Sarcofaagteksten – Bezweringen 268 t/m 354
37535
wp-singular,page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-37535,wp-theme-bridge,bridge-core-2.6.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-24.6,qode-theme-bridge,transparent_content,disabled_footer_top,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-8.6.1,vc_responsive

Sarcofaagteksten

 

 

Bezweringen 268 t/m 354

Klik op het Oog van Horus om een afbeelding te zien van de hiërogliefen,
die bij de desbetreffende bezwering horen.

 

Voor een overzicht van de gebruikte bronnen voor deze bezweringen, klik hier.

Voor een overzicht van alle teksten in hiërogliefen met dank aan Adriaan de Buck, klik hier.
(Bij elke bezwering staan deze ook afzonderlijk.)

 268

 

WORDT SOBEK, HEER VAN DE SLINGERENDE WATERWEG.
N is de fnT-slang die uit de schacht tevoorschijn kwam en de Chaosgod verslond, die Seth voor hem uit de geheimen van Geb uitademde.
N is een gedaante die eet (zelfs) wanneer hij copuleert, die leeft van…, die voor zichzelf maakt %mwt naar volle omvang van zijn verlangen.
De …1 zijn voor hem uit de hemel neergedaald.
De stieren2 zijn van hem, Anubis heeft hoorns voor hem gemaakt, want N is een grote krokodil, en mooi is de vloed van de heer van de moerassen3, de zeer majestueuze, de metgezel van deze Grote die moerassen en rivieroevers doorkruist. N is gekomen4 uit de groene moerassen, hij heeft het riet van de moerassen en de krokodillen van de moerassen omgewoeld, N doorkruist moerassen en rivieroevers; N heeft kornoelje zodat hij zijn broer met zijn visschubben5 kan opeten; de god komt, nadat hij zijn broer heeft opgegeten en van zijn schubben6 heeft geleefd.
N vindt zijn ware broer (?), namelijk de broer van deze Grote, namelijk deze Dep-ite rechter die zich in de Brede Hal van Abydos bevindt.
N is een krokodillengeest, met een krokodillengezicht, gevaarlijk in het riet van de moerassen; N heeft de rivieroevers overgestoken, want N is een krokodil, heer van de kreken7.
Djedu is aan N gegeven om hem te voeden, met Khabet als zijn voedster; Edjo de Grote heeft voor hem gehandeld om hem over te brengen naar de Velden der Offers.
Acclamatie aan N en aan zijn dubbelganger8! N is Sobek, heer van de kreken.

1

Ityw , betekenis onbekend; variant B2Be: ikw ‘steenhouwers’

2

Variant B2Be: ‘hij boeit de stieren’, duidelijk een verbastering.

3

Niet ‘velden’, aangezien het plaatsen zijn waar krokodillen op de loer liggen.

4

Variant T1L en Sq6C: ‘deze N zal een grote zijn’.

5

Variant T1L: ‘N leeft op zijn schubben’, zonder enige aanwijzing over wiens schubben; Sq6C eindigt in een lacune.

6

Variant T1L: ‘de god komt, nadat hij op zijn broer heeft geleefd’, en voegt eraan toe: ‘zo zult u (meervoud) zeggen over deze N’.

7

Letterlijk ‘Nijlen’.

8

B2Be verschilt niet wezenlijk; T1L: ‘Lof wordt gegeven aan N en toejuiching aan N’s dubbelganger’. Sq6C was oorspronkelijk zeer vergelijkbaar.

 269

 

 GERST WORDEN VAN BENEDEN-EGYPTE.

N is deze levensstruik die uit Osiris voortkwam om op de ribben van Osiris te groeien en het gewone volk te voeden, die de goden vergoddelijkt en de geesten vergeestelijkt, die de eigenaren van dubbelen en de eigenaren van bezittingen van voedsel voorziet, die koekjes bakt voor de geesten, die de levenden doet groeien en die de lichamen van de levenden sterkt.
N leeft van gerookt graan, N is het gerookte graan van de levenden, N leeft en wordt vet op de ribben van Geb, het verlangen van N is in hemel en aarde, in het water en in de velden.
Isis is weldadig voor Horus, haar god, zij is daardoor vriendelijk jegens Horus, haar god.
N leeft als Osiris.1

1

Aldus T1L; Sq6C heeft: ‘het is N die leeft en voortgaat als Osiris’, en eindigt met de rubriek die T1L aan het begin van de spreuk heeft.

 270

 

SOPD WORDEN.
N is voortgegaan op het water dat hem omringt, N’s pluim is op zijn hoofd, N’s ogen zijn de machtigen(?), wee(?) is in de tuin(?)1 … N is heer van de woestijnen2, N is Sopd, de oudste van de goden.

