze slangen opeten.
Zowel de lezing als de betekenis van 32a zijn twijfelachtig, behalve dat het een aanroeping lijkt te zijn gericht aan twee raadselachtige wezens. De bezwering wekt de indruk te zijn samengesteld uit een bonte verzameling vreemde zinnen, afkomstig uit diverse bronnen en zonder rekening te houden met de context, zoals bijvoorbeeld BD Spreuk 1B.
Letterlijk: ‘op zijn oproep’.
Betekenis onbekend.
LUCHT ADEMEND TE MIDDEN VAN HET WATER.
‘Verborgen zijn de wegen voor hen die voorbijgaan; het licht is vergaan en de duisternis komt in het ontstaan’ – zo zegt Nephthys.
‘Waarom wordt dat gezegd?’ – zo zegt de Verstotene.1 _.fAw 2 rust op (?) de Verstotene…3
Het betekent dat de Verstotene, de zoon van Nut, op zijn zij is gevallen en dat zijn adem is weggenomen’ – zo zegt _.fAw, en de arm van Hem die vermoeid rust, wordt opgeheven.
De deuren van het xns-water worden geopend en de winden gaan naar buiten; de Nt-kronen worden gescheiden en de lucht stroomt naar binnen. Ik ben afgedaald om Maet water aan te bieden, want adem is in mijn neus; ik zal uitgaan en het Oog van Re op aarde openen, want adem is in mijn neus.
Het is de Verstotene die tot mij spreekt en mij meedeelt dat er leven is en dat er lucht wordt ingeademd te midden van de wateren.
ADEMHALING TE MIDDEN VAN DE WATEREN. HET OFFER VAN ZIJN VROUW WORDT IN EEN NIEUWE KOM IN DE AARDE GEGEVEN, EN DE MAN ZAL HET NEMEN OP DE DAG DAT DE AARDE BEVEEFT, EN DE MAN ZAL ZICH ERMEE ZALFEN …4 DE MAN ZAL HET INADEMEN.
WDa, d.w.z. Seth.
Letterlijk ‘zijn hand is uitgestrekt’, blijkbaar een epitheton van een god.
NbX, betekenis onbekend.
De lege ruimte in 36d duidt vermoedelijk op een lacune in de brontekst van de kopiist. Behalve de laatste zin vind ik 36d-e onbegrijpelijk.
OM EEN STIERSLANG EN EEN NaW-SLANG TE WORDEN.1
Ik ben een naw-slang, een stierslang die leidt,2 die zijn zeven uraei heeft ingeslikt, en zijn zeven halswervels zijn ontstaan; die bevelen gaf aan zijn zeven Enneaden die het woord van de vorst horen. Mijn moeder is de Pelikaan, en ik ben haar zoon; ik ben gekomen om mirre in te ademen en mirre te aanvaarden; mijn neusgaten (?) zijn (vol) mirre, mijn vingernagel is (vol) mirre. Ik heb jullie goddelijkheid weggenomen, goden; dien mij wanneer ik jullie machten3 schenk. Ik ben Nehebkau (=Hij die machten schenkt).4
Deze bezwering is een kopie van Pyr. Utt. 318, §§ 511-12, zie p. 100 van mijn vertaling. Voor de eerste persoon, die mogelijk oorspronkelijk was, zie B2L.
Sq1Sq is de beste tekst van de drie en volgt de W-tekst van de Pyr. B2L en B2P geven de voorkeur aan de T-tekst, maar hebben wat onleesbare passages.
Vgl. Pyr. §512d.
Niet in Pyr. noch Sq1Sq.
Deze bezwering herhaalt 32h-k. Alle drie de spreuken 375-7 zijn opgenomen in de enkele spreuk BD 35.
Het troebel worden van de ogen van de Grote kan een verwijzing zijn naar de schade die Seth heeft toegebracht aan het Oog van Horus.
O lotusbark,1 maak me los, laat me ontsnappen – en omgekeerd. O sksk-slang die in je sma-plant zit, pas op voor de tuinman!
Het is Osiris die een begrafenis zal eisen.
Het vuur stijgt op tegen Geb; o jij die Nehebkau2 verbrandt, de Stier trekt naar buiten, de gevlekte slang is hij die voor hem de beenderen van […] schudt.
Pas op voor de springer.
Vgl. sSnt ‘lotusbast’ CT VII, 259a, met var., d.w.z. een vaartuig met gebeeldhouwde of beschilderde lotusbloemen aan de boeg en de achtersteven.
Nehebkau is een slangengod, wat in een bezwering tegen slangen de verwijzing naar het verbranden van hem zou kunnen verklaren.
Een slang verjagen en niet iemands hoofd afhakken.
O slang, de bewegingen van Shu zijn wat Bastet onthulde, en ik zal niet gegeven worden aan hem die eet wat afgesneden is.1
Ik ben Horus,2 ik ben hier gekomen vanuit de grenzen van de hemel en de onderwereld, ik ben langs de zielenkapel van Hathor gegaan, waarop de vier steunpilaren van de hemel zijn bevestigd, ik heb de verdrijving van de Vernietiger gezien en de vernietiging van de dubbelgangers in het huis van hen die geslagen worden, en ik zal vertellen wat ik daar aantrof.
O jullie slangen, val op jullie gezicht! Hun koppen zullen worden afgehakt en hun wervels doorgesneden.
Zij zullen zich niet tegen mij verenigen, want ik ben gekomen om de Vernietiger te verdrijven en de dubbelgangers te vernietigen.
EEN SLANG VERDRIJVEN EN DE DUBBELGANGERS VERNIETIGEN.
Slagersafval? In elk geval iets dat ritueel onrein is.
Variatie: ‘de Grote’.
Om een slang te verjagen.
Kom, verhef u, o Heer der muren,1 ik zoek de Vrouwe van de Diepte, wek het levende lichaam2 op, ga heen en weer in het zicht van het gepeupel, zie mij in uw ogen als een panter.3
Uw staart is de stier naw-slang, uw achterste delen zijn …4 Kom naar mij, o Horus, voor uw fallus. Moge hij komen.
Dat wil zeggen: de bewoner van de ommuurde grafkamer.
Niet ‘het vlees van de levenden’; het is de overledene zelf die tot activiteit wordt gewekt.
Of mogelijk ‘olifant’, de omschrijving laat het in het midden.
De overledene spreekt. Voor pHwy.k ‘uw achterste delen’ heeft B1C pH.k ‘u reikt’. Ik kan niets maken van bsb m wnm.
Deze korte bezwering is zeer onduidelijk. De betekenis van Hty (zie ook 32b) ontgaat me, en ik kan 43j niet vertalen.
.
&AS sn anx is onvertaalbaar. Voor smsa ‘peilstok’ zie Pyr. § 1176, CT I, 267v; V, 147a.
De vertaling van bAAw is onzeker en ppw in 44g is vrij onduidelijk.
LAAT HET HART NIET VERMOEID1 RAKEN IN HET RIJK DER DODEN.2
‘Ik ben de fakkel van de Melkweg (?), de poortwachter van de Dubbele Leeuw, en er is een pad voor mij bereid.’
‘Wie bent u?’ ‘Ik ben de reiger (?), de lotusvogel die zich op de oneindige vlakte bevindt.’
‘Wat wil je?’3
‘Ik ga vissen met een speer in de meren van de Afgrond.’
‘Weet je welke weg je moet volgen?’
‘Zo waar de Enige Heer leeft, ik ken de hemel in al zijn uithoeken.’
‘Vertel me de details van het Huis van de Dubbele Leeuw dat daar is.’
‘Het landhuis van de Dubbele Leeuw bevindt zich ten noorden van het Huis van de Morgen bij het Huis van _wn-anwy , en ik zal daar zijn.
Ik zie en ik ken de spreuk voor het ontstaan; als ik daar wil zijn, zal ik daar zijn.4
Ik heb mijn vader, de Enige Heer, gevraagd of ik met mijn mond mag eten en met mijn achterste mag ontlasten.’
‘Kom, begeef je naar de god.’
Variatie B1Bo: ‘een mans hart niet tot rust laten komen’.
Na de rubriek wordt in G1T in zwart toegevoegd: ‘(maar) om in het Westen te leven’.
Letterlijk: ‘waarvoor ben je?’
Alleen in B1Bo, maar de bijzin is nodig. Waarschijnlijk is de weglating in de andere teksten te wijten aan het vermijden van een herhaling die op een dittograaf leek.
NIET IEMANDS ZIEL VAN HEM AFNEMEN.
O Machtige, ga, spreek tot hem die u gezonden heeft, want mijn woorden zijn inderdaad machtiger dan zijn mes.1
O u wiens bewegingen krachtig zijn,2 zegt de boze wiens namen wijdverspreid zijn, ik neem bezit van uw ziel, arresteer hem die u wil beroven; juich en kom voor mij; laat mij u niet toewijzen aan uw moeder die heerst over het Huis van de Twee Zusters.
Zij die aan u gehecht is, heeft bezit van u genomen in mijn aanwezigheid.
Uw bloed wordt gedronken onder hen die woeden; treed op de aarde, want ik heb uw naam uitgesproken; ik was er al voordat u bestond, in deze uw naam van ‘Verslinder’.3
O u die de macht van de oudsten wegneemt, neem mijn macht niet weg, maar heb respect voor mijn ziel.
Zie mijn magische kracht! Mijn offerstieren bevinden zich in de heilige plaatsen, de herinnering aan mij is de uwe.
Ik ben afkomstig uit Opper-Egypte (?) en de pluim op de standaard is van mij (?).
Kennelijk stuurt de overledene %xm terug naar ‘hem die hem gezonden heeft’ met een boodschap van verzet.
Letterlijk: misschien ‘O jullie die machtig zijn in jullie bewegingen’.
De toespraak van ‘de boze’ lijkt hier te eindigen.
Nauwelijks sATw ‘grond’, aangezien alle teksten de plaatsnaam vermelden.
.
%qAy letterlijk ‘mijn verheffing’. De betekenis lijkt zoiets te zijn als ‘Ik ben naar de hemel gestegen’.
IEMAND ZAL ZIJN HART NIET VAN HEM AFNEMEN IN HET RIJK DER DODEN.
Ga terug, jij boodschapper van welke god dan ook! Ben je gekomen om mijn hart af te nemen, dat toebehoort aan de levenden?
Ik zal mijn hart niet aan een vreemdeling geven. De goden hebben de gezegenden beoordeeld, en zij vallen plat(?)1 op hun gezicht.
Het laatste woord TmTmy is niet vastgelegd, en mijn vertaling ‘plat(?)’ is een gok.
‘Van de god’ weggelaten in B2Bo, waar de kop twee keer voorkomt.
Varianten: ‘Anubis’ (B2Bo, B4Bo); ‘Seth’ (S10C). Zie de noot 1 van de Buck over het schrift in Y1C*.
Is dit een toespeling op de begrafenis van een verminkt been van Osiris? Alle teksten laten het veronderstellende objectvoornaamwoord na qrs.sn weg, maar het is moeilijk te bedenken hoe 59g anders geïnterpreteerd moet worden.
HET HOOFD VAN EEN MAN NIET AFNEMEN.1
Ik ben een Grote, de zoon van een Grote; Ik ben Hij van het nsr-heiligdom,2 zoon van Hem van het nsr-heiligdom aan wie zijn hoofd werd gegeven nadat het was afgehakt.
Zijn hoofd werd hem niet afgenomen nadat hij was onthoofd, en mijn hoofd zal niet van mij worden afgenomen nadat het is afgehakt.
K1T: ‘Hem het hoofd van een man geven’.
Geen van de varianten is belangrijk, behalve dat B3L simpelweg ‘zoon van Hem van de nsr‘ heeft, zonder context.
Var. Mnwy T1Cb De betekenis van geen van beide woorden is bekend, maar het lijken namen van godheden te zijn.
Of ‘afwendend’.
DE MAGISCHE KRACHT VAN EEN MAN NIET VAN HEM AFNEMEN IN HET RIJK DER DODEN.1
O jullie rechtschapene, jullie van de heuvels, jullie machtigen; o jullie zoon van de zeeman, maak je touw vast, want ik ben tot jullie gekomen, ik heb jullie pennen gebroken, ik heb jullie papieren verscheurd vanwege dit dubbele kwaad dat jullie tegen mij hebben bedreven2 vanwege mijn zaken.
Mijn hoofd is naar mij gebracht, mijn beenderen zijn bijeengebracht, mijn ledematen zijn voor mij genezen, en mijn grote magische kracht is met mij teruggebracht, nu ik gezond ben; de offers voor de mond zijn opnieuw gebracht, het haar is bijeengebracht.
De laatste kwalificatie is weggelaten in B2Ca. B1C heeft: ‘Niet iemands hoofd van hem afhakken’ aan het einde van de bezwering, maar zie de Bucks noot 3*.
Variatie: ‘zei en werkte.’
De Stier van …1 wordt gevangen in de aanwezigheid van Hem die in zijn …2 is aan de voorkant van de noordelijke hemel.
Ik ontvang de filet in de Kronkelende Waterweg, ik word ingewijd in het Huis van BHw aan de Oever van de Ahrw, ik beoordeel het Gevolg in de Enneade(?)3 zoals wanneer de Warme(?)4 binnenkomt en zoals wanneer de Warme(?) weggaat.
Ik kan deze groep niet lezen of interpreteren, maar de beschrijving suggereert een hemels wezen. Deze hele bezwering is zeer onduidelijk.
Wnd.f of wndn.f is eveneens onvertaalbaar.
Of ‘als de Lichtwezens’.
Vgl. de beschrijving in B2Lb. Wie dit wezen is, is volstrekt onzeker, maar het epitheton zou wellicht kunnen verwijzen naar de herrezen Osiris, warm van nieuw leven. Een toespeling op de zonnegod is ook een mogelijkheid.
_Srw, een andere naam voor bloed. Het lijkt in appositie te staan tot snf.
BEZWERING OM AAN BOORD TE GAAN VAN DE LOTUSBARK.1
‘O Ziel van Shu,2 open voor mij!’
‘Waar ga je heen?’3
‘Ik ga naar Wrs.4 Open voor mij!’
‘Wie ben je? Jij bent … Waar <ben je ontstaan?’>
‘Ik ben een van jullie.’
‘Wie zijn degenen die bij je zijn?’
‘Het zijn de twee zwarte ooievaars; open voor mij!’
‘Voor wie ga je?’
‘Ik ga voor hem uit die zich nabij de Melkweg bevindt(?): en de zittende verheugt zich(?). Hij is het die mij naar het Huis van de Gewezen zal brengen: ik ken de naam van haar veerman.’
‘Ik vraag naar de naam van de veerman.’
‘Hij die op zijn hoede is’ is de naam van haar veerman, en ‘De Twee Bavianen’ is de naam van haar stuurriemen.’5
‘Ik vraag naar de naam van haar roeiriemen.’
‘De Twee Haarlokken’ is de naam van haar roeiriemen.’
‘Ik vraag naar de naam van haar boog.’
‘De Twee Waakzamen’ is de naam van haar boog.’
‘Waar ga je heen?’
‘Om over te steken, om mezelf in de lotusschors te plaatsen.’
‘Waarom?’
‘Om mezelf Sns-brood en een kruik melk te geven.’
‘Open voor hem, want hij kent ons.’
<TE WORDEN GEZEGD> DOOR EEN MAN IN HET RIJK DER DODEN.
Variatie. ‘Bezwering om een veerboot te halen’. Wat volgt is een dialoog tussen de Ziel van Shu en de overledene, die een boot nodig heeft om naar het Hiernamaals over te steken.
‘Volgens B2Lb.c. Er zijn veel weglatingen in de parallelle versies; zo begint B9C bij 68d en laat 68e-i weg, terwijl alle andere parallelle teksten behalve L1Li beginnen bij 68j. Deze laatste tekst begint bij 68h maar is beschadigd; hij kan worden hersteld als ‘Open [voor mij! Zo zeggen] de geesten die zich in het rijk der doden bevinden’. Deze laatste zin wordt herhaald in 69e.j.
Letterlijk: ‘Waar bent u voor?’
De regio Wrs is niet geïdentificeerd.
De dubbele bnty ’twee bavianen’ geeft aan dat er twee stuurriemen met bavianenkoppen worden bedoeld; paren van dergelijke riemen komen vaak voor op ceremoniële boten.
‘O jij die kunt tellen, ga niet ten onder, want je bent jong. Tel je vingers voor mij […] één, de tweede, mijn metgezel die voor me staat. Hij heeft voor zichzelf uitgerukt en uitgeworpen wat uitgeworpen moest worden(?), hij heeft hem gewekt die sliep(?) ten noorden van de Oudste.’
‘O Veerbootman, breng Horus naar mij voor zijn Oog en de Verstotene naar mij voor zijn testikels; daar springt het Oog van Horus omhoog dat daar aan de oostkant van de hemel viel, en daar rijzen de vleugels van Thoth hoog op, die daar aan de oostkant van de hemel vielen.
O Mahaf, wek Aken2 voor mij en breng me dit,3 want zie, ik ben gekomen.’
‘Wie bent u?’4
‘Ik ben een magiër.’
‘Waar komt u vandaan?’
‘Ik kom van het Eiland van Vuur.’
‘Wat is er gebeurd? …’5
‘De schimmen staan, de ribben van de boot zijn gebroken,6 aangenaam … het geluid van mijn bezigheden.7 O Mahaf, wek Aken, zodat hij mij dit kan brengen, aangezien u met leven bent begiftigd. Zie, ik ben een Grote, en ik ben gekomen.’
‘Wie bent u?’
‘Ik ben een goochelaar.’
‘Wie houdt zich bezig met haar, de […] boot?’
‘Ze is voor mij in elkaar gezet… duisternis, maar ze vaart er niet in rond(?)’.8
‘Ze is uit elkaar gehaald […] ze heeft geen “riet”9 of sierelementen(?), ze heeft geen roeiriemen(?) of veters(?), ze heeft geen mrkt, ze heeft geen xsf,10 ze heeft geen dek(?) of spanten(?).’
‘Breng me haar maststeun,11 want de “rietstengels” zijn de banden (?) [die onder (?)] het heldere haar van Seth zitten; haar sierelementen (?) zijn het kwijl dat op de lippen van Babi is, haar roeiriemen (?) zijn de handen van het magische beeld van de Grote die hen leidt; haar kabel (?) is de ruggengraat van Hem die in de zonneschijn is; haar mxsf is het zweet (?) van de ribben van Babi, haar dek (?) is …’
Deze bezwering vertegenwoordigt in een kortere variant de dialoog, die veel uitgebreider is uitgewerkt in Spreuk 397, tussen de dode man die een boot nodig heeft om hem over de Kronkelende Waterweg te vervoeren en de veerman Mahaf die weigert er een te leveren.