1

Blijkbaar wel in T1L; de varianten luiden ‘wee(?) is in het westen van Gmt. Geen van beide versies is voor mij begrijpelijk.

2

Variant Sq6C: ‘O N, jij bent heer van de woestijnen’. Zowel Sq6C als Sq3C laten de volgende zin weg en eindigen met de rubriek, die in Sq3C luidt: ‘Wordt Isis’.

 271

 

EEN aWaVOGEL WORDEN.

Ik ben opgestegen als een ibis, ik ben neergedaald als een qAd vogel, ik ben hij die de Onbeklede zag1, de zoon van Hathor.2

1

Variatie Sq6C: ‘O N, jij bent degene die zag…’.

2

D.w.z. IHy  ‘de Sistrumspeler’, die naakt wordt afgebeeld. In Sq6C staat de variatie ‘hij wiens hoofd onbedekt is’.

 272

 

EEN REIGER WORDEN(?)
Ik1 ben een reiger(?) op het oneindige woestijnplateau, en daar wordt mij gebracht wat tot het land van Atum2 behoort.

1

De eerste persoon in vier van de zeven teksten.

2

‘Of Atum’ ontbreekt in de B2L-groep.

 273

 

EEN VALK WORDEN.
Ik ben een valk1 in die nacht die de jaren verrijkt.2
Hij3 heeft mij gevreesd bij hen die over vernietiging4 heersen, en mij gerespecteerd bij de heren van de slachting; ik zal niet naar het slachthuis van de god worden gebracht, de vernietigers zullen hun zweepslagen niet op mij gebruiken, want ik ben de gids naar de horizon van de hemel.

1

Alleen B2L en B2P; verloren gegaan in B1Y. De andere teksten beschouwen deze bezwering als een voortzetting van bezwering 272.

2

Variatie B3L: sgrh ‘vrede scheppen’.

3

Wie?

4

Sq6C: ‘die de oude heerschappij voeren’.

 274

 

EEN GODDELIJKE VALK WORDEN IN HET RIJK DER DODEN.
Gegroet, Horus van het Oosten, die mijn heraut niet kent; ik zal neerdalen en oprukken (?) naar uw trap.
Ik ben verheven als een goddelijke valk < … > op(?) zijn ribben(?), ik zal op en neer bewegen aan stuurboord en bakboord, ik zal slaan met mijn scepter en beheersen met mijn staf.1
Zij aan stuurboord staan ​​onder mijn controle, zij aan bakboord staan ​​onder mijn bevel, ik zal de god volgen, ik zal afdalen naar de Rietoever,2 ik zal rond de noordelijke hemel gaan. Maak je touw vast. Het betekent dat Khnum het vast zal maken.

1

De overledene handhaaft de orde onder de roeiers met scepter en staf. B2P is onleesbaar.

2

Aldus T1L, Sq6C; var. B2L: ‘de afdaling van de Zonnegod’; B2P: ‘naar de oever van de Zonnegod’.

 275

 

N is degene die verdrijft en zich verzet, die leeft van de lucht; N heeft Osiris van zijn troon gestoten op de dag van het Sokar-festival.
De lucht behoort aan N, N heeft de Enneade verslonden en zich gevoed met de Cobra, N is de cederboom voor Osiris, die geeft wat N nodig heeft, en zij hebben geoordeeld in deze zaak.
N heeft de bergen gespleten, N leeft van de lucht; dit betekent dat hij deelt wat hen hem gegeven heeft.
ALLE VORMEN AANNEMEN IN HET RIJK DER DODEN.

 276

 

N is dit voorste deel van een leeuw(?)1 die leeft en schittert op de dag dat hij weet van de ommekeer in de harten van de goden.2
Zij die hoog op zijn top staat, is de Vrouwe van de Horizon; een geest die beter toegerust is dan welke god ook.
N beschermt de mensen, de goden tonen hem respect, deze Grote (vrouwelijk) is in zijn gedaante verschenen.
De Vrouwe van de Offerandes is in hem, hij heeft haar boog (?) en de grote roeispaan in het heiligdom opgenomen.
N is gekomen om de goden angst voor zichzelf in te boezemen, hij beschermt het Oog van Horus in de rechtbanken van elke god.
Hij neemt de gedaante aan van Hathor in het rijk der doden.3

1

Een ster of een planeet?

2

Betekent dit een verandering van gedachten?

3

De laatste woorden alleen in B1Bo, waar de rubriek in het zwart wordt geschreven.