Aken is de beheerder van de veerboot, zie bezwering 397, passim. Hij komt al voor in CT IV, 360a; 367f (verkeerd gespeld in één tekst).
De gebruikelijke vorm van een verzoek om een boot in funeraire teksten.
Over de interpretatie van deze groep, zie de Buck, Archiv Orientalni: 20, 399.
Iw r.k awA lijkt een opmerking van de vragensteller te zijn, maar ik kan er niets van maken. Wat volgt is vermoedelijk het antwoord op de vraag.
Of ‘geteld’; beide interpretaties zijn mogelijk.
Ik kan niets maken van hry rn xrw xt.i.
Ik begrijp deze laatste twee zinnen niet. Wat volgt in 74q lijkt door Mahaf gezegd te worden, vgl. 84a.
Dat wil zeggen, de bundels riet waarmee de primitieve kano werd gebouwd, hier wellicht gebruikt als een figuurlijke term voor de beplanking van de romp. Uit de volgende passage blijkt duidelijk dat een geavanceerd type boot werd beoogd. Vgl. 85c e.v.; de veerman probeert duidelijk te maken dat de boot niet in een bruikbare staat verkeert.
Onbekend.
Kennelijk een gevorkte steun om de mast te ondersteunen wanneer deze is neergelaten. Hier spreekt de overledene weer.
BEZWERING OM EEN VEERBOOT NAAR HET RIJK DER DODEN TE BRENGEN!
‘O Veerbootman, breng mij dit; breng Horus naar mij voor zijn Oog, breng Seth naar mij voor zijn testikels. Daar springt het Oog van Horus omhoog, dat aan de oostkant van de hemel viel om zichzelf tegen Seth te beschermen. O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent met leven begiftigd; zie, ik ben gekomen.’
‘Wie bent u die gekomen bent?’
‘Ik ben degene die mijn vader liefheeft, die mijn vader zeer liefheeft. Ik ben degene die mijn slapende vader1 heeft gewekt. O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Zegt u dat u naar de oostkant van de hemel wilt oversteken? Als u oversteekt, wat zult u dan doen?’
‘Ik zal zijn hoofd opheffen, ik zal zijn voorhoofd verheffen, zodat hij een besluit voor u kan nemen, en het besluit dat hij voor u zal nemen, zal niet vergaan noch ongeldig worden in dit land voor eeuwig. O Mahaf, wek Aken voor mij, want u bent met leven begiftigd; zie, ik ben gekomen.’
‘Waarom zou ik Aken voor jou wakker maken?’
‘Zodat hij mij deze boot kan brengen die Khnum uit het meer van de schaapskleren heeft samengesteld; ze is in stukken gehaald en in de scheepswerf geplaatst. Neem haar stuurboordzijde en bevestig die aan haar boeg; neem haar bakboordzijde en bevestig die aan haar achtersteven.’2
‘Maar ze heeft geen “rietjes”, ze heeft geen sierstukken(?), ze heeft geen xsfw , ze heeft geen roeiriemen (?)3.’
‘Haar versieringen(?) zijn de pluim op de staart van Seth; haar “rietstengels” zijn de kwijl(?), die op de mond van Babi zit; haar xsf is het zweet(?) op de ribben van Babi; haar roeiriemen(?) zijn de handen van het magische beeld van Horus die haar schiep. Het is het Oog van Horus dat haar naar mij zal leiden. O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Wie zal deze boot voor ons bewaken?’
‘Haal de staart van het snmmty -dier en stop die in haar achtersteven. Die zal haar bewaken. O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent met leven begiftigd; zie, ik ben gekomen.’
‘Wie zal haar en mij naar u toe brengen?’
‘Breng haar naar mij toe met de beste van de goden, namelijk Amset, Hapy, Duamutef en Kebehsenoef. Hij zal haar4 bevelen, de ttwy zal in haar boog worden geplaatst en hij zal haar naar de plaats sturen waar u bent.’
‘Wat is zij?’
‘Zij zijn de vleugels van de ttwy ‘.
‘Het waait hard en ze heeft geen mast’.
‘Haal de fallus van Babi, die kinderen schept en kalveren voortbrengt’.
‘Waar moet ik hem aan vastmaken?’
‘Aan de heupen die de schenkels scheiden.’5
‘(En hoe zit het met) haar kabel?’
‘Het is de naw-slang die in de hand van Hemen is’.
‘Waar moet ik hem plaatsen?’
‘Doe hem in haar bilgewater.’6
‘(En hoe zit het met) haar zeil?’
‘Het is het doek dat uit de swtyw kwam, dat Horus en de Ombiet7 op nieuwjaarsdag kusten.’
‘(En hoe zit het met) haar boorden?’
‘Dat zijn de pezen van hem voor wie al deze mensen bang zijn.’
‘Wie is hij voor wie al deze mensen bang zijn?’
‘Het is deze die leeft in de nacht van oudejaarsavond. O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Wie ben jij die gekomen bent?’
‘Ik ben een magiër.’
‘Op welke manier bent u gekomen? Op welke manier bent u omhooggegaan?’
‘Ik ben op hen omhooggegaan…’
‘Wat hebt u voor haar gedaan?’
‘Ik heb op haar ruggengraat getrapt,8 ik heb haar… de juiste kant op gestuurd.’
‘Wat hebt u nog meer voor haar gedaan?’
‘Mijn rechterhand is naar haar stuurboord, mijn linkerhand naar haar bakboord, mijn voorkant is naar haar boeg en mijn rug is naar haar achtersteven.’
‘Wat hebt u nog meer voor haar gedaan?’
‘In de nacht werden haar stieren geslacht en haar ganzen in stukken gesneden.’9
‘Wie staat op haar?’
‘Het is Horus van de heersers.’
‘Wie neemt haar touwen in bezit?’
‘Hij die voor de oudste heerser staat.’
‘Wie beheerst haar kommen?’
‘Het is Horus van de heersers.’
‘Wat hebt u nog meer voor haar gedaan?’
‘Ik ging naar Min van Koptos en Anubis, de Heerser van de Twee Landen. Ik trof hen aan terwijl ze hun feesten vierden en hun emmer en korenaren oogstten… met hun sikkels tussen hun dijen, en ik zal daarvan 54 broden voor u bakken. De Opstijger wees mij de weg naar de Opstijgster,10 de Meesteres van Pe wees mij de weg naar de Meesteres van Netjru, naar de goden die voor hun huizen staan. Ik trof hen aan terwijl ze hun hoofddoeken wasten; zij zullen komen met de broden van de goden, en zij zullen broden voor u bakken wanneer zij stroomafwaarts gaan en ronde koekjes wanneer zij stroomopwaarts gaan. O Mahaf, wek Aken voor mij, want u bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Wie bent u die gekomen bent?’
‘Ik ben een magiër.’
‘Bent u compleet?’
‘Ik ben compleet.’
‘Bent u uitgerust?’
‘Ik ben uitgerust.’
‘Zijn uw ledematen hersteld?’
‘Mijn ledematen zijn hersteld.’
‘Wat zijn die twee ledematen?’11
‘Dat zijn de arm12 en het been. …
‘Zegt u dat u naar de oostkant van de hemel zult oversteken? Als u oversteekt, wat zult u dan doen?’
‘Ik zal de steden regeren, ik zal de dorpen besturen, ik zal de rijken kennen en aan de armen geven, ik zal broden voor jullie bakken wanneer ik stroomafwaarts ga en ronde koekjes wanneer ik stroomopwaarts ga… O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent met leven begiftigd; zie, ik ben gekomen.’
‘Wat betreft wat u zegt, dat u naar de oostkant van de hemel wilt oversteken, als u oversteekt, [wat zult u dan doen?] Kent u het pad dat u moet volgen, o tovenaar?’
‘Ik ken het pad dat ik moet volgen.’
‘Welk pad moet men volgen?’
‘Het is “Kracht van de Aarde”, ik zal naar het Rietveld gaan.’
‘Wie zal je leiden?’
‘Het zijn de Koninklijke Tweelingen die mij zullen leiden.’
‘Wie zal je naam aan deze verheven god bekendmaken?’
‘Het is de Aankondiger; die oudste broer van Sokar. O Mahaf, wek Aken voor mij, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Hij zal niet voor mij wakker worden.’
Zeg tegen hem: “O giergod, ik zal uw voorhof13 opbouwen, ik zal uw kist verbrijzelen, ik zal uw pennen breken, ik zal uw papieren verscheuren, want mijn gezicht is dat van Nu; als ik zie, zal Shu zien, en als ik hoor, zal Shu horen. Ik zal bevelen geven aan de Onvergankelijke Sterren, en het zal mij goed vergaan op aarde.”
‘Wat is er?’ zegt Aken, ‘ik sliep.’
‘O Aken, breng me dit,14 want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Wie ben jij die gekomen bent?’
‘Ik ben een magiër.’
‘Ben je compleet?’
‘Ik ben compleet.’
‘Ben je toegerust?’
‘Ik ben toegerust.’
‘Zijn je ledematen hersteld?’
‘Mijn ledematen zijn hersteld.’
‘Wat zijn de ledematen?’
‘Het zijn de arm en het been… O Aken, breng me dit, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Heb je macht over wat je niet is gebracht, o magiër, namelijk deze boot? Ze heeft geen hoosvat.’
‘Breng mij dat … van Khnum dat tot leven wekt wat in haar is; stop het in haar. Of Aken, breng mij dit, aangezien jij met leven bent begiftigd; zie, ik ben gekomen.’
‘Heb je macht over wat niet naar je toegebracht15 wordt, o tovenaar, namelijk deze boot?16 Ze heeft geen masten(?)’.”
‘Wat ontbreekt er aan haar?’
‘Ze heeft geen balken, ze heeft geen tuigage, ze heeft geen meerpaal, ze heeft geen touwen.’
‘Ga naar die god die jou kent17 en vertel hem alles wat je over haar zou willen zeggen, en wat hij je heeft gegeven zal komen.’
‘Wie is die god die mij kent en alles wat ik over haar zou willen zeggen, en wat hij me heeft gegeven zal komen?’ ‘Hij is Horus, met wie een zegelring is.
O Aken, breng mij dit, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Heb jij macht over wat niet naar je toegebracht wordt, o tovenaar, namelijk deze boot? Ze heeft geen anker.’
‘Haal die naw-slang die bij de Beheerder van de Twee Landen18 is en stop hem in haar, met zijn kop in jouw hand en zijn achterste in mijn hand, en we moeten hem strak tussen ons in trekken (in) zijn naam van ‘Pijn(?)’ (…) de meren die in die twee steden zijn. De rivier is in goede staat(?) en de Htpt-waterweg is in goede staat(?) bij die rivier. O Aken, breng me dit, aangezien je met leven bent begiftigd; zie, ik ben gekomen.’
‘Wat zijn die twee steden, o tovenaar(?)’
‘Dat zijn de horizon(?) en de malachietplaats, althans dat geloof ik.’
‘Ken je die twee steden, o tovenaar?’19
‘Ja.’
‘Wat zijn die twee steden, o tovenaar?’
‘Dat zijn de Onderwereld en het Rietveld. O Aken, breng me dit, want jij bent begiftigd met leven; zie, ik ben gekomen.’
‘Hebt u macht over wat niet tot u gebracht wordt, o tovenaar? Wat u gezegd hebt, dat u iemand zou overbrengen naar de plaats waar deze verheven god is, deze verheven god zal zeggen: “Hebt u iemand naar mij overgebracht die het aantal van zijn vingers niet kent?”
Ik zal zeggen: “Ik ken het aantal van mijn vingers.”
Tel, zodat u het mij kunt laten horen.
Neem de ene, neem de dubbele, doof hem …, verwijder hem, geef hem aan mij; wat mij gunstig gezind is, laat ik niet los, heb geen medelijden ermee, verhelder het Oog, geef het Oog aan mij.’
De ‘vader’ is vermoedelijk Osiris, die is herrezen.
Deze aanwijzingen zijn merkwaardig; men zou verwachten dat de zijkanten zowel aan de boeg als aan de achtersteven bevestigd zouden zijn. Dit is echter geen verhandeling over scheepsbouw, en de duidelijke eis van de overledene is dat de romp in orde gebracht moet worden.
Mahaf begint te beweren dat de boot niet geschikt is voor gebruik. Zie bezwering 396, nr. 18 e.v. voor de aard van de vermeende ontbrekende voorwerpen. Sq1C had ooit een vraag in 86b.
Kennelijk met betrekking tot het bekende kwartet als één enkele god.
De heer Spaull suggereert plausibel dat hier de mastvoet bedoeld wordt.
Letterlijk: ‘urine’, maar het is niet duidelijk waarom een touw, oftewel een slang, in de bilge (laagste deel van een schip) zou moeten liggen.
D.w.z. Seth, wiens naam aan dit epitheton wordt toegevoegd in Sq1Sq
Zwaaibalk? Een langsbalk die over de lengte van de boot op dekhoogte loopt, en dus gemakkelijk te vergelijken is met de ruggengraat.
D.w.z. er werd een offer gebracht aan de boot.
Twee vrij onbekende wezens, de ar en de art mannelijk en vrouwelijk.
Sq1C en T1Be voegen de vocatief ‘magiër’ toe.
Zo in plaats van de alternatieve betekenissen ‘elleboog’ en ‘schouder’; een goed voorbeeld van de losse manier waarop de Egyptenaren hun termen voor de ledematen gebruikten.
Blijkbaar wel; aangezien de context laat zien dat dit een bedreiging is, lijkt de implicatie te zijn dat de giergod gevangen moet worden gezet door de uitgangen van zijn binnenplaats te laten dichtmetselen.
De boot.
D.w.z. ‘Kunt u er iets aan doen als ik niet aan uw verzoek voldoe?’ Mijn interpretatie van deze passage in Concise Dict. 299, boven, s.v. Urk. V, 172, moet worden geschrapt.
Letterlijk: ‘het is deze boot’.
Zo ook T1Be, wat het meest logisch is. Varianten T1C: ‘die u niet kent’; M2C: ‘die u kent’.
Zo ook T1C; T1Be heeft ‘Hemen en Anubis, de Bestuurder van de Twee Landen’; variant M2C: ‘die in handen is van de Bestuurder van de Twee Landen’.
Een ‘virtuele’ vraag, vgl. Eg. Gramm.3 § 491.
‘O veerman, breng Horus naar me toe voor zijn oog,1 breng Seth naar me toe voor zijn testikels, breng me het oog van Horus2 dat vluchtte en in zijn tuin viel en dat door Seth werd gered. O veerman, breng me dit.3
‘Wie bent u?’
‘Ik ben iemand die van zijn vader houdt.’
‘Uw vader houdt van u. Wat zult u voor hem doen?’
‘Ik heb zijn botten weer aan elkaar genaaid, ik heb zijn ledematen verzameld, ik heb hem naar believen brood gegeven; het gaat hem goed en het gaat zijn nabestaanden goed. Maak de boot af; ik zie dat ze aan de kade ligt.’
‘Ze is nog niet verwijderd.’4
‘Verwijder haar, maak haar klaar, zet haar in elkaar samen met Sokar, Heer van de hnw-bark.’
‘Haar boegstuk is het voorhoofd van Ha, Heer van het Westen.5
‘Haar achtersteven is het voorhoofd van Sobk,6 Heer van RA-mAqw .
‘Haar wAmyt is de ruggengraat van het Veld van de Vlieger.
‘Haar vier openingen zijn Imseti, I:Iapy, Duamutef en Kebehsenoef.
‘Haar stuurpalen(?) zijn de oudere goden die over Nedit heersen.
‘Haar xsfwt van de boordrand(?) zijn de grote goden die in de Afgrond zijn.
‘Haar bolwerken(?) zijn Horus die worstelt met Seth op de vlakte van Nedit.7
Haar wrm zijn de lippen van de Heer van Dep.
‘Haar boordtouwen(?) zijn de touwen die de hnw -bark vastbinden.
‘Haar xsfw zijn de sterke armen van de Heer der Plebs.
‘Haar int van de boordrand(?) is de knieschijf van Atum.8
‘Haar bekroningen(?) zijn de baard9 van de Ram van Kenzet.
‘Haar masttopogen zijn de ogen van de geest wanneer hij de Grote10 ziet.
‘Haar spanten(?)11 zijn de ingewanden van Isis en Osiris.
‘Haar masttop is de fallus van Babi.
‘Haar “touwslager” zijn de twee vingers van Osiris.
‘Haar touw is de slavendrijver(?) die op de mond van Osiris zat.
‘Haar mDAt zijn de tanden van Osiris toen hij viel en de aarde omarmde in Nedit.
‘Haar smADyt zijn wat de dijen van de Grote scheidt.
‘Haar ribben(?) zijn de ribben van Nephthys.
‘Haar msrt zijn de ribben van Isis en Osiris.
Haar inTw zijn de oksels van Babi.
Haar mAaw zijn het Hsmt monster dat de Libiërs verslindt.
Haar boegspanten zijn de demonen die in de Afgrond zijn.
Haar weefgetouwen (van haar stuurriemen) zijn de huid van de Ram die bij Horus en Seth is.
Haar gebogen spanten zijn de zetels van Horus de sandalendrager.
Haar sxt zijn de offers van hem die in §mAt is.
Haar scheppers zijn de kikkergodin in de mond van haar meer.
‘Haar snbw zijn wat de dijen van Babi scheidt wanneer hij rond het land vaart.
‘Haar stuurriemen zijn de god en godin van Netjrw?
‘Haar zuilen zijn de kaken van Isis en Osiris.
‘Haar mast is de Eenzame Ster die de storm van de hemel heeft gescheiden.
‘Haar nfw zijn de zwakte van de armen van Babi.
‘Haar voorstag is de grote ster van Re.
‘Haar achterstag is de gevlochten lokken van Mafdet.
‘Haar kA-Sspt zijn de goden en zielen van Pe.
‘Haar verstaging(?) is de ruggengraat van Nebhebkau.
‘,Haar stuurboordzijde is de rechterarm van Atum.
‘Haar bakboordzijde is de linkerarm van Atum.
‘Haar achtersteven is Sakhmet wanneer ze danst.
‘Haar roer is Sakhmet wanneer ze beschermt.
‘Haar kajuit is Nut de uitgeruste.
‘Haar zeil is Nut, die wijd uitgespreid is.12
‘Haar roeispanen zijn de bewegingen die Horus in zijn hand(en) heeft wanneer hij reist.13
‘Haar peilstokken zijn de Zielen van Pe en Nekhen, die haar richtlijnen naar de horizon vormen.
‘Haar “sandalen” zijn de bewegingen die Horus in zijn hand(en) heeft wanneer hij de richtlijn naar de horizon volgt.
‘Haar boegtouw is de baard van de Ram, de Heer van @nw.
‘Haar achtersteventouw is de Witte Kroon wanneer deze Edjo ondersteunt.14
‘Haar voorste ankerpaal is de staart van de grote Wilde Stier.
‘Haar achterste ankerpaal is Nekhbet met haar armen om Horus heen.
‘Haar hamer is de ruggengraat van de Ram.15
‘Alles wat ik in deze veerboot vergeten ben, wordt namens mij aangeroepen door de goden die erin zijn;16 zij zullen het uit het pakhuis halen; zij haalden er iets vandaan voor Horus de Heer toen hij boos op de mensen naar de hemel opsteeg. Inderdaad, < .. . > zijn voor jou tussen haar spullen geplaatst om naar ‘Imyt‘ te gaan.
‘Wat zijn deze twee imyt waaruit u bent gekomen?’17
‘Het offerveld en het rietveld.’
‘Uw recht komt inderdaad tot u.’18
‘Ik ben gekomen <uit> de twee Ww-steden, omdat ik in hun handen ben, (namelijk) de goden; mogen zij dit niet wegnemen wat zij mij hebben gegeven bij de waterweg van het Veld(?) van Riet. Ik (Wat betreft) deze zeven goden, ik trof hen gebogen aan terwijl ze emmer oogstten…; ik verzamelde wat zich tussen hun dijen bevond als aanroepingsoffers voor hen daar, toen ik stroomafwaarts naar Khem reisde of stroomopwaarts – moge hij het zien’.
‘Breng hem een boot,19 want hij is een bekwame geest; de reiskosten zijn hem al gebracht. Ga aan boord van de veerboot, want je kent het aantal vingers.’
‘Eén alleen; hij heeft van jou geërfd omdat ik tevreden ben.’
‘Twee, twee; hij is de tweede van twee voorbijgegaan.’
‘Drie, drie; hij is drie geworden vanwege de tweede van mijn twee.’
‘Vier; één is eruit gerukt en twee hebben pijn.’
‘Vijf; de tweede is voor hem neergelegd en mijn(?) één bevindt zich tussen de verzegelde documenten.’
Wat is het goed om achter IwAwt aan te gaan; inderdaad, ik zal haar achterna gaan wanneer het vuur is opgedoken. Gegroet, Oog van Horus, die de goden met uzelf verenigt!20 De hemel en de aardbewoners sidderen voor mij, ik, de goden, verwijder hen van hun zetels, en zij zeggen: ‘Het is een toegeruste geest die naar dit land is gekomen, en het is de geest die door de zuidelijke, noordelijke, westelijke en oostelijke goden is toegerust voor zijn welzijn.’
Kom, opdat u mij zult zien getooid met een hoofdband en de koninklijke mantel. Vreugde wordt mij daardoor geschonken, en de Rietmeren worden gevuld. Hun rietvelden en poelen zijn in mijn bezit, en ik vaar eroverheen. O Hathor, moge uw hand mij worden gegeven, en moge ik naar de hemel worden opgenomen; moge ik tussen de twee grote goden zetelen om recht te spreken, en ik zal de waarheid spreken, ik zal de patriciërs en het plebejers beheersen, die voor mij zullen buigen. Het is goed.21
Variatie T3L: ‘breng me het Oog van Horus voor hem’.
Variatie ‘de boot van Horus’, ‘de boot van het Oog van Horus’.
De boot.
Letterlijk ‘wat voor haar uitgesneden zou moeten worden, is er niet’, d.w.z. ze is nog niet gebouwd.
Hier begint een lange opsomming van de onderdelen van een schip, waarbij elke vermelding vergezeld gaat van een mythologische beschrijving; veel van de genoemde items zijn van onbekende identiteit, en andere kunnen slechts voorlopig worden geïdentificeerd. Vgl. Jequier, BIFAO; 9, 37ff, maar ik ben het niet eens met zijn ‘zonnebark’-visie; dit is een lijst van de onderdelen en uitrusting van een normale zeilboot.
Variatie G1T, A1C: ‘Min’, zie de Bucks noot 1 *. De volgende plaatsnaam is niet geïdentificeerd.
Zo ook G1T; A1C: ‘op het plateau van . . .’; M3C: ‘op de hoge plaats van het land, in Nedit’; M21C: ‘op de vlakte in {de hoge plaats van het land in Abydos’: M2NY en M5C hebben ‘Nedit’ voor ‘Abydos’.
Variatie M6C: ‘Nehebkau’.
‘Baard’ in plaats van ‘staart’, vgl. I 48a, waar ‘xbsyt‘, zeker ‘baard’ betekenend, naast sd ‘staart’ wordt genoemd. De toespeling kan zijn op de gebogen baard van een god.
Variatie M21C: ‘de ogen van de vrouwelijke geest die Horus ziet’.
#mt; letterlijk ‘Drie’ is op de een of andere manier verbonden met de mast, zoals blijkt uit de context waarin het voorkomt, en ik denk dat het kan verwijzen naar de drie spanten, d.w.z. de mast en de twee ra’s.
Alleen in M21C verwijst het metaforisch naar de uitgestrektheid van de hemel. M5C verwijst naar ‘Nut die rust […]’, terwijl M2NY verwijst naar ‘de loper van Horus’.
Zo ook G1T en A1C. Alle andere teksten behalve M21C hebben ‘de goden en zielen van Nekhen’; M21C vervangt Nekhen door Pe.
Variatie M6C: ‘het haar van het gepeupel’ (!). De gecombineerde teksten in 148a hebben ‘de staart van de Wilde Stier’, wat in feite beter past bij een schering dan beide versies van 148b.
Variatie A1C: ‘van Babi’. M2NY en M5C hebben bA ‘de ziel’, een homofoon van bA ‘ram’. De opsomming van scheepsonderdelen eindigt hier.
De vergeten onderdelen.
Vermoedelijk wordt de vraag gesteld door de veerman Mahaf, nadat de zeer lange toespraak van de overledene eindelijk ten einde is gekomen.
Kennelijk gesproken door Mahaf.
Mahaf spreekt.
Derde persoon in het origineel, in overeenstemming met het gebruikelijke Egyptische gebruik.
Dus S1C. Wat er van M2NY overblijft, verschilt van de andere vier teksten, en M5C is verloren gegaan.
Een gunst die de koning verleent aan Anubis, die zich op zijn berg bevindt, die op de plaats van balseming is, Heer van het Heilige Land, in al zijn reine en mooie plaatsen, namelijk aanroepingsoffers voor iemand die geëerd wordt door de grote god, Heer van de hemel, voor N, de waardige en gerechtvaardigde; duizend broden en bier,1 duizend runderen, gevogelte, wild,2 albast, kleding, de begrafenismaaltijd, en duizend van alle reine en goede dingen waarvan de geesten verlangen te eten, voor N […].
Moge hij het firmament doorkruisen, moge hij de hemel doorkruisen, moge hij veilig reizen op de mooie paden waarop de gezegenden reizen, moge hem handen gegeven worden in de nSmt -bark te midden van de gezegenden.
Orion en de Grote Beer staan klaar (?) als sterren, het land is geplaatst aan de kant van het grote Westen bij de trap van de lotusvijver op de plaats om stroomopwaarts te reizen in het Meer der Geliefden in de Rivier der Voedseloffers naar de plaats waar N is, zodat hij kan leven.
Het is de rivier van de Heer van Alles toen hij in de vloed was in de Afgrond met de levenloze, toen hij vermoeid was in de Grote Hal.
De waardige en gerechtvaardigde N is erin begraven op de plaats waar Osiris is.
Bijschriften bij de bootdiagrammen.
A. Ptah-Sokar.
B. Wierook op het vuur.
C. De leidende slang van het [Veld van] Offers.
D. De uitgeruste geest ‘zal veilig afdalen naar de lotusvijver voor
Orion in de zuidelijke hemel bij elke gelegenheid op de plaats waar Osiris zich bevindt, bij de trap.
E. Deze kom is de meesteres van de drankoffers3 in de rang van vloed, die de wtnw van de overstroming beheerst.
F. Muzikante-godin.
G. Dit is de meesteres van de boeg (van de boot).
H. De zielen van Pe.
I. Muzikante-godin.
J. De achtersteven(?).
K. Orion en de leidende slang ordenen de stromen bij elke (gelegenheid) op de plaats waar Osiris is […].
L. De uitgeruste geest daalt veilig af naar de zuidelijke hemel.
M. De boeg.
N. Hij die de mond opent.
O. De vermoeide.
P. De Grote Beer.
Q. Hij die N’s mond opent.
R. De twee ogen.
S. Hij die opvliegt is hij die zit op de plaats waar Osiris is.4
T. De zielen van Nekhen.
De catalogus van offergaven is weggelaten uit G1Ta, hier wordt G1Tb gevolgd.
Voorgesteld door de kop van een oryx(?).
Letterlijk ‘Wat wordt verheven’ als offer.
Vertaling twijfelachtig; de lezing is niet zeker, zie de Bucks noot 4*; als we hier werkelijk een
als hulpwerkwoord hebben, zou Hms de infinitief Hmst zijn.
BEZWERING VOOR HET [VERGEZELLEN(?)]1 VAN DE VEERBOOT NAAR HET RIJK DER DODEN, NAAR V, DE PLAATS [WAAR OSIRIS IS(?)].2
De boot is de lotusbark die het land van de god3 binnenvoer.
De ankerpaal is… ten westen van de zetels van Rrwt .4
De boeg- en achtersteventouwen zijn de klauwen (?) van de schorpioengodin.
De ‘sandalen’ zijn als de dij van de Grote Vrouwe.
De mast is de dag van vernietiging(?) van de stralende hemel.
De kabel is de vlam(?) die vreugde brengt voor de Vernietiger.
De kAw zijn zij die de invloed van de zon beperken.
Het zeil is de rode die… hen die tevreden gebracht worden.
De boegpaal en het roer zijn de Grote wanneer hij bij hen is die bidden.
De Hrt-touwen zijn de boogsnaren van hen die rond de Afgrond aten.
De put is de put die zich in het rijk der duisternis bevindt.
De roeispanen zijn de staven van Hapy.
De stuurriemen zijn zij die voor Anubis de Grote staan.
De peilstok is de veerman die ze niet kunnen zien.
O jullie zeven geesten,5 de veermannen van de hemel;6 o Mahaf, kom en breng mij de veerboot, in zijn naam qAyt-boot en in zijn kracht qAyt-boot, die van de berg gezonden wordt…
O jullie goden naast de god, er is een boodschap voor mij gekomen; de Nachtbark en de Dagbark zijn gebouwd. Hij leunt op mij7 en vertrouwt op mij, en Re is in vrede. Ik zit naast hem, en de Ziel die aan de horizon is, velt oordeel; ik heb mijn arm uitgestrekt over de arm van Horus en de sandaal van Seth;8 ik ben de schemering die over de nadering van de storm9 hangt; ik reis rond…10 Moge (iets) naar mij gebracht worden zodat ik de stierslang kan zien, moge het bevel11 van de stierslang naar mij gebracht worden…12 Zij die oversteken, zijn zij die mijn paden openen naar het Meer van de Schenkels.13 Zij brengt en neemt weg, want zij heeft geknield bij de trap, zij steekt over naar het Rietveld.
Voor de restauratie zie de Bucks noot 1. *
Restauratie is speculatief.
Volgend op S1C. Deze bezwering is zeer onduidelijk.
Gerestaureerd met behulp van M2NY. Ik kan nqAw niet vertalen.
Hier komen enkele nieuwe teksten bij; naast M5Cb hebben we M2NYa en M5Ca. Het getal ‘zeven’ komt alleen voor in S1C; de intacte parallellen hebben ‘vier’.
M2NYb en M5Cb hebben: ‘de veermannen van het Westen, de veermannen van de hemel’.
Er moet zeker een tekstuele weglating zijn geweest in de kopiistische bron; deze zin en wat volgt hebben geen verband met wat eraan voorafgaat. Wie is ‘hij’?
Volgend op M5Ca; deze tekst lijkt hier superieur aan S1C en M2NYa. De indruk bestaat dat de overledene een soort van beteugeling uitoefende over deze twee strijdende goden.
Volgens M5C de enige vertaalbare versie van de drie, hoewel het een oude correctie kan zijn.
Onbegrijpelijk. Alle drie de teksten verschillen wezenlijk van elkaar, wat suggereert dat de kopiisten zelf geen idee hadden wat ze moesten doen.
Nauwelijks ‘arm’ zoals in S1C, aangezien slangen geen ledematen hebben.
Ik begrijp m dmDt $nm (var. ib) niet.
Volgens M5C; de andere twee teksten zijn onbegrijpelijk.
BEZWERING VOOR EEN VEERBOOT.
O jullie [zeven(?)] geesten, veermannen [van] het Westen, breng mij de veerboot wanneer ik roep, [want(?)] ik ken jullie en ik ken jullie namen.
O MA-Axt-n.f, breng mij de veerboot in [zijn naam van qAyt-boot en in] zijn kracht van qAyt-boot […]
Ik zal ermee naar het Westen varen, ik zal de god bereiken die in(?) […] is.
Niet opnieuw sterven en de magie van een man aan hem geven.
Ik ben Khopri, die uit zichzelf ontstond op de schoot1 van zijn moeder, die de jakhalzen gaf aan hen die in de Afgrond2 zijn en de roofdieren(?)3 aan hen die voor het tribunaal staan; zie, deze magie van mij is naar mij gebracht; verzamel deze magie van mij voor mij, waar die zich ook mag bevinden; wees sneller dan een hond, wees sneller dan Shu.
O jullie die de veerboot naar Re brengen, versterk jullie krachten, laat jullie veerboot te water, vaar naar het Eiland van Vuur, want zie, ik heb mijn magie verzameld waar die zich ook bevond.
Nu, wie die magie ook bezit, wees sneller dan een hond, sneller dan Shu.
De reiger is in nood, de goden zwijgen, omdat ze de reiger luid hebben laten roepen, zodat hij de goden een boodschap kan overbrengen.
Zie, ik heb mijn magie verzameld, waar die zich ook bevond.
Nu, wie hierbij is, wees sneller dan een hond, sneller dan Shu, want ik ben een feestelijke stier, zuiver van mond, levend van de melk van de godin.
Letterlijk ‘been’, maar de context vereist de vertaling ‘schoot’.
Variatie M2NY: ‘de jakhalzen (mannelijk) van het binnenste van de Afgrond.’ L2Li lijkt, waarvan 175e is overgenomen, een andere tekst te hebben gehad.
Letterlijk. ‘moordenaars’, met huid-det. in M2NY; een jagend viervoeter van een of andere soort lijkt nodig als tegenhanger van ‘jakhalzen’ in 175e.
Bezwering voor het brengen van een veerboot naar N en voor de oversteek naar het dodenrijk.1
O gij die uit de Afgrond komt als veerman van de hemel, die de leiding hebt over het veld van geïrrigeerd land(?), breng mij dit, dat licht(?) is maar niet gewikkeld.
Gij zult het wikkelen2 met klei(?)3 en met het dubbele koord dat zich op het graf van de lip van Osiris bevindt, zonder dat de spanten(?) erop4 neerdalen; ik zal de spanten(?) erop laten neerdalen door middel van de veren van de vleugels van de twee valkgoden.5
Ik ben gekomen om mijn zetel op te richten en de veerboot gereed te maken, mijn vuur zal op de kades van de ‘Grote Witte’ bark branden.
Breng mij dit; jullie die gaan en komen, breng mij dit, want ik ben Itty,6 ik ben gekomen naar het Eiland van Vuur, ik zal duizenden doden, ik zal honderden beoordelen(?), ik zal leven van de hersenen(?)7 die zich op de hoofden van de Zielen van On8 bevinden.
Aldus BH1C.
Er is veel verwarring in de teksten; Sq5Sq lijkt het meest begrijpelijk.
De context suggereert een of andere substantie die gebruikt wordt om te kitten.
Blijkbaar vraagt de overledene om een niet getuigde romp, die hij zelf zal tuigen, vgl. 179b.
Opnieuw voegt Sq5Sq ‘breng N dit’ toe.
Onbekend.
Letterlijk ‘ingewanden’, maar in deze context is die vertaling betekenisloos. ‘Hersenen’ lijkt het meest waarschijnlijke alternatief, hoewel het in dat geval niet duidelijk is waarom Hryw tp in plaats van imyw tp gebruikt zou moeten worden.
De bezwering eindigt hier. Sq5Sq voegt nogmaals ‘breng N dit’ toe en eindigt met een rubriek: ‘N’s veerboot naar hem brengen in het dodenrijk’.
BEZWERING OM BIJ DE EERSTE PORTAAL VAN HET RIETVELD AAN TE KOMEN. WAT MOET ER TEGEN DE POORTWACHTER1 GEZEGD WORDEN:
‘Open, o GsgI, want uw naam is Gsgs. Gegroet, U van de Onderwereld, mijn heer; maak uw plaats gereed voor mij.’
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent.’ Hij zal bij een andere poort aankomen.
Daar zal hij de Zusters (Gezellen)2 aantreffen; zij zullen tegen hem zeggen: ‘Kom, opdat wij je mogen kussen’, en zij zullen de neus en lippen afsnijden van eenieder die hun namen niet kent.
Wanneer hij hen bereikt, zal de man zeggen: ‘Gegroet, Zusters, Gezellen die de Geliefde troosten!
Ik ben met mijn magie tussen jullie gekomen, ik ben hij die schijnt in de Nachtboot, ik ben Horus, zoon van Isis, ik ben gekomen om mijn vader Osiris te zien.’
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent.’
Hij zal bij een andere poort aankomen waardoor de lucht binnenkomt en wordt afgesloten.
Er zal tegen hem gezegd worden: Wees gegroet, Renner, wiens naam ‘Zoon van een Renner!’ is, ‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent’.
Hij zal bij een andere poort aankomen; hij zal de poortwachter daar aantreffen, staand met een tas van een graanmaat en een graanmaat in zijn hand, waarmee hij de uitwerpselen van een mens kan meten.
DE MAN ZAL TOT HEM ZEGGEN:
‘Gegroet, &wt, wiens naam &wt is! “Wat gevuld moet worden” is de naam van uw graanmaat.’ ‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die u kent.’ ‘Gegroet, Slager van het pilaaramulet, wiens naam “Slager van het pilaaramulet” is.’
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent. Gegroet, jullie twee werpstokken, wiens naam <“Werpstokken”> is.
Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent.
Hij zal op deze grond aankomen en deze grond zal tot hem zeggen: ‘Wij zullen je niet op ons laten treden.’
Hij zal tot hen zeggen: ‘Gegroet, ruggengraat van Re, die de Slang verdrijft, die Neith naar de krokodillen zendt.’