 277

 

THOTH WORDEN.
Ik heb plaatsgenomen met het Oog van Horus aan het hoofd van de Drie die bevelen geven onder de goden in de aangelegenheden van Thoth.
Mijn bescherming is Thoths bescherming onder jullie.
Ik ben een geest, heer der geesten, en het was een geest die mij schiep. …1
Ik ben degene die het maandelijkse festival viert en die getuige is van het halfmaandelijkse festival; de kringloop van het Oog van Horus2 is in mijn handen in het gevolg van Thoth.
Wat betreft elke god, elke godin, elke geest of elke dode, man of vrouw, die vandaag zijn mond tegen mij opent, hij zal vallen voor de schavotten, voor de magie die in mijn lichaam is, de vurige vlammen die op mijn mond branden.
Zij die mij zien, vrezen mij, want ik ben verheven, ik ben hoog opgestegen, (ik ben) iemand zonder zwakheden.
Ik heb hem die gehaat3 wordt met mijn handen verdreven; ik heb nooit partijdig geoordeeld tussen de rivalen, en ik heb in het paleis nooit iets gehoord van wat er gezegd4 werd toen het hele tribunaal sprak.
De rivalen waren tevreden met wat ik in mijn oordeel zei.
Ik heb nooit een oordeel herhaald als iemand die wegging vanwege degenen die hem kwaad hadden gedaan, toen zij spraken.
Ik heb voor hem het Huis van Acht gemaakt in het Huis van Dertig.5
Ik ben de Stier der Gerechtigheid; mannen respecteren mijn stem en vrezen mijn woestheid.
Ik ben de vertrouweling van het Paleis in de aanwezigheid van de Stier der Gerechtigheid.
Mogen jullie zielen tot rust komen, tot rust voor mij, want ik ben Thoth; zie, ik ben vol vreugde gekomen om het oordeel te voltrekken over de vernietiger op verzoek van Isis de Grote en de Rivalen tevreden te stellen.

1

Ik kan niets maken van 18f, dat nogal corrupt lijkt. Alle drie de teksten verschillen.

2

B1Bo laat ‘van Horus’ weg.

3

In navolging van B1Bo lees ik xbDy ‘die gehaat wordt’ in plaats van het collectieve xryt ‘vijanden’ uit de andere teksten; de eerste is krachtiger.

4

D.w.z. ‘Ik heb niet afgeluisterd’

5

Tekst onduidelijk en vertaling twijfelachtig.

 278

 

Ik ben opgestegen als een zwaluw,1 ik heb gekakeld als een gans, het is mij vergund neer te strijken op het plateau van het Grote Voorland, en ik heb erop gestaan; ik heb er aangemeerd2 en ik heb erop gezeten.
Ik zal verschijnen als een god, ik zal eten en mij tegoed doen(?) in het Offerveld,3 ik zal afdalen in het riet(?)4, de Poorten der Gerechtigheid zullen voor mij geopend worden, de poorten van het firmament zullen voor mij opengegooid worden, want ik ben gered van mijn vijanden.5
O mensen en goden, ik ben bestemd voor zeven maaltijden in de hemel (?).
Zes maaltijden zijn op aarde, zodat ik kan opstijgen;6 ik zal een ladder oprichten tussen de goden, want ik ben een van hen.
WORDEN ALS EEN GANS.

1

Niet ‘de Grote’, ondanks de geschriften; deze zin en de volgende vergelijken de overledene met een vogel.

2

D.w.z. ‘gestorven’, maar het feit van de dood wordt niet erkend.

3

Zo ook T1L; Sq6C heeft ‘door middel van magie’, terwijl Sq1Sq luidt: ‘Ik zal een maaltijd nuttigen in het Offerveld’.

4

Variatie Sq6C: ‘de oevers van riet(?).

5

Variatie Sq6C: ‘van mensen en goden’.

6

Zo ook Sq6C. T1L heeft: ‘N’s zes maaltijden zijn zodat N kan opstijgen naar […]’; Sq1Sq: ‘mijn maaltijden zijn in de hemel en op aarde’.

 279

 

[ … ] je hebt je ziel, jij bent een ziel1; ga voort, je komt [ … ], je zult afdalen, ik, je zult baden in het bassin van de Afgrond; je zult landen in het Westen; je groeit als een groeiende vogel, je glinstert als een glinsterende vogel2; je landt op het Rietveld, je eet de komkommers3 van de twee mysterieuze huizen [ … ]; je hebt de veldpercelen van de twee Offervelden verdeeld; je bent opgestegen [ … ]; je hebt bezet [ … ].
De koning ziet het, ik, jullie die erdoor opstijgen, hebben niet aangemeerd, jullie zijn verschenen als de grote god.
Jullie hebben het gezien, jullie zijn erdoor verschenen als de grote god, jullie hebben de komkommers gegeten […] jullie oog […].
O N, jullie zijn een glinsterende vogel die neerligt en doet wat hij wil; jullie vleugels zijn die van een heilig beeld. [WORDEND …].

1

Oude perfectief 2e persoon enkelvoud, verwijzend naar de overledene.