‘Kom, wees een ziel, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent.’
WAT MOET ER GEZEGD WORDEN TEGEN DE VEERMAN VAN HET RIETVELD, opdat zijn aandacht uitgaat naar de goden die aan de overkant van de rivier zijn?
Hij zal tegen hen zeggen wanneer hij roept: ‘O Gesneden Riet, Tong van Re …;3 leider van de Twee Landen, keer niet naar hen terug; O Macht in de hemel die de zonneschijf onthult, O Re, Heer van het ochtendrood, breng naar mij,4 laat mij niet zonder boot achter.’
‘Zeg mijn naam’, zegt de boeglijn. ‘Gevlochten lokken van Isis die Anubis heeft aangebracht door middel van de kunst van de balsemer’.
‘Zeg mijn naam’, zegt de meerpaal. ‘Uw naam is “Vrouwe van de Twee Landen in het Heiligdom”‘.
De naam van de hamer5 is ‘Kont van de Stier van de Wind’.
De naam van de stuurpalen is ‘Riet van het Veld van God’.
De naam van de romp(?) is ‘Aardegod’.
De naam van de mast is ‘Hij die de Grote Vrouwe haalde nadat ze ver weg was geweest’.
De naam van de mhnnw is ‘Vandaag van Wepwawet’.
De naam van de ra’s(?) is ‘De staven van Re die in Unu zijn’.
De naam van de dbHw is ‘De staven van Re die in Unu zijn’.
Het zeil: ‘Je naam is Nut’.6
De veters(?), de vallen(?) en iwt : ‘Iemand heeft je gemaakt van de huid van de Mnevis-stier en de pezen van de Ombiet.’
De naam van de roeispanen is ‘De vingers van Horus de Oudere’.
De lenspomp is ‘De hand van Isis toen ze het bloed van het Oog van Horus opveegde’.
De lenspomp is ‘De keel van Imsety’.
De ribben (?) in haar romp zijn Imsety, Hapy, Duamutef en Qebehsenuef, (dat wil zeggen) “Hij die plundert”, “Hij die als rover optreedt”, “Hij die zijn vader ziet” en “Hij die zijn eigen naam maakt”.
De roeibalk(?):7 ‘Uw naam is “Zij die over de tuinen heerst”.’
De achterkant(?) (van de stuurriem): ‘Uw naam is mrw -hout’.
De stuurriem: ‘Uw naam is “Nauwkeurig”, en de naam van uw blad
is “Zonneschijn die door het water snijdt”.’
De naam van zijn weefgetouw(?) is ‘Neus van Ptah’.
De naam van deze boot is ‘Poot van Isis die Re met een mes afhakte toen zij de Nachtbark naar hem bracht’.
De naam van de schipper: Zijn naam is …8
De naam van de stuurman(?): Zijn naam is …9
De naam van de roerganger: Zijn naam is ‘Twee Bavianen’.10
De naam van de wind is ‘Noordenwind die uit Atum kwam naar de neus van de Voornaamste der Westerlingen, de Heer van Abydos.’
Zeg mijn naam, zegt de rivier. ‘Uw naam is “Zij die hun heer zien.”, Zeg mijn naam, zegt de rivieroever. ‘Geef mij uw hand, o lippen van Isis, op de dag van het avondmaalfeest; “Hij die rotting eet in de duisternis,” en “Zij die een einde maakt aan hem die zijn hand tegen het water wil uitstrekken”.’
WAT TEGEN DIE GODEN GEZEGD KAN WORDEN DIE IN DE GESCHRIFTEN VOORKOMEN:11
‘Gegroet, gij wiens eigenschappen goed zijn, uw heren van bezittingen, die voor eeuwig en altijd zullen bestaan!
Ik schijn voor u, opdat gij mij behaagt en opdat gij de waarheid in mijn mond legt, zodat ik ermee kan spreken.
Mijn brood is in Pe, mijn bier in Dep, mijn koek is gebakken, en mijn zetel is ruim in de aanwezigheid van de grote god; ik ken de naam van die god voor wie12 voorziening is geplaatst, zijn naam is &km.
Hij opent de westelijke horizon, hij kent de oostelijke horizon, en zijn naam is &km.
Als hij vertrekt, dan zal ik vertrekken wanneer hij uit zijn msqt wordt verdreven.
Zij die in opstand komen, zullen geen macht hebben over dit lichaam van mij, want mijn brood is in Pe en mijn bier in Dep, en deze macht van mij behoort mij toe.
Mijn macht is brood en bier,13 mijn macht is leven, voorspoed en gezondheid.’
Ik ga overdag naar buiten in elke vorm die ik maar wil, en ga vandaar naar het Rietveld.
Wie deze bezwering kent, zal naar het Rietveld gaan, en daar zal hem een Sns-brood, een bierkan, een psn-koek en een stuk land gegeven worden, met gerst van zeven el en ook emmer, en het zijn de Volgelingen van Horus die het zullen oogsten.
Hij zal deze gerst en deze emmer kauwen en zijn huid ermee insmeren, en zijn lichaam zal [hee] zijn als dat van deze goden, en hij zal naar het Rietveld gaan in elke vorm die hij wenst aan te nemen.
Variatie B7C: Bezwering om af te dalen naar het Rietveld. Ze zullen zeggen: “Hier is een man die vergeestelijkt is […]”‘. M2C heeft: ‘Hij zal de bewaker van de eerste poort bereiken en tegen hem zeggen:’; wat er van Ab1Ph overblijft, volstaat slechts om aan te tonen dat de zinnen in een andere volgorde werden uitgesproken.
Ik neem aan dat de Zusterlijke Gezellen Isis en Nephthys zijn.
Indbw . betekenis onbekend.
D.w.z. de boot.
B9C en B10C hebben regelmatig: ‘”Zeg me mijn naam”, zegt …’.
Zo ook B5C; verloren in B7C. B9C en B10C hebben Nu voor Nut, maar aangezien het woord voor ‘zeil’ varens is, is ‘Nut’ ongetwijfeld de betere lezing.
Letterlijk ‘dat wat verenigt’; dit suggereert de dwarsbalk die over de hele lengte van rivierboten op dekhoogte liep en de romp stijfheid verleende. Mueller vertaalt dit als ‘zwaluwstaarten’, waarbij hij Allen en Jequier citeert, maar in dat geval zouden we zeker het meervoud hebben gehad; de geringe grootte van zwaluwstaarten maakt het ook onwaarschijnlijk dat ze in deze lijst zouden zijn opgenomen.
De naam is onleesbaar.
Opnieuw is de naam onleesbaar.
Mogelijk verwijzend naar twee stuurpalen met bavianen erop.
D.w.z. die genoemd zijn in wat eraan voorafgaat.
Letterlijk ‘bij zijn neus’.
D.w.z. ‘mijn macht ligt in brood en bier’, enz.
‘Open, o GSgS! Open, o GSgS! Gegroet, Imsety, mijn heer; maak uw plaats voor mij1 gereed.’
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ik ga naar de plaats die u kent.’ ‘Gegroet, zusterlijke metgezellen die de Geliefde troosten; ik ben tussen u gekomen in de Nachtboot.’
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die u kent.’ ‘Gegroet, u die uit de Twee Gebieden komt; “U die uit de Twee Deuren komt” is uw exacte naam.’
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die u kent.’
‘Gegroet, District van de Renner: “District van de Renner” is uw exacte
naam:
‘Kom, wees een geest, mijn broeder; ga naar de plaats die je kent.’
‘O Gesneden Riet, Tong van Re, …,2 Leider van de Twee Landen in Nekheb, keer niet naar hen terug. O Grote Macht die de zonneschijf onthult met Re, die de leiding heeft over het ochtendrood, verleen dat de veerboot voor deze geest wordt overgevaren, want zie, hij is gekleed en aangekleed gekomen; moge hij afdalen naar de rivieroever als een boodschapper van de grote god; verleen dat de veerboot voor de geest wordt overgevaren, want zie, hier is hij.’
De schipper van de veerboot van het district in Khemennu zal zeggen: ‘Als degene daar inderdaad deze geest is, laat hem dan de naam uitspreken van de plaats waar hij is aangekomen.’
Deze geest zal tegen de schipper van de veerboot van het district in Khemennu zeggen: ‘Ik ken de naam van de grond [waar] ik ben aangekomen; de naam is “Rug van Geb en ribben van Isis, waarop de afweermiddelen van de Slang, Vernietiger met uitgestrekte arm in de Zuivere Plaats” zijn.’
De schipper van de veerboot van het district in Khemennu zal zeggen: ‘Als hij aan boord gaat aan de boeg van de veerboot, zal zijn ziel hem vernietigen, maar als hij [aan boord gaat] aan de achtersteven van de veerboot, zal deze geest een van hen zijn’; en de schipper van de veerboot van het district Khemennu zal zeggen: ‘Spreek de naam van deze boot uit wanneer je aan boord gaat’.
Deze geest zal tegen de schipper van de veerboot van het district in
Khemennu zeggen: ‘Ik ken de naam van deze hele boot, en ik ken de naam van haar boegtouw; de naam ervan is “Gevlochten lokken van Isis die Anubis heeft aangebracht door middel van de kunst van de balsemer”.
‘Ik ken de naam van haar aanlegpaal; de naam ervan is “Meesteres van het Land in het heiligdom”.’
‘Ik ken de naam van haar hamer; die heet “Kont van §Aw-sp.f“.
‘Ik ken de naam van haar stuurpalen(?); die heten “Slangen van het Veld van God”.
‘Ik ken de naam van haar roeispanen; die heten “Vingers van Horus de Oudere”.
‘Ik ken de naam van haar lenspomp; die heet “De hand van Isis die het bloed van het Oog van Horus opveegde”.
‘Ik ken de naam van [haar] ribben(?); die heten Hapy en Duamutef”.
‘Ik ken de naam van haar mast; die heet “Hij die de Grote haalde nadat ze ver weg was”.
‘Ik ken de naam van haar masttop: die heet “Slokdarm van Imsety”.
‘Ik ken de naam van haar mhy; die heet “Rug van [ … ] die voorbijging”.
‘Ik ken de naam van haar veters (?), haar valkuilen en haar […]; het zijn “Het is gemaakt van de huid van de Mnevis-stier en van de pezen [van de Ombiet],
‘Ik ken de naam van haar velden (?); het is “[ . . . ] landen van het Veld van de God die in Unu is”.
‘Ik [ken] de naam van haar zeil; de naam is Nut.
‘Ik ken de naam van [haar … ]; het is <Imsety>, Hapy, Duamutef en <Qebehsenuef>; hun namen zijn “Hij die als rover handelt”, “Hij die zijn eigen naam maakt”, “Hij die plundert” en “Hij die zijn vader ziet”.
‘Ik ken de naam van de achterkant (?) (van haar stuurriem); de naam is “Meesteres van het Land in de tuin”.
‘Ik ken de naam van haar stuurriem; [de naam is] “Nauwkeurig”, en de naam van het blad is “Zonneschijn die door het water snijdt”.
Ik ken de naam van deze hele boot; het is “De bil van Isis die Re met een mes afsneed voor zijn oog, in zijn eigen belang, op de Bark van [ .. . ]”‘.
De schipper van de veerboot van het district in Khemennu zal zeggen:
‘Spreek de naam van de rivier uit, aangezien jullie erheen varen.’
Deze geest zal tegen de schipper van de veerboot van het district in Khemennu zeggen: ‘Zijn naam is “Hij die naar hen kijkt”.’
De schipper van de veerboot van het district in Khemennu zal zeggen:
‘Spreek de naam van de wind uit, aangezien jullie erdoor varen.’
‘Zijn naam is “De noordenwind die vanuit Khemennu naar de neus van de Voornaamste der Westerlingen, de Heer van Abydos ging.”‘
De schipper van de veerboot van het district in Khemennu zal zeggen:
‘Spreek de naam van de rivieroever uit, aangezien jullie erop varen.’
‘Zijn naam is “Ruggengraat van Geb en ribben van Isis die de Slang ervan afweren”.’
Het betekent voortgaan in de aanwezigheid van de Grote Enneade die in On is, die deze geest vol vreugde tegemoet komt. Deze geest zal zich op zijn buik tussen hen neerwerpen en tot hen zeggen: ‘Ik ben hier gekomen om jullie te begroeten, jullie heren van bezittingen die in de eeuwigheid zijn, (die binnen) de grenzen van de eeuwigheid zijn. Ik heb aangemeerd, mijn koek is gebakken, mijn brood is in Pe, mijn bier is in Dep, ik bezit offers, en mijn offers zijn brood en bier, leven, welzijn, gezondheid en een onberispelijk karakter; (ook) uitgaan in elke vorm die ik wens binnen het Rietveld’.
De Grote Enneade, die zich in het Rietveld bevindt, zal zeggen: ‘Geef hem een Sns-koek, een bierkan en een portie vlees, en hij zal ervan eten, en hij zal voor eeuwig en altijd niet meer uitgaan.’
Het [Grote] Tribunaal, dat zich in het Rietveld bevindt, zal zeggen: ‘Geef hem een stuk [land] met gerst van drie ellen hoog. De Volgelingen van Horus zullen het voor hem maaien gedurende het eerste jaar, en hij zal erop kauwen en zijn lichaam ermee insmeren, en zijn lichaam zal gezond zijn zoals zij allen.’
Het Grote Tribunaal dat zich in het Veld (van Riet) bevindt, zal zeggen: ‘Geef hem de …3 van een wasser en een wasvrouw; laat hem water drinken uit de draaikolk en geef hem de kans een orgasme te bereiken.’
Het Grote Tribunaal dat zich in het Veld (van Riet) bevindt, zal zeggen: ‘Laat hem zingen en dansen en sieraden ontvangen, ik laat hem dammen spelen met degenen die op aarde zijn, moge zijn stem gehoord worden, ook al wordt hij niet gezien; laat hem naar zijn huis gaan en zijn kinderen voor eeuwig en altijd inspecteren.’
Deze geest zal zeggen: ‘Ik ben hier gekomen om mijn kinderen te inspecteren en voor mezelf het gewaad4 te ontvangen, want ik ben de Bijter in zijn kronkel; ik ben de Baviaan met de sterke naam; ik ben de …5 die koppig vecht en het verbond van Seth ten val brengt. Ik ben hier gekomen om het Boek der Goddelijke Woorden te spreken en te reciteren.’
M1C heeft ‘een bezwering maken’.
anD nb is onbegrijpelijk;
Zowel de lezing als de betekenis zijn onduidelijk.
De precieze betekenis van amam is niet bekend. Ik heb het vertaald met ‘kledingstuk(?)’ omdat de beschrijving lijkt op die van snd ‘doek’. Mueller suggereert ‘mand(?)’.
@wnt , betekenis onbekend, blijkbaar een vechtdier.
BEZWERING OM DE ZEVEN KNOPEN VAN DE HEMELSE RUNDEREN1 TE KENNEN.
O gij die uw2 touw knoopt en de veerboot vastbindt, o veerman van de Zielen van On, knoop uw touw en bind uw veerboot vast; stuur mij naar de zuidelijke hemel en roei mij naar de noordelijke hemel, zodat ik de Langhoorn in de noordelijke hemel kan plaatsen, want de hemelse runderen zijn van mij.
O Seth,3 bezitter van uw macht, grote Langhoorn die in de noordelijke hemel woont, geef mij lucht te midden van de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
O u die luid spreekt, zeer majestueus, zittend te midden van de duisternis, geef mij lucht te midden van de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
De rivier is stil voor de Heer der pracht; de nt -kroon valt de wtnw aan die de hemelse runderen rust geven.
De krokodil komt tevoorschijn van onder de Hoogten van Neith en van onder de rivieroevers.
Rust, o Aardegod; schenk rust aan de hemelse runderen, want een kreet klinkt en tumult breekt los.
O Neith, Meesteres van …,4 kom onder mijn voeten5 te midden van de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
O Heer van het zaad van de Vijf Stieren, de banden van de sterke stier zijn van u.
O jullie zeven knopen van de hemelse runderen, ik ken jullie en ik ken jullie namen; mogen jullie mij gezond maken, mogen jullie mijn vlees gezond maken, mogen jullie mijn ledematen gezond maken, mogen jullie steun geven aan mijn botten, mogen jullie mij redden van al het kwaad, moge mij niets kwaads overkomen, want ik ben een waardige geest die niet luistert naar toverij; ik zal niet naar het slachthuis worden gebracht door hem die de leiding heeft over de slagers, hun verlangens6 zullen niet door mij worden vervuld.
Ik zal niet ondersteboven gaan, ik zal op mijn eigen voeten lopen en ik zal standhouden op mijn plaats.
Aldus B2C; kleine variatie in de andere teksten.
In de derde persoon in het origineel, zoals gebruikelijk is bij vocatieven van dit soort.
B1C en B2L voegen wr ‘de grote’ toe na de naam van Seth.
NTst , betekenis onbekend; S1C vervangt dit door Tnnt .
Betekenis wellicht: ‘steun mij’.
Letterlijk wellicht ‘hun wat-wenselijk-is’; het schrift is dat van aAbt ‘voedsel’, maar die betekenis past nauwelijks in de huidige context.
BEZWERING VOOR DE ZEVEN KNOPEN VAN DE HEMELSE RUNDVLEES.
O jij die je touw knoopt en je veerboot spant, o veerman van de Zielen van On, knoop je touw en span je veerboot; treed op als stuurman in de zuidelijke hemel, roei in de noordelijke hemel, daal af in [ … zie, jij] bent onder mijn voeten1 gekomen; geef me lucht tussen de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
O jullie stieren die loeien [ : .. ], jullie zijn jullie [banden]. O Sterke Stier, kom onder mijn voeten, geef me lucht tussen de wtnw die de hemelse [runderen] rust geven.
O Seth, [bezeten van uw] macht, Grote Langehoorn die in de noordelijke hemel woont, wanneer(?) de Langehoorn wordt [opgetild(?)] naar de noordelijke hemel, [zie, u] bent onder mijn voeten gekomen; geef mij lucht te midden van de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
O Heer van Vrede aan het hoofd van Neith,2 die lucht geeft aan hen die in haar gezelschap zijn, zie, u bent onder mijn voeten gekomen; geef mij lucht te midden van de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
[De krokodil(?)] gaat naar buiten […] Meesteres van Mendes, zie, u bent onder mijn [voeten] gekomen; geef mij lucht te midden van de wtnw die de hemelse runderen rust geven.
O jullie zeven knopen van de hemelse runderen, ik ken jullie en ik ken [jullie] namen; maak mij gezond.
Zie voor deze uitdrukking bezwering 407, noot 5.
De naam van de godin in plaats van die van de kroon.
Gegroet, o nSmt-bark van Osiris, de eerste [boot]1 die Re bouwde en die u naar N’s ziel zult brengen, voor hem en voor zijn lichaam. Moge hij aan boord gaan van de nSmt-bark, moge hij aan stuurboordzijde naar beneden gaan en aan bakboordzijde naar boven klimmen; moge hij slaan met zijn scepter en regeren [met zijn staf]; moge u2 N’s [ziel] verdedigen tegen zijn vijanden in de hemel, op aarde en [in] die zeven rechtbanken, de rechtbanken [van Osiris].
Gegroet, jullie twee grote en machtige goden die in de [nSmt]bark zijn! N kent jullie bij jullie namen en bij de gedaanten waarin jullie zijn ontstaan; mogen jullie N’s ziel toestaan om naar zijn lichaam aan boord van de nSmt bark te keren; mogen ze aan stuurboordzijde afdalen en aan bakboordzijde opstijgen; mogen ze met hun scepter slaan en met hun staf regeren; mogen jullie N’s ziel verdedigen tegen zijn vijanden in de hemel en op aarde, en in de zeven rechtbanken van Osiris.
Gegroet, roer van de [nSmt]-bark! N kent u bij uw naam en bij de vorm waarin u bent ontstaan; u bent de steunpilaar van Thoth die Re oprichtte op de dag van de grote [ … ]-bark die in de Onderwereld ontstond. Moge u N’s [ziel] naar zijn lichaam voor hem terugbrengen; moge hij aan boord gaan van de nSmt-bark [van Osiris]; moge hij aan stuurboordzijde naar beneden gaan [en aan bakboordzijde naar boven gaan]; moge hij slaan [met zijn scepter] en regeren met [zijn] staf; moge u N’s ziel [en lichaam] verdedigen tegen zijn vijanden in de hemel, [op aarde] en in die zeven rechtbanken [van Osiris].
Gegroet, bladen van de stuurriemen3 van de nSmt-bark! N kent jullie bij jullie namen en bij de gedaanten waarin jullie zijn ontstaan; jullie zijn de tong van Re. Mogen jullie N’s ziel terugbrengen naar zijn lichaam; moge hij aan boord gaan van de nSmt-bark van Osiris; moge hij aan stuurboordzijde afdalen en aan bakboordzijde opstijgen; moge hij slaan met zijn scepter, moge hij regeren met zijn staf; mogen jullie N’s ziel verdedigen tegen zijn vijanden in de hemel, op aarde en in die zeven rechtbanken (van Osiris).
Gegroet, jij, roerganger van de nSmt–bark van Osiris! N kent je [bij je naam] en door de vorm waarin je bent ontstaan. Moge jij N’s ziel terugbrengen naar zijn lichaam; moge hij aan boord gaan van de nSmt–bark van Osiris; moge hij aan stuurboordzijde naar beneden gaan en aan bakboordzijde naar boven; moge hij slaan met zijn scepter en regeren met zijn staf; moge jij N’s ziel verdedigen tegen zijn vijanden in de hemel en op aarde en in de zeven rechtbanken van Osiris.
Gegroet, [stuurman(?)]4 van de nSmt-bark van Osiris! N [kent] u bij uw naam en bij [uw] gedaante waarin u bent ontstaan; [u bent die] Horus, zoon van Osiris. Moge u N’s ziel naar zijn [lichaam voor hem] brengen; moge hij aan boord gaan van de nSmt-bark [van Osiris]; moge hij aan stuurboordzijde [en aan bakboordzijde] naar beneden gaan; moge hij slaan met [zijn scepter en regeren] met zijn staf; moge u N’s ziel verdedigen tegen zijn vijanden [in de hemel en op] aarde en in die zeven rechtbanken [van Osiris].
Gegroet, staf van de nSmt-bark van Osiris! N kent u bij uw naam en bij de vorm5 waarin u bent ontstaan; u bent dat wezen […] dat zijn ziel wegnam en zijn schaduw6 wegnam. Moge u N’s ziel terugbrengen naar zijn lichaam; moge hij aan boord gaan van de nSmt-bark van Osiris; moge hij naar beneden gaan [aan stuurboord], moge hij naar boven gaan aan bakboord; moge hij slaan met zijn scepter en regeren met zijn staf; moge u N’s ziel verdedigen [tegen zijn vijanden] in de hemel en op aarde, en in die zeven rechtbanken van Osiris.
[Gegroet] jullie, bolwerken(?) van de nSmt-bark van Osiris! N kent jullie bij jullie namen en bij de vorm waarin jullie zijn ontstaan; jullie zijn deze(?) […] van de Eerste Compagnie van Re.
Gegroet, […] van de nSmt-bark van Osiris! N kent jullie bij [jullie naam] en bij de vorm waarin jullie zijn ontstaan; jullie zijn dat […] wat vooraan staat.
Gegroet, zeil en mast van de nSmt-bark! N kent jullie bij jullie namen en in de vorm waarin jullie zijn ontstaan; jullie zijn datgene wat werd gemaakt tot die vlieger7 van de hemel [ … Geb] en Nut toen hij8 beschermde(?) [ … ].
Gegroet, tuigage van de mast van de nSmt-bark! N kent jullie bij jullie namen en in de vorm waarin jullie zijn ontstaan; jullie zijn de Kinderen van Zwakheid [ … ] die een grote slachting aanrichtten onder Nut.
Gegroet [ … van de] nSmt-bark van Osiris!
Zie de Buck, noot 6*.
Mannelijk!
Er wordt geen melding gemaakt van een paar stuurriemen, maar in het vervolg wordt het idee van dualiteit verder uitgewerkt.
Restauratie gesuggereerd door de Buck, noot 3*.
Achtervoegsel weggelaten, zie de Buck, noot 3*.
‘Zijn’ verwijst hier naar het ‘wezen’ en niet naar de overledene.
D.w.z. de vogel.
Namelijk: de vlieger.
O Thoth, ik ben een grote,1 ik ben in glorie verschenen. Zo ben ik; ik ben in mijn naam, en mijn naam is een god; ik zal deze naam van mij niet vergeten.
O BAt, mijn naam is ‘Isis in de verzegelde plaats; ik ben [in mijn naam] en mijn naam is een god; ik zal deze naam van mij niet vergeten.
O Re-Atum, o Khopri, ik ben iemand die geboren is op de eerste van het jaar, en ik ken mijn naam; deze naam van mij is een god die in dit lichaam van mij2 is, en ik heb hem verdreven die mijn naam en mijn hart in zijn hand wilde nemen. Ik zal deze naam van mij niet vergeten in de aanwezigheid van de Heer van het Oordeel.
Drie teksten zijn beschadigd, maar M19C levert een waarschijnlijke lezing op. B1Bo ontbreekt.
M23C heeft: ‘Ik zal deze naam van mij, die in mijn lichaam is, niet vergeten’; B1Bo: ‘hij zal deze naam van hem niet vergeten, die de vergeetachtigheid zal verdrijven die in het lichaam van N is’; evenzo B6Bo.
EEN MAN ZAL ZIJN ZIEL NAAR HET RIJK DER DODEN STUREN.1
Anubis rust in vrede, en het gaat goed met de zoon van Re in vrede door mijn heilig Oog; moge u mijn ziel en mijn schaduw verheerlijken; mogen zij Re zien door wat hij brengt.
Ik vraag dat ik mag komen en gaan, dat ik kracht in mijn voet mag hebben, zodat deze persoon hem kan zien waar hij zich ook bevindt, door middel van mijn natuur en mijn wijsheid en in mijn ware geestvorm, die toegerust en goddelijk is; hij schijnt als Re, hij reist als Hathor.2
Daarom hebt u toegestaan dat mijn ziel en mijn schaduw en mijn vorm op hun voeten mogen lopen naar waar deze persoon is, zodat hij kan staan, zitten, lopen en zijn graf kan betreden, want ik ben een van Osiris, iemand die ’s nachts gaat en overdag terugkeert, en geen god kan geschapen worden wanneer ik zwijg.3
Variatie: ‘een ziel naar het dodenrijk sturen’
S10C: ‘mijn wezen is dat van Hathor’ en eindigt.
Variatie: B1Bo: ‘er zal geen feest gevierd worden van hen die tegen N in opstand komen’.
APEP VERDRIJVEN VAN DE BOOT VAN RE.1
Wee u, Imy-nhd.fAt, o u voor wie de Dubbele Leeuw bang is; zie, vuur is uit de hemel opgetrokken tot in het binnenste van de Grot van de Rebel.
Hij heeft zijn rebellie tegen Re uitgesproken, hij heeft hem beroofd en zijn hoofd2 wordt bewaakt door de Grote Vernietiger.
Een licht is tegen hem ontstoken in de Huizen van Sepa, zijn boeien zijn door de goden stevig vastgemaakt…3 Moge u beschermd worden!
Ik ben gevallen en weggekropen, want ik ben hij van de wAs-scepter, de Grote Macht aan de nek van Geb.4
O jullie gevolg van Re, van de rechter- en de linkerhand, beschouw mij als een volstrekt uniek persoon, want Re heeft tot mij gesproken, ik heb de rebel verdreven, ik heb Apep machteloos gemaakt, ik heb me teruggetrokken (?), en een brandend vuur gaat uit de hemel naar het binnenste van de Grot van de Rebel.5
Hij heeft zijn rebellie tegen Re geuit, hij heeft hem beroofd; moge Re afdalen in de Boot van Goedheid, moge hij reizen onder de Vuurgodin, mogen zij die op de tronen van het Westen zitten zich verheugen.
Moge u veilig reizen, o Re; moge u mij vinden en ontmoeten.
Dus B2L en B1C, de laatste aan het einde van de spreuk; B2Bo en S2C stoppen bij Apep, terwijl B4Bo de rubriek weglaat.
Variatie: ‘zijn mond’.
Hier verschijnt in alle teksten een onbegrijpelijk woord aftt; zie bezwering 1034, noot 1.
Variatie: ‘de Grote Macht van het Westen’.
Variatie: B4Bo en B2Bo: ‘die in opstand kwam tegen Re.
BEZWERING VOOR DE BEGRAFENIS.
Ik ben heen en weer gegaan, ik heb gezongen wat ik moest zingen, wat ik heb gemaakt is een koord(?)
De twee portalen zijn voor mij geopend, en ik ben de trap op gegaan, ik heb ontvangen … ,1 ik heb in de hemel gestaan met de Godin van de Waarheid, ik heb de bemanning van Re-Atum gevonden, en zij zeiden: ‘Welkom! Jij zegt wat waar is, jij ziet wat goed is, dus ga de Trap van Rechtvaardiging op, want jij bent degene die zei dat hij zou komen’.
ITnw-sw, vrij onduidelijk. Het kan een verbastering zijn van inws ‘een boom’, vgl. Sp. 1029, noot 8.
OM WERPSTOKKEN AF TE WEREN.1
Ga terug, jij werpstok die rent en snelt, jij vrouwelijke boodschapper van de goden, die de goden naar de oevers van de Kronkelende Waterweg sturen om hun kinderen2 te ontmoeten, als een magiër die hun spreuken kent, om hun magie af te nemen en hun macht te ontnemen.
Ga neer, jij werpstok die rent en snelt, jij vrouwelijke boodschapper van de goden die de goden sturen.
Je zult vallen, je zult wegkruipen, want ik heb mijn lichaam van je afgenomen.
In slechts vier teksten, met vier verschillende spellingen van amaAt.
S2C vervangt ‘[hun] vaders’.
Ik ben de Sisyphus-boom van de heuvel van de Dubbele Poort van de …1 binnengegaan, ik ben afgedaald om mij te wassen in het Meer van Natron, aangezien ik de zuilenhal ben binnengegaan om de god te zien, de Heer der goden, (zelfs) Arsaphes, Heer van Ninsu, verheven van juwelen(?)2, mooi van veren; Stier die copuleert met mooie dames; Heer van bloed, bloeiend van slachthuizen; machtige geest die in Ninsu woont, op wiens top de veren van Sopd en de Atf-kronen van Re zijn.
Heel onduidelijk.
Lezing onzeker, zie de Buck, noot 4*.
OM DAARHEEN TE GAAN EN DAAR OFFERS TE ONTVANGEN.
Ik ben de drie bavianen; zie, mijn achterste delen bevinden zich op mijn rug, mijn been/benen bevinden zich bij mijn schouders, mijn ruggengraat bevindt zich in het nest van kinderen, ik zit tussen de goden, en ik gedraag me als de baviaan te midden van het water van kinderen.
BROOD ONTVANGEN.
Ik ben hij die zijn zetel in On heeft gemaakt – viermaal – in het stralende(?) Huis van de Zonsopgang.1
Ik sta met mijn voet op de hemel en mijn hand op de aarde, ik ben hij die woont in het stralende(?) Huis van de Zonsopgang in On, ik ben hij die oprijst, ik ben hij van de Piramide, ik ben hij van de bul{i-vis, ik ben de vruchtbare vrouw(?), ik ben de vruchtbare man(?), ik ben de boodschapper, PASt de grote is mijn bescherming(?).
Variant B3Bo: ‘in het Huis van de Pyramidion in On’. B4Bo heeft wbn Ra wbnbn. De lezing Hwt wbn Ra ‘Het Huis van de Zonsopgang’ is eenvoudig, maar de betekenis van het daaropvolgende wbnbn is geenszins duidelijk, en het lijkt waarschijnlijk dat het een fout is, omdat het geredupliceerde werkwoord niet is vastgelegd, de vrouwelijke uitgang ontbreekt, en het de indruk wekt verward te zijn met het woord voor ‘pyramidion’, zie de hierboven geciteerde variant van B3Bo en ook. ‘Stralende’ lijkt een mogelijke vertaling.
GEEN TWEEDE DOOD STERVEN.1
Ik ben Atum, ik heb de macht van de Dubbele Leeuw, ik word geholpen(?) door de oudste god, mijn gezicht wordt verlicht(?) door de oudste god.
Ik eet leven, ik leef van lucht, ik zal offers brengen aan de hnhnw-bark, ik zal van de hnhnw-bark naar de bark van Khopri worden verheven, hij zal mij binnenlaten om te zien wat daar is, ik zal zijn woorden voordragen aan de rechters, en hij zal mij laten spreken met die vier machtige geesten die heen en weer bewegen en leven nadat ze gestorven zijn.
Moge ik na de dood leven zoals Re, die na de dood leeft.
Wat betreft elke god of godin, elke geest of dode, of elke slang in de hemel of op aarde die heen en weer gaat, mijn magie zal hen verdrijven.
Het vuur zal opstijgen, de vlam zal opstijgen uit de buiken van hen die kruipen, en de vurige zal tegen hen zijn als het Oog van Re; Ik heb kuddes zwart en wit geslacht en opgegeten2, en ik leef van hun hoeven; in feite(?) zal ik niet sterven, en in feite(?) zal ik geen tweede keer op aarde sterven.
Variatie: ‘niet nog een keer sterven’.
In het origineel is de volgorde van deze twee werkwoorden omgekeerd.
BEZWERING OM DE KROKODILLEN TE VERDRIJVEN DIE MAGIE STELEN.1
Ga terug, jij krokodil van het Westen, levend van de Onvermoeibare Sterren.
Ga terug, jij krokodil van het Oosten, levend van verminkingen.
Ga terug, jij krokodil van het Zuiden, levend van stinkende uitwerpselen.
Ga terug, jij krokodil van het Noorden, (levend van) de schemering te midden van de verre sterren.
Afschuw voor jou is in mijn lichaam, en ik heb de krachten van Osiris geabsorbeerd; ik ben Seth,2 en ik heb haar vertrapt die zwanger was van jou, o Osiris. Er is geen woede in mij,3 mijn zaad is in mijn hoofd en mijn buik, want ik ben Sopd en ik ben Atum.
Variant S10C: ‘Bezwering om de vier krokodillen van het dodenrijk te verdrijven’. In het vervolg lijkt B1Bo de meest begrijpelijke tekst.
Variant ‘de Verstotene’.
Variant ‘in zijn hoofd’.
BEZWERING OM EEN GIER TE VERJAGEN.
Gegroet, Stier der stieren en Zoeker der waarheid, jullie twee gieren die op de kraampjes van de Pottenbakker zitten!
Ik ben naar jullie toegekomen om jullie waterkruiken te breken en jullie inktpotten te verbrijzelen, want er is een pad voor mij bereid naar de plaats waar de grote god is.
De juiste lezing is hier twijfelachtig.
Dus alle teksten behalve B1Bo, die heeft: ‘je kent N’s magie niet’.
MET DE MOND ETEN, MET DE ACHTERKANT ONTSTOKEN, UITGERUST ZIJN…,1 MACHT OVER WATER HEBBEN […].2
Hij schenkt dat mijn schaduw3 … Ik zal naar mij toe gaan, en ik heb de storm doorstaan, ik ben over de hemel gesneld, ik heb het …-gebied bereikt. Het is Hathor die mij heeft verheven, een obstakel is voor mij weggenomen, en ik ben in de aanwezigheid van Atum geplaatst.
Zie bezwering 1034, noot 1, voor het onduidelijke woord aftt.
P. Gard. II heeft een variantrubriek: ‘Spreuk om een man tot de god te verheffen […].’
Aldus B2Bo en blijkbaar ook B4Bo. Alle andere teksten hebben de naam van de god Shu in plaats van Swt ‘schaduw’.
De rubriek alleen in P. Gard. II.
Variatie P. Gard. II: ‘een eerlijk, geërfd pad’.
Gegroet, heren van de visserij en de vogeljacht!
U hebt mij een vangst van vis en gevogelte geschonken, u hebt het offerveld voor mij verdeeld.
Moge u mij genadig zijn met betrekking tot uw eigen lichaamsdelen, want u hebt mij de macht gegeven om de valk met zijn wapperende verenkleed te overtreffen.
O goden, goden, wie zijn de gevederde die roeien1 aan de horizon wanneer Re door het firmament vaart?
Nakomelingen van Shu! Nakomelingen van Shu!
Moge u niet spreken, o nakomeling van Shu!
Var. S1C: ‘de gevederde, de roeiende goden’.
OM DE GIER TE VERDRIJVEN!
O jij die zo giftig bent op je heuvels, mooie edelman, zoon van een ihm-vogel, ik ben voor jou gekomen, o giftigste,1 opdat ik je pennen zal breken en je papieren zal verscheuren vanwege deze dubbele kwalen die ik in mijn hand heb meegebracht van het Eiland van Vuur, die in mijn hand waren in het Veld van +ADA.2
Zo sprak de god tot hem.
Variatie S1C: ‘jullie die zo giftig handelen’.
Voor deze obscure locatie zie bezwering 350, waarmee de huidige bezwering iets gemeen heeft.