2

Beide teksten hebben een vogel als determinant, wat de interpretatie als ‘sterrenhemel’ lijkt uit te sluiten; vgl. ook 27f.

3

Lezend Sspwt

 280

 

O N, jij bent de Oudere Horus die bij zonsondergang de zeilen hees (?) terwijl je rustte in het graf van de Nt-kronen van de groten en de minderen.
O N, jij bent hij die rouwt in het Huis van Osiris; jouw oog is Re, jouw armen zijn Atum1, jouw benen zijn de duizendpoot god, jouw hoofd is Iwnmutef.
Dit is een herinnering dat er eer werd betoond in het Huis van de Twee Doornen aan Haar die knielt(?)2; jij bent daaruit voortgekomen met jouw pluim op jouw hoofd.
Jij bezit jouw moeder, en jouw moeder heeft je (geschenken) gegeven.
O N, jij bent de Oudere <Horus>3, jij hebt geoordeeld tussen de Rivalen, namelijk de twee die de hemel zouden vernietigen; jij hebt Orion gegrepen met de twee dissels van Seth, jij hebt in deze hemel geoordeeld voor Re, licht en donker zijn aan jouw wil onderworpen.
O N, jij bent de Oudere Horus, degene die de Oudere Horus is geworden.
DE OUDE HORUS WORDEN.

1

Variatie: ‘Min’.

2

Letterlijk ‘zij die op de kuit van haar been zit’.

3

Niet in Sq3C. De oorspronkelijke lezing kan ‘de Oudere Horus’ zijn geweest, zie 28a; 29f.

 281

 

Gegroet, jullie die de staf van de verheven god waarnemen! Kom en hoor dit woord, en bekrachtig het, deze magie van N; N verschijnt als Horus1, groot met de ramskop, de havik der goden.
N heeft bezit genomen van jullie krachten, N heeft jullie magie weggenomen.
Alle geesten die hun spreuken kennen, zullen hun eigen magie creëren.
N heeft bezit genomen van alles binnen de Brede Hal aan de oostelijke horizon van de hemel; de Oude Goden verheugen zich en de twee grote Enneaden zijn blij wanneer zij de manifestaties van deze N met de Grote, Vrouwe van Sais, zien, want zij heeft zich de autoriteit van de Groten in haar gevolg toegeëigend. Ga in vrede, in vrede; doe wat jullie gehoord hebben, (namelijk) wat ik jullie gezegd heb2, en doe N geen kwaad meer.
O N, jij bent Horus zelf, Heer van de magie.3
WORDT MAGIE.

1

Variatie Sq6C: ‘Zij (de kist van de vrouw) wordt voorgesteld als een valk’.

2

In Sq3C spreekt de lector vermoedelijk namens de overledene; deze interpretatie lijkt te verkiezen boven die van Sq6C: ‘wat N tegen u heeft gezegd’

3

Variatie Sq6C: ‘O N, u bent Magie zelf’.

 282

 

Niet neer te liggen in de puinhoop.
N heeft WpSt1 ingeslikt, N heeft WpSt gekauwd.
Er wordt gezegd van N2 dat zijn geur opstijgt, en dat de vrees voor hem uit de hemel verdreven wordt en de angst voor hem van de horizon verdwijnt3.
Alle goden vallen dood neer en de geesten staan ​​op hun gezichten wanneer ze N zien opstijgen naar …,4 en hij wordt verheven in het heiligdom.
N heeft bezit genomen van alle krachten van de Ene, en lof wordt aan N gebracht door hen die bij hem zijn wanneer ze N hun heer zien overheersen; Tayt heeft voor hem een ​​zetel gemaakt die aan N toebehoort.
TAYT WORDEN.

1

Letterlijk wellicht ‘wat is uitgestrooid’, d.w.z. graan, hier vergoddelijkt.

2

Zo ook Sq6C; Sq3C bevat blijkbaar de gebiedende wijs: ‘Spreek, o N’, wat minder zinvol is.

3

Of ‘in’.

4

wt, betekenis onbekend. De vertaling volgt Sq6C.

 283

 

N, jij bent een zwaluw, jij bent een zwaluw.
O N, jij bent de vader van de HDDyt -vogel, de dochter van Re.
O jullie goden wiens geur zoet is, er is een vlam voor N wanneer hij opstijgt vanaf de horizon.
EEN ZWALUW WORDEN.

 284

 

O N,1 jij bent Horus, die behoort tot de Grote Vrouwe van de Woestijn (?), de Vrouwe van de Vlam, de grote die zich bevindt tussen de hoorns van de Zonnegod,2 die bijt met haar mond, die verliest met haar staart(?),3 die ook leeft van hen die omkomen in de explosie van de vlam van haar mond, die Re redt van Apep.
VUUR WORDEND IN HET RIJK DER DODEN, OVERAL IN HET WESTEN.

Zie […] ik [geef (?)] hem aan u.
Ga, zodat u uw jongen kunt inspecteren wanneer […] komt.

1

T1L, wederom zwaar beschadigd, begint met de rubriek ‘worden […]’, die Sq6C, praktisch intact, aan het einde van deze spreuk plaatst

2

Zo ook T1L; Sq6C lijkt te lezen ‘die zich tussen de hoorns van de schijf van de zonneschijn bevindt’. Deze passage suggereert dat de godin in kwestie de uraeus zou kunnen zijn.

3

Het detail van sd is beschadigd in Sq6C, en de betekenis ervan is twijfelachtig, maar dit zou een verwijzing kunnen zijn naar de staart van de uraeus-slang; T1L heeft alleen de beginletter s bewaard. De eerdere verwijzing naar ‘bijten’ ondersteunt de opvatting dat de godin hier de uraeus is.

 285

 

SOBK WORDEND, HEER VAN DE SLINGERENDE WATERWEG.
Ik ben de werpstok van het moeras, ik doorkruis de meren, ik ben alert wanneer ik de oevers doorkruis, ik ben een gedaante die eet (zelfs) wanneer hij copuleert, ik eet de Grote1, ik leef van zijn schubben, ik leef van wat hij weet en van datgene waardoor hij macht heeft.
Mij zijn de noordelijke moeraslanden gegeven voor mijn nederzettingen aan het water en mijn zwerftochten.
Ik leef van de groten die in het water zijn, de groten die in de stromen zijn vrezen mij, de xdw -vissen die in het water zijn beschermen mij, de groten die in de stromen zijn respecteren mij, ik ben hij die tevoorschijn2 komt, de Heer van het water; ik ben Sobk, Heer van de SLINGERENDE Waterweg.
SOBK WORDEND, HEER VAN DE SLINGERENDE WATERWEG.

1

Sq6C: ‘O N, je bent in vorm; N eet de Grote’. B2L (35f) suggereert dat de overledene, in zijn gedaante als krokodil, zo vraatzuchtig is dat hij nooit stopt met eten, wat hij ook doet; zijn prooi ‘de Grote’ wordt duidelijk voorgesteld als een vis, vgl. 35h. 35i geeft de reden voor het verslinden van deze specifieke prooi.

2

ITT ‘omhoog vliegen’, Concise Dict. 34, wordt hier metaforisch gebruikt voor het verschijnen van de krokodil aan de oppervlakte van het water.

 286

 

[EEN VALK] WORDEND
De twee Enneaden van Horus vrezen mij en sidderen voor mij, (zelfs zij) de Oerwezens die getuige waren van de scheiding van de hemel en de aarde, toen hij die in het verleden mijn vader tot leven bracht, werd geschapen.
Zie mij aan, ik die verwekt en geboren werd als Horus, de erfgenaam; ik werd voor jullie geschapen, (zelfs ik) de Heer van de Enneaden.
O jullie plebejers, zie mij aan, de zoon van Isis; ik werd verwekt in Pe en geboren in Chemmis; ik werd gevoed in mijn Vuurveld op die dag dat ik op de geboortestoel werd ontvangen, ik werd naar mijn vader Atum gebracht, en hij gaf mij de sieraden van zijn vader Geb; ik trad de horizon binnen.
OM EEN VALK TE WORDEN.

 287

 

EEN GANS WORDEN.
Ik ben opgestegen als een zwaluw, ik heb gekakeld als een gans, ik ben neergestreken op dat grote plateau ten noorden van de horizon.
Zie mij aan; ik ben niet dood, mijn blik rust op zijn regelmatige verschijningen als grote god.
Ik verdrijf de pijnen, ik laat de uraei volharden, ik verdrijf de geheime onrust van de grote god.
Het grote meer, ik zie het niet; o jullie vijf hyena’s(?), ik ben niet onder jullie gevallen.
Ik ben inderdaad gekomen, en groot is wat ik heb gezien; ik ben gekomen om de velden te zien die het schone firmament heeft verfraaid, en om erin te wonen, (zelfs ik), N

 288

 

LUCHT WORDEN.
Ik ben de Werpster(?)1, zoon van de vurige van Shu, ik, lang uitgerekt in schittering, toen Shu aan het hoofd stond van het zonnevolk.2
Ik ben een vlam (bewegend) voor de wind tot aan het einde van de hemel en het einde van de aarde, ik reis door de lucht en doorkruis de aarde, ik zetel3 aan de oostzijde van de hemelkoepel, de hemel wordt bij zonsopgang naar mij gebracht, ik scheid de hemel van de aarde4, want ik ben de zoon van [de Heer(?)] van het Rietveld.