Drie teksten laten de verwijzing naar Unu weg en vier de verwijzing naar de Afgrond; slechts één (S1C) noemt beide plaatsen, hoewel S2C dat waarschijnlijk ooit ook deed.
S1C laat de verwijzing naar de Baviaan weg.
Niet te rotten en geen werk te doen in het rijk der doden.
De luis komt, de luis komt dood, de luis wordt verteerd.
Ik ben de cataract overgestoken,1 zij die in de poorten zijn,2 openen hun armen voor mij, eenzame die verwekt en geboren is – en omgekeerd.
Wat Osiris zelf tegen mij zei: ‘Je zult afdalen in de aarde, een deel zal voor je bereid worden. Zij die tot je moeten naderen, zullen naderen….’
De meest begrijpelijke tekst is wederom S1C, maar de relevantie ervan voor wat eraan voorafgaat is niet duidelijk.
Variatie: ‘hun poorten’.
De betekenis van deze twee zinnen ontgaat me.
B9C en B1Bo volgen 285a met aanvullende teksten, 285e (B9C) luidt: ‘N zal [nooit] sterven’; 285d (B1Bo) heeft: ‘N is zijn opvolger in On’, gevolgd door de imAxy xr formule.
Zie de Buck, noot 11*.
Lacune met onbegrijpelijke resten.
Onvertaalbaar.
OM EEN SLANG TE VERDRIJVEN EN ZIJN GIF TE VERNIETIGEN.1
O jij die de hoofden afhakt en de nekken doorsnijdt van de vijanden van Osiris; O jij HnbAA -slang die noch armen noch benen heeft, ben je trots vanwege dit wat op je bek2 zit, wat je moeder je heeft gegeven? Je moeder komt naar je toe; ga weg naar haar die je als zwak beschouwt.3
Variatie B2Bo, tweede kop: ‘de slang verjagen en vernietigen’.
Een verwijzing naar het gif van de slang?
Letterlijk wellicht ‘zij die naar jullie kijkt die zwak zijn’ of ‘de zwakke’; de slang-aanduiding aan het einde zou mogelijk de hele zin kunnen bepalen.
BEZWERING VOOR HET LEVEN NA DE DOOD.1
Ik ben de Dubbele Leeuw, ouder dan Atum, die de troon van het Westen heeft ontvangen, koning in Chemmis.2
Zij die in hun hutten zijn, hebben mij meegenomen, zij die in hun hutten en in hun heiligdommen zijn, hebben mij geleid; zij die in hun grotten zijn, hebben mij meegenomen, zij die in hun holen zijn, hebben mij geleid, en ik heb de reis van de hnhnw-bark volbracht omdat (?) de hnhnw-bark reist […], hij leidt mij op de weg van Khopri.
Ik sta op […], ik reciteer zijn woorden aan de levenden, ik herhaal zijn woorden aan hen wier keel is dichtgeknepen,3 ik geef bevelen aan de bemanning van Atum, en zij die in hun heiligdommen zijn, vrezen mij, ik geef bevelen aan die sterke winden die de Dubbele Leeuw ’s avonds versterken, ik open mijn mond, ik eet […] en ik [adem (?)] de winden, ik leef na de dood dagelijks weer zoals Atum.
Moge ik één zijn onder hen die opnieuw gestorven zijn; ik herrijs dagelijks als Re, en ik leef voort na de dood.
Zie de Buck, noot 1*. Deze rubriek alleen in B3Bo.
Zo ook in B3Bo; B2L luidt: ‘Ik heb mijn troon van de Twee Landen in het Westen ontvangen, mijn visioen is in Chemmis’, met een volstrekt ongebruikelijke schrijfwijze van de plaatsnaam.
D.w.z. de doden; ondanks de schrijfwijze,
BEZWERING OM HET (ANGSTWEKKENDSTE) GEZELSCHAP TE VERDRIJVEN.
Ga in vrede, o N, ga in vrede! De aarde is voor u omgeploegd, offers worden u gebracht, het nachtritueel wordt voor u uitgevoerd in Khem.
U zult met @nw om de muur gaan, u zult het kasteel bezetten naast Hem die ten zuiden van zijn muur is op die dag van rechtspraak.
Was uzelf in het moeraswater van de overstroming en in het water van de Nijl dat in de Brede Hal stroomt, want Ik heb u het Oog van Horus gebracht, zodat u zich ermee kunt voeden zoals Horus zich ermee voedde.
SPREUK OM VARKENS TE VERDRIJVEN.
Ik ben Re, die voor eeuwig gezond is, ik ben Atum, meer een geest dan de geesten, ik ben de Heer van de Eeuwigheid, de waardigste der waardigen, ik ben de Heer van deze twee mrwt, de metgezellen van Re, die de troon van Khopri van hem afnemen in de aanwezigheid van de Heer van de Eeuwigheid, de Geest met unieke macht(?), met een baard(?).
O &btb en IsTTt , jullie edele metgezellen van Re1 die Re gezond maken, jullie bezitten wat jullie hebben gevraagd, jullie bezitten jullie vreugde. O jullie twee mrwt van Re, nader de god op zijn troon, opdat mijn wezen beschermd moge worden tegen de Huilende, en jullie zullen jullie vreugde bezitten.
Het mes van Mut2 is in mijn handen geplaatst tegen jullie, mijn ogen openen zich(?) […], mijn hart zelf beschermt zichzelf, alleen te midden van awa –vogel(s).
Ik ben een reine, ik heb [mijn lichaam] afgeworpen, ik heb het qny -kledingstuk opgegeten, ik heb [mijn] portaal vernietigd.
Volgens S1C; de andere versies zijn verwarrend.
Of ‘<mijn> moeder’.
OM DE TWEE MRW& TE VERDRIJVEN DIE KOMEN OM DE ZIEL VAN EEN MAN VAN HEM AF TE NEMEN.1
Ik ben een Chaosgod, ik ben Re, de Heer van het Leven, ik ben de straal die de eeuwigheid ondersteunt,2 Heer van die twee mrwt die vermogens brengen (?) en krachten verenigen; die de liefde ervoor in de harten van de geesten plaatsen,3 die de troon van Khopri in de aanwezigheid van de Heer van de Eeuwigheid slepen, die deze nieuwgevormde geest beheersen (?) wanneer hij ontstaat in de xns– en Htm-wateren.
Ga weg, jullie twee mrwt, de edele van Re, de metgezellen van Osiris. Ga weg, want ik verlang niet naar < … >. Jullie bezitten wat van jullie goed is, jullie bezitten wat van jullie slecht is; jullie bezitten jullie rug,4 jullie bezitten jullie pluimen.
Ik heb mijn ziel bevrijd, ik heb mijn magie gered,5 ik zal mijn krachten niet opgeven, want ik ben een zuivere die zijn lichaam heeft afgeworpen,6 ik ben een kind en ik ben inert; ik heb Seth verslagen en hem geketend aan de oever van hen die beperkt zijn.
Ik heb het qny-gewaad gegeten, ik heb mijn portaal vernietigd,7 ik bezit mijn bewegingskracht:8 ik heb mijn wapenrusting ontvangen.
B1Bo voegt toe: ‘in het rijk der doden’; B3Bo heeft: ‘Niet om het hart van een vrouw van haar af te nemen’.
Letterlijk: ‘de straal van de eeuwigheid’.
Mrwt.sny; woordspeling op de naam van de objecten van de spreuk.
Dus B3Bo; wA van S14C is onbegrijpelijk, en beide lezingen lijken twijfelachtig.
B3Bo voegt hier in: ‘zij bezit haar magie’.
Letterlijk: ‘die heeft gesloopt’.
De ingang van het graf?
Letterlijk: ‘mijn bewegingen’.
OM DE MRW& TE VERDRIJVEN.
Ik ben Re, ik ben Atum, ik ben de Heer van de Eeuwigheid, ik ben de straal die de eeuwigheid ondersteunt.
Aan mij behoren die twee mrwt, de bezitters van een ziel die krachten verenigen en ik die de krachten van de waardigen wegnemen.
Zij zullen buigend komen voor de Heer van de Vlam, wiens pluimen hoog zijn, (zelfs zij) die de troon van Khopri van hem afnamen in de aanwezigheid van de Heer van de Eeuwigheid.
OM DE MR [WT .. . ] TE VERDRIJVEN.
Ik ben die eenzame geest met een bebaard (?) gezicht, mijn ogen zijn geopend, mijn oren zijn open geboord, een grot is voor mij gegraven door mijn voorvaders.1
Ik ben naar dit land gekomen waarin ik ben,2 vergeestelijkt en uitgerust met magie, en ik zal niet worden geschaad in hemel en op aarde, ik zal niet worden geschaad in water en de Nijl;3 er is niets wat ik niet weet van wat Thoth niet weet, er is niets wat ik niet weet van wat Thoth weet, en er is niets wat ik niet weet in mijn verblijfplaats.
Ik ben de Morgenster, ik ken de namen van die twee Zusterlijke Gezellen die de liefde voor hen in de harten van de geesten hebben gelegd; ik, de geest, stoot de vijand opzij, en hij valt in het xns– en Htnt-water. 0 &bt, 0 vrouwelijke vijand, slapheid(?) is van jou, gevangen zitten is van jou, angst is van jou, je hart is niet van jou, jij mrwt.
O jullie mrwt, jullie metgezellen van Re, die Re dagelijks ziet, die Re dagelijks gezondheid schenken, die zielen besturen, beef niet, want mijn mes is in mijn hand tegen jullie; ik bezit mijn ogen, en ze zijn vastberaden in mijn gelaat, mijn hart beschermt zichzelf, en ik ben een zuivere die zijn kasteel afbreekt.
Mijn vertaling van 304d is geenszins zeker. Te oordelen naar de vele varianten, stonden de oude redacteuren ook voor een raadsel.
Zo ook S14Cb; de afwezigheid van pn in drie van de goed bewaarde teksten is merkwaardig.
Zo ook B1Boa, die naar mijn idee de juiste lezing heeft bewaard; ‘Er is niets dat ik niet weet’ in de andere teksten lijkt zwak en niet overtuigend. Waarschijnlijk anticiperen ze op 306a.
Ik ben een blij hartige geest, ik heb het qny-gewaad ingeslikt, ik heb mijn portaal vernietigd, ik heb Seth verslagen aan de oever van de ibis-goden.
Ik zal mijn macht niet weggeven, ik zal mijn magie niet weggeven aan die twee mrwt, de metgezellen van Re; ze hebben me, gewapend met mijn magie, voor de groten aangetroffen, ik heb de wapenrusting van de Heer der Eeuwigheid aangenomen.
Ik ben Nu, ik was inert toen de Twee Landen voltooid waren, (maar) ik werd niet gegrepen en mijn magie werd niet aangevallen; ik werd niet gegrepen en mijn voet werd niet teruggedrongen, die twee mrwt, de metgezellen van Re, hadden geen controle over mij.
Ik ging verder op de weg, ik beheerste mijn verschijning, en ik werd geprezen voor Khem door de groten van de Eerste Generatie.
De vrees voor mij zit in de lichamen van de mrwt, en ik ben de Heer der Eeuwigheid.
[Ik ben een] blij [hartelijk] geest,1 die zit [ … ] die twee bemanningen van Re [die Re dagelijks zien (?)], die jullie (?) in de val lokken [ … ] die hem naderen die op zijn troon zit2 [ … ] Mijn dubbelganger is beschermd tegen de Trillende, en jullie zijn blij. Mijn mes is in mijn hand tegen jullie [ … alleen]3 te midden van awa-vogels [ .. . ] Ik heb het qny-kleed opgegeten, ik heb de poort vernield, ik heb Seth geslagen op die oever van [ .. . ] Ik ben [ : . . ] de twee mrwt, ik ben een geest [ … die voorbijgaat] op de weg, mijn wapenrusting is mij gegeven, [ik heb] mijn wapenrusting ontvangen.
Een zwaar beschadigde variant van bezwering 444. Het achtervoegsel 1e persoon enkelvoud wordt niet consequent geschreven.
Zie de Buck, noot 7*.
Zie de Buck, noot 9*.
N is een bewapende geest, de Enige aan uw hoofd. Het oog is geopend, de oren zijn wijd open geboord, zij verwijdert de metgezellen van de mwrt.
N is gekomen bekrachtigd met haar magie en bewapend met haar magie; zij zal daar niet herinnerd worden vanwege haar magie.
O Thoth, N zal daar bij de Poort1 niet vergeten2 worden vanwege haar magie. De namen van die metgezellen die hun mwrt uitzonden tegen de harten van de geesten die zich voortbewegen, zijn beschuldigd, en de vijand is in het xns-water van @tmy gevallen.
O blij hartige geest, zetel op de tronen van de goden. O &b[tb], O %TTty, jullie zeelieden van Re die Re dagelijks gezond maken, jullie hebben jullie…3 Een mes is in N’s hand tegen jullie, haar ogen zijn geopend, haar hart zelf beschermt zichzelf.
O jullie twee eenzamen (varen) die in de bark van Re wonen, N heeft het witte brood gegeten, zij heeft gegeten ( … )4 zij heeft haar poort stevig gemaakt, zij heeft Seth geslagen op de oever van ‘Ik-heb-hem-daar-gevonden’.
N is Nu, zij is inert, (maar) haar hand en haar voet worden niet afgestoten, want N is een vrolijk hart, zij is voorbijgegaan en zij heeft vandaag haar mooie wapenrusting ontvangen.
Vermoedelijk uit de Onderwereld.
Zie de Buck noot 1. Was deze tekst ooit in de eerste persoon geschreven?
NHr met water, betekenis onbekend; mogelijk een verbastering van 309c.
Object weggelaten.
Ik heb een kalf1 uit mijn noordelijke land2 aangeboden, ik ben erlangs getrokken en ik heb gereisd, ik heb die twee wasbolletjes herkend die Re en Khopri voor de god maakten, zodat ik door hen zou kunnen leven; ik trof de metgezellen aan, zittend met jullie gezichten naar beneden – en omgekeerd – met &btb en %TTty achter jullie, die jullie altaren omverwierpen en jullie gedaanten onthulden.
Zie de Buck, noot 4*.
Kennelijk wel; een achtervoegsel kan niet aan een bijvoeglijk naamwoord worden toegevoegd.
N is een vorm waarin haar bloed is, en Thoth die met de offers is. N is tussen hen ingegaan, zij heeft tussen hen in gezeten, zij heeft een kalf uit het noorden aangeboden, zij is voorbijgegaan en heeft gereisd, zij hebben haar naam gevraagd…, zij hebben haar de naam van Atum gevraagd.
Het Oog van Horus staat op, en N zelf staat op, want ‘haar zelf’ is de naam van haar voeten, en zij spietst vissen, nadat zij rechtvaardiging heeft verkregen.
OM DE MRWT TE VERDRIJVEN van Re die komen om N’s magie van hem1 af te pakken. Ga terug, jullie vlammen, ga terug, IsTTt , jullie Gezellen, jullie mrwt!
Ik zal jullie mijn magie niet geven, en jullie gezichten zijn neergeslagen – en omgekeerd.
Ik heb de noordelijke delen(?)2 van de hemel bereisd; ik heb gereisd en ik ben langs mijn3 … pAq -cakes gekomen die gemaakt en ontstaan zijn in het rijk der goden.
Ik trof de Gezellen zittend aan, [namelijk … ] en IsTrt ; ga terug, jullie Gezellen, jullie mrwt! Jullie pilaren zijn omvergeworpen, jullie gedaanten zijn onthuld, jullie gezichten zijn neergeslagen – en omgekeerd.
De titel van deze spreuk is ontleend aan 319c + n, zie de Buck noot 1 *.
De precieze betekenis en lezing van srwt mHwt(?) is onduidelijk; zie de Buck’s noot 2 *.
Letterlijk ‘zijn’.
Aldus B9C en B2Bo; variant Sq1C: ‘Ik ben gekomen en ik ben hersteld’. Waarschijnlijk ook in Sq7C.
Letterlijk ‘hoogte’, mogelijk verwijzend naar de uitzetting van een rottend lijk. Sq1C lijkt enigszins verbasterd te zijn; Sq7C werd waarschijnlijk op dezelfde manier gelezen.
Aldus B1C; variant BH4C: ‘waarop Re de Waarheid weegt’; B3Bo: ‘die de Waarheid voor jou weegt’.
Letterlijk misschien ‘N verkondigt beide uiteinden’.
Aldus B3Bo, met de oude perfectieve 2e persoon enkelvoud; B1C heeft de 3e persoon enkelvoud, ‘oud zijnde’.
OM HEM TE VERDRIJVEN DIE EEN (ONTERECHTE) HERDENKING1 IN HET RIJK DER DODEN ZOU PLAATSEN EN HEM DIE IEMANDS MOND ZOU KOMEN SLUITEN IN HET RIJK DER DODEN.
O jullie die hoofden afhakken en halzen doorsnijden, en die een (onrechte) herinnering in de monden van de geesten plaatsen, en die de monden sluiten vanwege de magie die in hun lichamen is, jullie zullen geen hoofd afhakken, noch mijn hals doorsnijden, noch een (onrechte) herinnering in mijn mond plaatsen, noch mijn mond sluiten vanwege de magie die in mijn lichaam is, zoals jullie gewoon zijn te doen met de geesten vanwege de magie die in hun lichamen is.
Ga weg vanwege die twee woorden die Isis tegen jullie sprak, kom niet om een (onrechte) herinnering in de mond van Osiris te plaatsen op bevel van zijn vijand Seth wanneer zij tegen jullie spreekt.
Moge uw gezicht neergeslagen zijn, o Leeuwengezicht; het grote vuur is tegen u uitgebroken vanuit het Oog van Atum,2 het gewonde Oog, Meesteres van de Nacht.3 Zij wierp u uit toen Osiris zich afkeerde, en de verachting voor u is in hem – en omgekeerd.
Ik heb mij afgekeerd, en de verachting voor u is in mij – en omgekeerd. Als u zich tegen mij keert, zal ik mij tegen u uitspreken; als u zich niet tegen mij keert, zal ik mij niet tegen u uitspreken, en de beulen van Shu zullen weggaan.
De betekenis van ‘sxA‘ is hier niet helemaal duidelijk; men zou verwachten dat de overledene de voortzetting van zijn nagedachtenis zou verwelkomen. Om de spreuk begrijpelijk te maken, moet er een nuance van slechte reputatie aan ‘sxA‘ worden gekoppeld.
Variatie: ‘uit de mond van de Grote in het Oog van Atum’; B2L heeft duidelijk de betere tekst.
De wassende of afnemende maan.
O jullie die hoofden afhakken en halzen doorsnijden, ik die (kwade) herinneringen in de monden van de geesten leg en hun monden sluit vanwege de magie die in hun lichamen is, jullie zullen mij niet met jullie ogen zien, maar met jullie knieën, jullie gezicht zal naar achteren gekeerd zijn, de beulen1 van Shu die jullie achtervolgen kunnen zien, jullie hoofd afhakken en jullie hals doorsnijden om jullie terug te brengen in Zijn Oog, vanwege wat jullie gezegd hebben dat jullie met mij zullen doen: jullie hoofd afhakken, mijn hals doorsnijden en (kwade) herinneringen in mijn mond leggen, mijn mond sluiten vanwege de magie die in mijn lichaam is, zoals jullie gewoon zijn te doen met de geesten vanwege de magie die in hun lichamen is.
Ga weg vanwege die twee woorden die Isis tegen je heeft uitgesproken; kom niet om Osiris een slechte naam in de mond te leggen op bevel van zijn vijand Seth, wanneer Isis tegen je spreekt.
O Leeuwengezicht, het grote vuur ontketent zich tegen jou in het Oog van Atum, het gewonde Oog, Meesteres van de Nacht.
Zij verslond je toen Osiris zich omkeerde, en de afkeer van jou is in <hem>2 — en omgekeerd.
Ik heb me omgekeerd, en de afkeer van jou is in mij — en omgekeerd.
Als je tegen mij komt, zal ik tegen je spreken, maar als je niet tegen mij komt, zal ik niet tegen je spreken, en de beulen van Shu zullen weggaan.
HET VERDRIJVEN VAN EEN SLECHTE GEHEUGEN UIT DE MOND IN HET RIJK DER DODEN EN HEM DIE KOMT OM DE MOND VAN EEN MENS TE SLUITEN.
Volgens B4C
Zie de Buck’s noot 1 *.
Het pad vanaf de poorten die zich in de graven bevinden.
Uitgaan in de dag, zodat een mens kracht in zijn voeten kan hebben in het rijk der doden (op) het pad vanaf de poorten die zich in de graven bevinden.1
Zie mij, o mensen, goden, geesten en doden,2 wanneer ik uitga in de dag.
Mijn ogen zijn geopend en mijn oren zijn open geboord door de Oogloze; de koorden die in mijn mond zitten zijn geopend en wat in mijn achterste zit is rechtgezet door de Oogloze.
Ik ben uitgegaan in de dag, ik eet met mijn mond, ik ontlast met mijn anus.
Ik ben uitgegaan in de dag, ik heb macht over mijn vijanden, en ik ben beschermd tegen hem die mij kwaad wil doen.
UITGAAN IN DE DAG.
Deze inleiding komt alleen voor in S10C; in de andere twee teksten wordt deze weergegeven door de korte rubriek aan het einde.
De andere twee teksten bevatten alleen ‘mensen en goden’.
Mijn beenderen zijn mij gegeven1 door hen die in Djedu zijn, mijn ledematen zijn versterkt2 door hen die in Khem zijn, mijn beenderen zijn naar mij gebracht, mijn ledematen zijn naar mij overgebracht.
Shu komt voort3 uit dit vlees van mij, en ik word geleid op het pad4 der geesten; zo zegt Anubis, Heer van het Westen, over mij.
Ik ga de dag in om macht over de doden te hebben,5 en ik word beschermd tegen hem die mij kwaad wil doen door het bevel van de Stier van het Westen.
Variatie: ‘gebracht’.
Variatie: ‘mijn pezen zijn naar mij gebracht’.
B3L en B1L lijken te lezen: ‘Shu geeft lege woorden’.
Variatie: B3L: ‘het land’.
Variatie: ‘mijn vijanden’.
O jullie die jaren wegnemen en dagen beëindigen, neem mijn jaren niet weg en beëindig mijn dagen niet, want ik ben Horus, Heer van de Onderwereld, Koning van de Westelijke Horizon.
Ik zal niet sterven in het Westen,1 en de boodschappers van Osiris hebben geen macht over mij, want ik ben Horus, zoon van Osiris.
Ik zal niet sterven in On, Kheraha of het Oosten,2 en de boodschappers van Sopd hebben geen macht over mij, want ik ben Horus, zoon van Osiris.
Ik zal niet sterven in het Zuiden, en de boodschappers van Horus hebben geen macht over mij, want ik ben Horus, zoon van Osiris.
Ik zal niet sterven in het Noorden, en de boodschappers van de Verstotenen hebben geen macht over mij, want ik ben Horus, zoon van Osiris.
Ik zal niet sterven in het water, en de boodschappers van hen die in het water zijn, hebben geen macht over mij, want ik ben Horus, zoon van Osiris.
Ik zal niet sterven in de Afgrond, en de boodschappers van hen die in de Afgrond zijn, hebben geen macht over mij, want ik ben Horus, zoon van Osiris.
Ik zal niet een tweede keer sterven, ik en de bewoners van de Onderwereld hebben geen macht over mij. Ik zal hun vis niet eten, hun gevogelte zal niet over mij krijsen, want ik ben Horus, zoon van Osiris. NIET EEN TWEEDE KEER STERVEN IN HET RIJK DER DODEN.
De getabelleerde tekst, zie de Buck, noten 1*; 3*.
In 331a ‘B1L, I. 160 noemt deze twee steden, die vermoedelijk voorafgaan aan de verwijzing naar het Oosten in 1. 160a (331/). In B3L (331e) is de toespeling op de steden zowel misplaatst als onduidelijk, zie de Buck, noot 2*.
Wees gegroet, Khopri in mijn lichaam, die aan het hoofd staat van hen die in hun graven liggen, wier gezichten verborgen zijn, wier verbanden stevig zijn. Beveel mij aan bij die baviaan, scherpharig en met rechtopstaande haren, in wiens aanwezigheid het grote woord wordt gesproken dat zich niet herhaalt. Moge hij mij aanbevelen bij de poortwachters van het District van Stilte, mogen zij mij niet tegenwerken, mogen zij mij toestaan om met mensen naar buiten te gaan, moge ik de grond kussen voor de Heer der goden; moge ik brood met hen eten, moge ik met hen drinken, want ik ken hen bij hun namen: Hij-die-handelt, Hij-die-namen-neemt, Krokodillengezicht, …1 Boze.
WAT EEN MAN MOET ZEGGEN ALS HIJ NAAR BUITEN GAAT; HET BETEKENT DAT MENSEN HEM VERGETEN.
_fdy, var. _fDy, betekenis onbekend.
&m (B3L) en dbb (B1L) zijn vrijwel synoniemen, die respectievelijk ‘sluiten’ en ‘afsluiten’ betekenen. De reden voor deze actie is niet duidelijk.
Ik ben gekomen op de plaats <waar> Ib-wrt is, de bewaker van de oorlogsboot der goden.
Laat mij naar buiten gaan in het daglicht, mogen mijn vijanden naar mij gebracht worden, zoals Hij wiens gedaante onzichtbaar is bevolen heeft.
Het was die met Veel-gezichten die ik voor hem heb laten komen, en hij zal hen oordelen; hij zal mij naar dit huis brengen…,1 want hij heeft een einde gemaakt aan mijn jaren [ … ] op aarde.
Wn?, wnx? Betekenis en lezing onzeker.
OM EEN MAN NAAR HET TRIBUNAAL VAN HET WESTEN TE LATEN GAAN.1
O ITn-wr 2 in uw macht, die Re leidt op de verborgen paden, breng dit wezen naar het lagere deel van de hemel, de Onderwereld.
Ik ben gekomen om grote overvloed te schenken, zijnde wat zij toewijzen in de aanwezigheid van de Stier van Waakzaamheid(?).
Aldus B4C. De invoeging van imntt het Westen’ als eerste woord in de rubriek lijkt bedoeld te zijn voor een eerbiedige transpositie, aangezien het op zichzelf betekenisloos is en is vertaald als een genitief die verwijst naar DADAt ’tribunaal’ aan het einde van de rubriek. In B1Y begon de rubriek, nu grotendeels vernietigd, met sart ‘doen naderen’; P. Gard. II vervangt dit door: ‘Een god leiden in het tribunaal’, terwijl B9C geen rubriek heeft.
B9C en P. Gard. II zijn het eens over de lezing van iTn, de betekenis is obscuur, maar waarschijnlijk oorspronkelijk. B4C heeft er itn ‘zonneschijf’ van gemaakt.
OM HETEP TE WORDEN, HEER VAN DE OFFERVELDEN.1
De valk wordt door %ty2 meegenomen, en ik zie wat jullie verteren, jullie Offerveld.
Bevrijd de valk voor mij uit %ty, open voor mij de paden van Re op die dag van verstikking en verstikkende hemel vanwege de woede van Seth op de lucht, omdat die Hem die in zijn ei is,3 levend maakt.
Hij heeft Hem die in mijn schoot was, weggenomen van de Stillen, terwijl ik4 roeide in de boot op de waterwegen van Hetep.
Ik was het die hem wegnam van de leden van Shu; zijn noordersterren en leden zijn op hun tijd.
Ik roei over de waterwegen, ik kom aan in de steden.
Ik ben prominenter dan de god die erin woont, want ik ben Hetep die in zijn gebied is.
Hij leidt5 zijn Enneaden6 die hij liefheeft, hij kalmeert de strijders7 voor hen die tot het Westen behoren, hij schept wat goed is, hij brengt tevredenheid, hij verdrijft rouw bij hun ouderen, hij onderdrukt oproer voor hun jongen, hij vangt hen, man of vrouw, die Isis kwaad willen doen, die de goden kwaad willen doen, hij maakt een einde aan het oproer van de rivalen, hij deelt Hu voor zijn licht(?)8, hij geeft overvloed aan dubbelgangers en geesten, en ik heb macht over hen.
Ik ben iemand die Hetep kent;9 ik roei op haar10 waterwegen, ik bereik haar steden, ik ben sterker en scherper dan de geesten, en zij hebben geen macht over mij.
Ik neem dit veld van u in bezit, o Hetep, dat u liefhebt, Meesteres van de Winden; ik eet en feest erin,11 ik drink erin, ik ploeg erin,12 ik oogst erin, ik word er niet vernietigd, ik geslachtsgemeenschap erin, mijn magie is er sterk,13 ik zal er niet opgewonden raken, ik zal er geen angst voelen, ik zal er gelukkig zijn.
Ik ken de jakhalskoppige paal van Hetep; de naam ervan is ‘Heldere Godin’.
Hij werd stevig verankerd in het bloed van Shu en werd vastgebonden met de koorden van de jaren op die dag dat de jaren werden verdeeld en de woorden van Hem wiens mond zwijgt, eeuwig werden gemaakt.
Wat ik zeg is mysterieus;14 ik voltooi de eeuwigheid en ga eeuwig door.
De rubriek staat alleen in B1Bo; ‘velden’ staat in het dualis. Zie Lesko in JARCE 9 (1971-2), 86 e.v. voor de Hetep-bezweringen 464-8; zijn vertalingen verschillen enigszins van de mijne.
Voor %ty heeft BD 224, 5 ‘Seth’.
De jonge Horus, vgl. bijvoorbeeld CT II, 212b.
Kennelijk de overledene.
Variatie B9C: ‘Wie leidt’.
Variatie ‘de Enneaden’.
B1Bo: ‘de groten’.
Betekenis onzeker, maar de volgende zin suggereert dat @w eerder ‘voedsel’ dan ‘autoriteit’ zou kunnen betekenen.
Of ‘wie kent Hetep’.
Het onderscheid tussen de god Hetep en het gebied %xt-Htp wordt niet altijd strikt nageleefd; er is hier duidelijk sprake van verwarring van deze aard.
Aldus B9C; B5C: ‘Ik feest en eet’; B1C en B3L: ‘Ik feest en ben sterk’; B1L: ‘Ik feest, heb geslachtsgemeenschap en wek op’; B1Bo: ‘Mensen feesten en N feest’.
B1C en B3L: ‘Ik eet en drink erin’; B1Bo: ‘Mensen eten en N eet erin; mannen drinken en N drinkt erin; mannen ploegen en N ploegt erin’.
B1Bo voegt eraan toe: ‘N schreeuwt erin’.
Letterlijk: misschien ‘mysterieus is ik-zeg-het’.
OM HETEP TE ZIJN, Heer van het Offerveld.
Dit is Horus van de Boom(?)1; hij is een valk, hij is duizend ellen lang, leven en uitrusting2 zijn in zijn hand, hij komt en gaat naar believen in zijn waterwegen en steden, hij rijst op in de geboorteplaats van de god en hij gaat onder in Qnqnt, hij doet daar alles zoals op het Eiland van Vuur, en er wordt daar helemaal niet geschreeuwd, er is niets kwaads in.
Dit is Hetep die door dit veld van hem wandelt, en hij nuttigt een maaltijd in de geboorteplaats van de god.
Als hij gaat rusten in Qnqnt, zal hij daar alles doen zoals op het Eiland van Vuur, er zal daar helemaal niet geschreeuwd worden en er zal niets kwaads in zijn.
Een onduidelijke uitdrukking; voor enkele vermoedens zie Lesko, JARCE 9,93, n.b.
Variant B1C: wAs ‘heerschappij’. Met ‘uitrusting’ worden vermoedelijk magische krachten of amuletten bedoeld.
De Romeinse cijfers verwijzen naar de compartimenten in de plattegronden van het Offerveld, zie de Buck, pp. 359-362.
I. Qnqnt, 7.1
II. Offers, 9.2
III. Grote Dames, 7.3
IV. OM TIETEP TE ZIJN, HEER VAN DIT VELD,4 MET ADEM IN ZIJN NEUS; HIJ ZAL NOOIT STERVEN.
V. Het is duizend schoeni lang en duizend breed; de naam ervan is ‘Hoorns van de Meesteres van Zuiverheid’.
VI. Offerkommen(?), 4.5
VII. Rode doek, 3.6
VIII. Groenten, 7
IX. Meesteres van de Twee Landen, 3.
X. De Waterweg van het Witte Nijlpaard; het is duizend schoeni lang, maar de breedte is niet bekend; er zijn geen vissen of slangen in.
XI. De lengte van de hemel is de lengte7 van de Waterweg van Hetep tegenover Opper- en Neder-Egypte.
XII. De Machtige Dame.
XIII. Zij die verenigt.
XIV. Het ploegen en oogsten van gerst en emmer van het landgoed van de god; er zijn geen slangen in.8
XV. Meesteres van de winden.
XVI. Het is duizend meter lang, maar de breedte is niet bekend;9 zijn naam is ‘Hij die de storm opwekt’.
XVII. Zij die hem10 roeien zijn Imsety, Hapy, Duamutef en Qebehsenoef.
XVIII. Voedsel, 3.
XIX. . .. , 411
XX. Het is de zee van de goden, die er koelte in brachten voor elke god. De lengte en de breedte ervan zijn niet aan Osiris verteld.
XXI. De geboorteplaats van de goden is Qnqnt.
XXII. Melk, 3.
XXIII. Het grote veld.
XXIV. Manden, 4.
XXV. Slangenboot(?).12
XXVI. Lapis lazuli.
XXVII. De vrouwen erin, 4.
XXVIII. Imsety, Hapy, Duamutef, Qebehsenoef.
Variant 8; 6. De betekenis van de cijfers is niet altijd duidelijk.
Variant 8.
Variant 8.
Het aanwijzend voornaamwoord tn alleen in B9C en B5C.
Variant 3.
Variant 4; 2.
Letterlijk: ‘de lengte ervan’.
In de ovaal die het landgoed voorstelt, heeft B9C het cijfer 3 en B5C en B6C lezen 4; B3L mist het cijfer. Voor St (spAt ) nTr B1C, B1L en B2P hebben Xrt–nTr ‘rijk der doden’.
Mannelijk, hoewel het woord voor landgoed vrouwelijk is.
Vermoedelijk Hetep.
Betekenis onbekend. Lesko, JARCE 9,95, n.m, suggereert ’treden’.
Dus B5C, waarschijnlijk verwijzend naar de boot met slangvormige uiteinden die op de tekeningen is afgebeeld. De details van Dt in B9C en B3L zijn onduidelijk; B1C en B2P lijken ‘zoon van de slang’ te betekenen; B1L ‘dochter van de slang’.
Ik leef als Hetep, mijn tas en mijn kom draag ik bij me, die ik op de eilanden heb gevonden, (als) iemand die geleid wordt door de geesten van de Heren van Overvloed. Ik vertrek om op te stijgen naar hem die het1 brengt, zodat ik door hem macht kan hebben; hij zal het namens mij aanvaarden, want ik ben degene die Hetep toerust. Deze grote magie van mij is krachtig in dit lichaam van mij en op deze plaatsen van mij; ik herinner me datgene wat ik vergeten was. Ik ploeg en ik oogst, want ik ben Hetep in de woonplaats van de god. Ik ken de namen van de steden, districten en waterwegen binnen het Offerveld waarin ik ben,2 ik ben sterk en een geest in hen, ik eet en beweeg me in hen, ik ploeg en oogst in hen, ik sta er vroeg in op en ga erin rusten,3 ik ben er een geest als Hetep, ik zaai en beweeg me in hen, ik roei op hun waterwegen en bereik hun steden als Hetep volgens mijn woorden. Mijn hoorns zijn scherp, ik geef overvloed aan de dubbelgangers en geesten, ik geef macht aan hem die weet (hoe het te gebruiken).
Ik kom aan in de steden, ik roei over de waterwegen, ik doorkruis het Veld der Offers als Re die in de hemel is, en het is Hetep die hun tevredenheid brengt. Ik ben naar de aarde afgedaald en heb Graan tevreden gemaakt; ik ben opgestegen, en mij is gegeven wat vreugde brengt. Ik heb kracht ontvangen, en vrede is mij beloofd.
IN HETEP ZIJN. O Veld, ik ben in u gekomen met mijn ziel achter mij en autoriteit voor mij. O Vrouwe van de Twee Landen, bevestig mijn magie voor mij, zodat ik mij kan herinneren wat ik ervan vergeten was. Ik leef, en er is niemand, man of vrouw, die mij kwaad kan doen, en vreugde is mij gegeven; uw vrede is de mijne. Ik schep4 zaad en ik heb adem ontvangen.
IN HETEP ZIJN, HEER VAN DE WINDEN. Ik ben in u gekomen,5 nadat ik mijn hoofd heb geopend en mijn lichaam heb gewekt. Ik sluit mijn ogen, (toch) schijn ik op de dag van de Melkgodin; ik heb ’s nachts geslapen, ik heb de melk op het juiste niveau gebracht, en ik ben in mijn stad.
O STAD VAN DE GROTE VROUW, ik ben in u gekomen om overvloed te berekenen en de vegetatie te laten bloeien; ik ben de Eenzame Stier, hoog opgestapeld met lapis lazuli, Heer van het Veld van de Stier der Goden, en spreekt Sothis tot mij op haar goede tijd?