1

Deze bezwering is een slecht vervormde versie van Pyr. Utt. 261, die op dit punt luidt: ‘De Koning is een hartverscheurder(?), de favoriete zoon van Shu’. De strekking van de Pyr. Utt. is dat de Koning een bliksemflits is die het hart van schrik doet opspringen.

2

Zo ook Sq1C; Sq6C heeft: ‘de handen van Shu grijpen het zonnevolk in de persoon van(?) N.’

3

Pyr. § 326b heeft ‘staan’ voor CT ‘zitten’.

4

Zo ook Sq1C; Sq6C: ‘O N, jij bent storm’; P. Gard. III: ‘Ik ben degene die de storm verdeelt (wp)’; Pyr. § 326d: W py irw wpt nSn ‘Het is de Koning die de opdracht van de storm uitvoert’. Deze spreuk zou in feite onbegrijpelijk zijn zonder de oorspronkelijke Piramidetekst als hulpmiddel.

 289

 

EEN VERSCHIJNING VAN ON WORDEN.
Ik ben uit Su vertrokken, ik heb de nacht doorgebracht in Uu1, mijn huid werd binnenstebuiten gekeerd bij het vallen van de avond in het Westen, en ik ben een verschijning van On.

1

De locaties van deze plaatsen zijn niet bekend; voor %w zie Gauthier, Ditt. Geogr. V, 61, en voor Ww zie op. cit. I, 188.

 290

 

Een kind dat van de borst is afgespeend. Ik ben inderdaad een kind geworden dat van de borst is afgespeend, zoals mijn moeder sprak1 en zoals is opgetekend, en mijn bestaansvorm is die van elke god.
DE MENS ZAL WORDEN VERANDERD IN ELKE GOD WAARIN DE MENS VERANDERD WIL WORDEN.

1

In B1Bo staan ​​deze twee zinnen in omgekeerde volgorde. We hebben hier duidelijk een toespeling op de registratie van geboorten.

 291

 

KIND WORDEN.1
Ik ben inderdaad een kind geworden, verwekt door mijn vader en gesproken door mijn moeder. Zo ben ik.

1

Een variant van bezwering 290.

 292

 

EEN REIGER WORDEN(?)1 VAN HET LOTUSVAT.
Ik ben een reiger(?) van de lotusvijver, afgezonderd en verborgen.2
Mijn zijlok is hij wiens gestalte zich onderscheidt te midden van zijn tuin, mijn vleugels zijn de werpers van zijn messen te midden van zijn land(?).
Mijn nek is hij die mooi is om te zien, mijn vingers zijn de verschrikkelijke, mijn ogen zijn de gidsen van Re.
Ik heers over de moeraslanden, ik sta op en reis naar het Westen, ik eet van de vloed die bij de Overstromingsgod is op het Eiland van de Dubbele Leeuw, ik eet met Hem wiens gezicht wordt afgeveegd te midden van het Heilige Meer, ik ben langs de voorkant van zijn noordelijke eeuwige veld gegaan dat aan Re toebehoort, daar opent zich voor mij de heilige plaats bij het Meer der Jakhalzen.3
O gij die heerst over de eeuwigheid, die in uw kronkels bent, bereid een pad voor mij, ik ben het die de horzel4 verdrijft, ik zal vissen spietsen op het Veld van @r-wr  .5
O jullie die in Djedu zijn, is er …? Ik ben het die eet wat in Djedu is.

1

Vgl. Spreuk 272.

2

Zo ook Sq1C, wat de betere lezing lijkt; B2L heeft dit uitgebreid tot ‘wat betrekking heeft op Atum is opgevat als mijn ontstaan ​​met de bedoeling tot (?) afzondering en verbergen’.

3

Zo ook Sq1C; B2L: ‘hij opent zich voor mij met haar die heilig is van vorm bij het Meer van de Jakhals’.

4

Nauwelijks ‘bij’ (B2L), die zeker niet zou worden weggejaagd; een onaangenaam insect wordt bedoeld. Sq1C is corrupt.

5

Variatie Sq1C: ‘in de moerassen van de eeuwigheid’ en eindigt.

293

 

HET WESTEN OPENEN EN EEN ZWALUW WORDEN.
Deze geest van mij is verloren, omdat hij op de rivieroever is gezet; ik ben gekomen om u te zien, want u bent vandaag Ty.1
Kom, steek over en breng mij mijn bier en uw twee rode koeien die u verrijken(?)2; de voorraad broden van de offersteen van het intacte(?) graf is gering en klein, en de twee feniksen zijn in bedwang gehouden(?).
Ik ben opgestegen naar Shu, ik ben neergedaald op Horus; ik ben begunstigd en ik bezit gunst, en een … is voor mij gemaakt.
Ik ben opgestegen tussen de sterren, ik heb gebaad in de hemelse wateren(?); besprenkel mij met water, want ik bezit gunst en lof.