O GROENTESTAD? Ik ben in u gekomen, ik heb de Grijs bebaarde naar het dak gebracht, want ik ben de maan, ik heb de duisternis verzwolgen.
O (STAD) MARKT VAN OFFERS, ik ben tot u gekomen, ik eet mijn maaltijd, ik heb macht door de uitverkoren stukken van mijn gevogelte en vee, het gevogelte van Shu dat mijn dubbelganger vergezelt, is mij gegeven.
O VOORRAADSTAD, ik ben tot u gekomen, ik heb het zesvoudig geweven stof geweven, ik heb de gefranjerde mantel aangetrokken als Re in de hemel, die door de goden in de hemel wordt gediend, en ik ben Re, die door hen in de hemel wordt gediend.
IN HETEP ZIJN, VROUW VAN DE TWEE LANDEN. Ik ben tot u gekomen, ik heb de waterwegen ondergedompeld als Osiris, Heer van de verderfelijkheid, Heer van de vegetatie, als de Oudste, Stier der gieren; ik ben een flamingo, die hetzelfde heeft gegeten.6
O QNQN& , ik ben tot u gekomen, ik heb mijn vader gezien, ik heb mijn moeder herkend, ik sta vroeg op, ik vang vis. Ik ken de diepe holen van de slangen, en ik ben gered. Ik ken de naam van deze god; Hij wiens mond samengevoegd is, Heer der heilige dingen, wiens haar in goede orde is, wiens hoorns scherp zijn. Als hij oogst, zal ik ploegen en oogsten.
O MELKSTAD, ik ben tot u gekomen; zij die zich tegen mij verzetten, mij verdrijven en mij achtervolgen, zijn de volgelingen van Horus; mij zijn hoofden gegeven, en ik brei het hoofd van de blauwogige Horus, die handelt naar zijn wil.
O UNIESTAD, ik ben tot u gekomen; mijn hoofd is heel en mijn hart ontwaakt onder de Witte Kroon; ik word boven geleid en beneden gezond gemaakt, en ik schenk vreugde aan de stieren die de Enneaden bewaken, want ik ben een stier, Heer der goden, die reist met turkoois.
O MACHTIGE VROUW, ik ben tot u gekomen, ik heb de Grijs behaarde naar het dak gebracht, ik heb Hu gevormd, ik ben in het midden van mijn oog.
O GERST EN ZEEMEER VAN HET GODSLAND, ik ben tot u gekomen, ik ben stroomopwaarts gereisd, ik heb gevaren op de Waterweg van de Hoorns van de Meesteres van Zuiverheid, ik heb de aanlegpaal in de bovenste waterwegen gedreven.7 Ik heb de stormen van de Verstoorder omhoog gedragen, en ik heb de steunpilaren (?) van de Oude ondersteund.
HIJ ZOEKT DE VELDEN, STEDEN EN WATERWEGEN OP, PLOEGT, OOGST, ZIET DAGELIJKS RI{, OSIRIS EN THOTH, HEEFT MACHT OVER WATER EN LUCHT, DOET ALLES WAT HIJ WENST. HIJ IS IEMAND DIE ZICH OP HET EILAND VAN VUUR BEVINDT MET UFE IN ZIJN NEUS, DIE NOOIT ZAL STERVEN, DIE ZICH BEVINDT IN HET VELD DER OFFERS, WAARIN ZIJN VELDEN EN ZIJN GAVEN ZIJN VOOR EEUWIG EN ALTIJD.
Of ‘zichzelf’; waarnaar sw verwijst is niet duidelijk.
Variant B5C: ‘waarin ik reis’; B3L: ‘waarin ik groot ben’.
Het veld.
Letterlijk ‘samenbreien’.
D.w.z. het veld.
Het is niet duidelijk waarnaar mytt verwijst.
Variant B3L: ‘de gouden bovenloop’.
Ik ben in vrede bij jullie1 binnengegaan, ik deel uit wat ik bezit voor de eilanden; ik leid mijn geesten naar hen die mij2 kennen, ik maak mijn magie heilzaam voor hem die haar brengt, en ik heb macht daardoor; hij geeft aan mij en ik geef aan hem, want ik ben degene die Hetep heeft uitgerust, en ik heb macht daardoor, deze zeer grote magie van mij die in dit lichaam van mij is en die deze zetels van mij voor mij heeft gemaakt; ik heb me herinnerd wat ik ervan was vergeten. Ik ga met Hetep naar de woonplaats van de god, ik ploeg en ik oogst met Hetep op het landgoed van de god, omdat ik de namen ken van de steden en districten die zich in het Offerveld bevinden, en ik ben er sterk in, ik beweeg me erin, zoals in het Offerveld. Ik ben sterk en heb scherpe tanden, ik boezem angst in bij zielen en geesten, ik geef gezag aan hem die mij kent.
Ik kom aan in hun steden, ik roei op hun waterwegen, ik ren in het Offerveld als Re, die in de hemel is, en Atum, Heer der Offers. Ik ben afgedaald naar de aarde en heb Geb gunstig gestemd; ik ben opgestegen naar de hemel en vreugde is mij geschonken.3 Ik heb kracht ontvangen en vrede is mij beloofd.
HET BETREDEN van de woonplaats van de grote vrouw en de meesteres van de twee landen. Ik ben tot u gekomen met mijn ziel achter mij en gezag voor mij, ik laat mijn magie voortduren, want ik heb mij herinnerd wat ik ervan was vergeten, en ik zal het noch vergeten noch geschaad worden; ik heb bezit genomen van hemel en aarde4 en vreugde is mij geschonken; ik heb vrede en ik heb mijn zaad geschapen.
O Melkgodin, Vrouwe van de Winden, ik ben tot u gekomen, mijn oog is geopend, mijn oog [is gesloten] Ik schijn overdag, ik slaap ’s nachts, ik breng de melk terug naar het juiste niveau. Er huist een chaos-god in mij, er huist twee chaosgoden in mij.
O jullie die onder hen geboren zijn; o jullie die bloeien, ik ben tot jullie gekomen, ik tel mijn overvloed en laat de vegetatie bloeien, want ik ben een langhoornige,5 dik beschilderde, Heer van lapis lazuli, Heer van het Veld van de Stier der goden; ik heb geslachtsgemeenschap met mijn zuster Sothis in haar uren.
O HETEP […], ik kom tot jullie, ik eet een maaltijd, ik heb macht door mijn uitverkoren stukken vlees en [mijn] gevogelte, hij6 verzoent voor mij hen die mijn geesten dienen.
O Hetep, o Heer, ik ben tot u gekomen, ik neem de Grijsharige mee naar het dak, ik ben Hu, ik ben in het midden van mijn sterke oog. Ik ben tot u gekomen, ik dompel de waterwegen onder als Osiris, Heer van de verderfelijkheid, als Andjeti, Stier der gieren. Ik ben inderdaad de Sbd -vis die [ik(?)] heb gegeten.
O voedselgodin en watergodin,7 ik ben tot u gekomen, ik trek het zesvoudig geweven kleed aan, ik brei de gefranjerde mantel van Re die in de hemel is, en de goden die in de hemel zijn, dienen mij.
Variante tekst van B1Bo
N is het hoofd van de Grote, blauwogig, die handelt naar zijn wil; zijn
heuvels zijn daar voor hem. Hij maakt de hogere gezond, hij laat de lagere bloeien, hij schenkt vreugde aan de Stier die de leiding heeft over de Enneade, want N is de Stier der goden, Heer van turkoois, Heer van elektrum(?)8 binnen Hetep.9 N is stroomafwaarts gevaren in Hetep en (ook) stroomopwaarts; hij heeft gevaren <in> (het gebied genaamd) ‘De Hoorns van de Meesteres van Zuiverheid’, zijn wind is in de waterweg van de grote goden, hij heeft de ankerpaal in de bovenste waterwegen gedreven, en de storm wordt omhoog gedragen; hij heeft onrust veroorzaakt vanwege zijn mond, (zelfs hij) de Enige, want hij kan niet spreken, hij kan zijn hoofd niet opheffen.
D.w.z. het Veld der Offers. Deze bezwering is een variant van 497.
Vgl. 363d. B1Bo staat er dichter bij en is hier gevolgd.
B1Bo volgend, vgl. 367f Variant B3L: ‘Ik heb mijn wil gedaan’.
Aldus B3L. B1Bo: ‘Hemel, aarde en vreugde zijn hem gegeven’.
Variant B1Bo: ‘Ik ben de Eenzame Stier’ zoals in 370f, maar met wat in plaats van wa, ongetwijfeld een fout.
D.w.z. Hetep.
_fAt tAHt letterlijk ‘voorzieningsgodin en onderdompelingsgodin’.
Deze identificatie van sAAwy is speculatief; Zie voor deze substantie enerzijds Sethe, Zahlen, 95, en anderzijds Harris, Minerals, 38.
Nog een duidelijk voorbeeld van verwarring tussen de god Hetep en %xt-Htp.
MIJN GEEST IS TOEGERUST [VOOR(?)] EEN GOD WIENS NAAM HIJ VAN DE DAGERAAD IS;1 HIJ IS ALTIJD TUSSEN DE TWEE GROTE GODEN WANNEER ZIJ IN DE HEMEL ZIJN, DE EEN IN HET WESTEN VAN DE HEMEL EN DE ANDER IN HET OOSTEN VAN DE HEMEL; ZIJ LEVEN VAN AL HET GOEDE VAN DIT LAND. HIJ, (NAMELIJK) HIJ VAN DE DAGERAAD, ZAL ERVOOR KOMEN, VOOR ZIJN HOLOCAUST, EN HIJ ZAL ELKE GEEST DIE HEM TOEBEHOORT IN DE HEMEL EN IN HET WESTEN TOERUSTEN, EN HIJ IS HET DIE EEN GEEST IN HET DODENRIJK ZAL PLAATSEN.2
O jij van de dageraad die ontwaakt en slaapt; o jij Slappe die in Nedit bent vóór mij, ik ben verschenen als de grote oergodin – zo zegt hij die slap is tot mij, (zelfs) hij die in Nedit is.
Hij heeft de hemel vrijgemaakt, hij heeft het land verenigd, hij heeft Nut de Grote vrijgemaakt voor de grote oergodin die mij verschijningen heeft geschonken.
De grote oergodin leidt mij, (zelfs) Nenmut die in de hut van de Grote is, wiens ogen scherp zijn (?) wiens klauwen scherp zijn, de woeste leeuwin (?), Meesteres van hen die zien, de leeuwin die ’s nachts ziet en vangt.
Mijn moeder is Sothis, en zij bereidt mijn pad voor, zij richt een trap op naar deze zeer grote vlakte van Nenmut voor mijn beklimming vanuit de Vallei van de Berg van de %eHseH-vogel in het noorden binnen mijn rivieroevers, op de plaats waar Orion ontspringt.
Ik zie Orion op mijn pad staan met zijn staf van aanzien (?) in zijn hand; ik neem hem aan en zal er een god door worden.
Hij geeft mij zijn staf die hij in zijn hand heeft, en ik zal de sterken (?) erdoor doen sidderen, ik zal de groten (?) erdoor bespugen, het zal mij verheven maken in de aanwezigheid van Sothis, het zal mij zekerheid geven in het Huis van Orion.
Ik stijg op en verschijn als een god, mijn rangtekens zijn op mij, en ik zal de landen van de Fenkhu erdoor machteloos maken.
Ik zit op een troon in het heiligdom en roep Orion op om naar mij toe te komen: O Orion, kom en zie mij! Ik ben gekomen, gemanifesteerd en bezield, verheven, goddelijk en verheven in deze goddelijke waardigheden van mij. Mijn ziel geeft mij macht over gezag, en ik heb de waarneming van elke god geabsorbeerd.3
Ik heb de krachten4 van de geesten weggenomen en hun geesten gegrepen.
Zie, ik ben gekomen om hun magie te eten, want ik ben uniek, zonder gelijke; de Rode Kroon is in mijn lichaam, ik heb hun kinderen bijeengebracht, ik heb ze allemaal verzameld, en geen van hen is ooit afgedwaald van het gezelschap5 van de geest van Sia.
Ik heb deze twee Hu-goden meegebracht; zij eten het voedsel van magie in de boomschorsen die hun magie en hun krachten verzamelen.
Mijn ziel heeft bezit genomen van de @Aw-nwbt, ik heb de vrees voor mij in mijn lichaam gebracht, de ontzag voor mij is op mijn lippen, mijn kracht is in mijn keel.
Ik ben hooghartig,6 en de vrees voor mij zit in mijn vlees; mijn kracht zit in mijn armen, mijn macht in mijn benen; ik ben een god wiens armen heersen en in wiens hart macht is.
Anubis brengt hen naar mij toe, en zijn feniks leidt hen naar mij; ik heb bezit genomen van hun zielen, ik heb hun geesten gebroken, mijn Atf-kroon rust op mij en de veren ervan bevinden zich op mijn kruin; ik ben verheven als Heer der heiligdommen, ik heb het Alleenheerschap aangenomen.
Kom, Orion, en zie mij; opnieuw ben ik verschenen met de wrrt–kroon, en Shu de Grote heeft mij een troon gegeven; ik heb hen die de tuinen in bezit wilden nemen, gegrepen door hun macht en kracht,7 mijn titel is mijn rechtmatige aanspraak die mij ondersteunt.8
Kom, Orion, en breng mij deze twee delen van mijn vlees die in de puinhoop van @rsw liggen.
Ik zal optreden als degene die deze twee die hen naderen zou vernietigen (?), ik breng u deze twee tuinmannen (?), zij zullen de twee Hu-goden in hun handen brengen en ik zal magie eten in de Barken van de Vergadering.
De vermoeide Sia stuurt hen, want hij is niet uitgerust met wat hij nodig heeft,9 en zij twee hebben gedaan wat voor mij gedaan moest worden in de kwestie van mijn dagelijkse brandstapel; de ene is voor mijn voedseloffers en de andere voor mijn nachtritueel.
Er wordt tegen u gezegd: ‘Kom, wees een geest, wees uitgerust’ – zo zegt Orion tegen mij.
Wat zullen we plannen voor deze twee edellieden, uit wier zielen talloze levenskracht ontlenen, die zich voeden met gezag?
Zij zullen macht hebben over Sia de Vermoeide, die niet is uitgerust met wat hij nodig heeft; zij zullen de Kinderen van de Rode Kroon verzamelen, die edel zijn in het Huis van de Twee Zielen; die gezoogd werden in het Huis van Orion.
Zij zitten op de troon, zij zien de geheime heilige dingen, wanneer hun blik valt op de uitsluiting (?) van …, hebben zij deelgenomen aan de offers, waarin dagelijks een brandoffer wordt gebracht voor de twee godinnen (?).
Laat mij horen; ik ben meer een geest dan zij, en wat juist is in mijn ogen, is wat zij brengen.
Zij die de leiding hebben over het snoeien zullen niet naar mij komen, zij zullen niet aan de tuinmannen geven (?); de vrees voor u10 zal rusten op hen die de leiding hebben over het snoeien, de tuinmannen (?) zullen u vrezen, en ook hun goden en hun edelen (sic).
O jullie goden die verschijnen vanwege jullie11 adel, duistere wezens (?) […], zie, het is aan jullie hoofd en aan jullie staart.
Kom naar mij toe, buig neer, beef voor mij en vrees mij en prijs mij, want ik ben verschenen als een god, ik heb jullie voorhoofden gegrepen, ik heb jullie nekken vastgepakt, ik heb bezit genomen van wat van mij is, namelijk de andere twee; ik heb ze allemaal gehaald.
Jullie zullen mij niet buitensluiten, o zoon van IHst die in het vuur woont (?), want ik ben de eigenaar van heiligdommen.
Orion spreekt. Je hebt de waarheid gesproken – zo zegt Orion tegen mij. Laat me je die edele helpers horen oproepen die macht wegnemen en opnieuw toekennen; ze zullen je stem horen en vrezen en beven en doen wat je hen opdraagt.
De overledene. Beven voor mij zit in hun vlees, de vrees voor mij zit in hun hart, ze vallen op hun gezicht.
Of. Jij bent gekomen, als geest en uitgerust, en je kent hun namen. Zeg hun dat ik de Rode Kroon voor je zal absorberen.
Daad. Ik zal je brandoffer brengen met het magische voedsel dat in de Barken wordt verzameld, ik heb geen roof gepleegd, en het is Orion die mij hun namen vertelt.
Of. Jij zult hen voor mij oproepen bij de namen die ze in hun hart kennen, want jij bent gekomen, als geest en uitgerust, en je kent hun namen.12
Aldus S2C; B2L is corrupt.
B2L voegt toe: ‘dit is een bezwering om erlangs te gaan’.
De overledene neemt de eigenschappen aan van het reguliere paar Hu en Sia.
Of ‘nekken’? Vgl. 396n.
Zeker wel; noch ‘lichaam’ noch ‘baarmoeder’ passen in de context.
Letterlijk: ‘Ik ben groot in mijn hart’; de betekenis lijkt ‘autoritair’ of ‘onderdrukkend’ te zijn.
B2L: ‘door hun geesten en goden’; S2C lijkt de betere tekst te hebben.
Zo ook S2C. B2L heeft: ‘Ik ben beschermd’.
Letterlijk: ‘met wat hem toekomt’.
Een verandering naar de tweede persoon; de overledene moet zeker bedoeld zijn.
Het Engels vereist hier het gebruik van de tweede persoon.
Het is duidelijk dat we hier een dialoog hebben tussen Orion en de overledene, maar het is geenszins zeker wie er op een bepaald moment spreekt, en mijn toewijzing van de toespraken is slechts voorlopig.
BEZWERING OM ORION TE BEREIKEN.1
O Jullie van de dageraad die waken en slapen, O Jullie die slap zijn, die vroeger in Nedit woonden, ik ben verschenen als Pakhet de Grote, wiens ogen scherp zijn (?) en wiens klauwen scherp zijn, de leeuwin die ’s nachts ziet en vangt.
O Sothis, mijn ziel, maak mijn pad gereed, richt een trap op naar de grote vlakte, want jij bent mijn moeder(?)2, en Hu is op (de plaats) waar Orion vandaan komt.
Ik vind Orion op het pad staan met de staf in zijn hand, en ik richt de staf op en ontvang hem, en ik word een god door middel daarvan.
Hij geeft mij de staf die in zijn hand is, en hij zegt: ‘Geef mij mijn zoon, want hij is het die in vrede opstaat; je zult verheven worden voor je troon, want jij bent mijn zoon, de heer van mijn huis’.
Een kortere variant van bezwering 469.
Zie de Buck’s noot 1 *.
De doodskist van een man.
Meervoud, maar de aangesproken personen worden niet gespecificeerd.