1

Een onduidelijk wezen.

2

45i is nogal onduidelijk en de vertaling twijfelachtig; vanaf hier kunnen de woorden weliswaar vertaald worden, maar de werkelijke betekenis van de tekst ontgaat me.

 294

 

De vorm van een zwaluw! is mij gegeven door de Vlammende1, Meesteres van de Eilanden, die opstijgt in de vlam die op de kantelen van de hemel brandt. Mijn hoofd en mijn rug zijn van lapis lazuli, mijn buik is van fijn goud, mijn nek is van Iuu-goud2; mijn …3 en mijn tenen(?)4 zijn van Iunmutef, Heer van Bakhu.
Ik heb de sst -vrucht gegeten, ik heb de provisies (?) in de tempel van Hathor gezien, ik heb met de Kat5 door de hemel gereisd, en dit land ligt onder mij door middel van mijn sandalen.

1

De uraeus-slang.

2

Onbekend, zie Gauthier, Dict. geogr. I, 51. 215.

3

%Trwt , wat onbekend betekent, maar duidelijk een deel van het lichaam.

4

Letterlijk ‘hoeven’.

5

De zonnegod.

  295

 

IK WORD EEN SCHRIJVER VAN DE ALTAREN VAN HATHOR.
Ik zit, (zelfs ik) de zoon van Atum, mijn geschriften bevinden zich in de twee Offervelden van Hathor, ik word de schrijver van de altaren van Hathor, de heropbouw1 wordt voor mij uitgevoerd door middel van papyri vorm amuletten, (zelfs voor mij) ik Ihmsw , zoon van Nefertum, schrijver van de altaren van het Offerveld2 van Hathor.
Deze poort die Hathor heeft geschapen, wordt geopend, de derde van de poorten van Re wordt opengegooid; hoe gelukkig en goed voorzien ben ik daardoor, ik zal daar zijn in het Hiernamaals.

1

Vermoedelijk van het lijk.

2

Niet tweeledig zoals hierboven.

 296

 

O jullie die in de stad zijn, N heeft Hem gebracht die zijn kronkels bewaakt.
Geef N de hand, want N heeft de dag doorgebracht op het Eiland van Vuur, N is op een missie gegaan en N is teruggekeerd met het verslag.
Ik open de deur voor N; dan zal N vertellen wat hij heeft gezien.
Horus is bevelhebber van het heilige schip, en de troon van zijn vader is aan hem gegeven.
Wat in Khem is, is aan N toegewezen; het betekent dat er eerbied is betoond aan de linkerhand van Osiris.
N is op inspectie gegaan en N is teruggekeerd om te spreken; laat N passeren, zodat N verslag kan uitbrengen over zijn opdracht.
N is iemand die in aanzien binnengaat en in aanzien weggaat bij de poort van de Heer van Alles.
N is rein op dat grote grafplateau; N heeft zich ontdaan van zijn kwaad, N heeft zijn misdaden afgeworpen, N heeft het kwaad dat op zijn lichaam rustte, naar de aarde geworpen.
O jullie poortwachters, maak een pad voor N, die net als jullie is.
Moge N de dag tegemoet gaan, moge N op eigen benen lopen, moge N macht hebben over de bewegingen van de zon, want N kent de geheime wegen en de poorten van het Rietveld; moge N daar zijn.
Zie, N is gekomen, N heeft zijn vijanden ter aarde geworpen, en N’s lichaam is begraven.

 297

 

DE VIER WINDEN VAN DE HEMEL WORDEN EN DE NAAM KENNEN VAN DE GOD DIE DE HEMELTRAP1 BEHEERST.
DDe dubbele barrière tegen het gepeupel is geopend door @nw , Seshat heeft mijn verblijfplaats vier keer toegewezen – de Onrustige is in zijn kapel.
Als het weer als een zuidenwind komt, zal ik in de noordenwind verblijven, en omgekeerd; als het weer2 als een westenwind komt, zal ik in de oostenwind verblijven, en omgekeerd.
Ik bescherm <mijn?> huid, ik zit in de zon en een drogende wind(?).
O @mtyw, geef me je hand!3

1

Dus B1C; B2L heeft een variantrubriek aan het einde van de spreuk.

2

Letterlijk: ‘hemel’; zie ook loc. cit. en vergelijk Westcar, II, 14.

3

B2L eindigt met de rubriek: ‘De naam kennende van de god die de hemelladder bewaakt. Wat betreft degene die deze bezwering kent, hij zal zich bij het portaal in de hemel bevinden wanneer hij naar zijn dubbelganger is gegaan.’

 298

 

Ik ben ontstaan aan de rand van het land, zelfs meer dan de goden.
Ik ben iemand die rondgereisd heeft, en ik ben gekomen om de diadeem op te eisen zoals Osiris.
ONTSTAAN DOOR EEN MENS: EEN GOD ZEGT WAT HIJ WIL, EN HET ONTSTAAN WORDT DAARDOOR VEROORZAAKT.1

1

Var. B1L: ‘Tot stand komen als een god, bezitter van wat hij begeert’.

 299

 

Moge gij mij ontvangen, o Vijver; moge gij mij vormen, o Aardse Uitgestrektheid, want alles is van mij, en ik ben de Heer van de eerste van het jaar, (zelfs) Nepri.

 300

 

Ik ben opgegroeid met wierook, ik ben omhoog geklommen op de zonnestralen; o Hathor, geef me je hand.
OPSTIJGEND NAAR DE HEMEL.

 301

 

Ik ben langs <het Huis van> de Zangeres gevlogen, en het was een ibAyt-vogel die jou naar mij bracht.
Gegroet, jij die naar de hemel vloog, ik, jij melkwitte vogel die de Witte Kroon bewaakt.
Ik zal bij jou zijn – en omgekeerd; o grote god, maak een pad voor mij zodat ik eroverheen kan gaan.
AANNEMEND ALS ELKE GOD DIE EEN MENS MAAR WENST, AANNEMEND DOOR MIDDEL VAN DIE GOD.

 302

 

EEN VALK WORDEN.1
Ik ben de grote valk die in het ei is ontstaan, ik vlieg op en land als een valk van één el, gemeten over2 zijn rug, mijn vleugels zijn van groene steen uit Opper-Egypte.
Ik ben vanuit de kist naar de Nachtboot gegaan, ik heb mijn hart van de horizon meegebracht, ik ben neergestreken in de Dagboot, ik wordt vereerd.
De volgelingen dienen mij, de goden die in hun oorspronkelijke staat verkeren, zijn voor mij neergebogen gekomen.
Zij bieden mij alle kronen aan als een prachtige gouden valk op zijn spitse steen, en Re komt dagelijks binnen om zijn3 woorden te horen.
Ik zit met die goden die de heren van de hemel zijn, de goede dingen van het Offerveld worden voor mij neergelegd, en ik eet en drink ervan naar hartenlust; ‘Gerookt Graan’ is voor mij opgerezen.

1

Dus B3L; B1P heeft ‘een andere bezwering voor een valk <worden> in het dodenrijk’, met weglating van xpr.

2

Letterlijk ‘rustend op’.

3

Vermoedelijk van de valk.

 303

 

O Valk1, kom naar Djedu en ga door mijn hele paleis – zo zegt Osiris – opdat je het kunt zien, deze nieuwe staat (?) die ik heb bereikt.
Mijn broer van vaderskant heeft actie2 ondernomen; hij heeft mij geslagen, ik en niemand kan tot mij spreken, geen van mijn leden kan tot mij komen.
O mijn vader Osiris3, hier ben ik; ik ben tot u gekomen, want ik heb Seth voor u verslagen, ik heb zijn bondgenoten gedood, ik heb hen verslagen die u hebben verslagen, ik heb hen neergehaald die u hebben neergehaald.
Ik ben degene die overwint met kracht, de erfgenaam van alles; ikzelf heb mijn lichaam bewaakt, ik heb mijn vijanden geveld en ik heb deze nieuwe staat geschapen waarin ik ben.
Zie, hier ben ik; ik ben gekomen nadat ik mijn vader heb gezien; mij is een gebied toegewezen, en ik ben bij hem weggegaan, ik heb hem beschermd tegen hen die hem wilden beroven, en mijn naam is ontstaan ​​doordat mijn beschermende kracht is uitgegaan.

1

De overledene, in de rol van Horus, beschermer van zijn vader, wordt door Osiris toegesproken.

2

Wat volgt maakt duidelijk dat ir.n in een vijandige zin moet worden opgevat; de broer is Seth, die tegen Osiris handelt.

3

De overledene, als Horus, antwoordt Osiris.

 304

 

Het is mij goed bevallen, want mijn ziel is mij toegewezen, in mijn gezelschap; mijn hart is in mijn lichaam, mijn lijk is in de aarde, en ik zal er niet om treuren.
Mijn ziel is bij mij en zal niet ver van mij weggaan; mijn magische kracht is in mijn lichaam, en die zal niet worden ontnomen.
Ik heb mijn kracht, ik heb mijn bestaanswijzen, zodat ik mijn maaltijden kan nuttigen met mijn dubbelganger die op deze aarde van mij is1, en ik ga rusten, nadat ik jong2 ben gebleken.
Uit te spreken over een pilaar van groensteen uit Opper-Egypte; te plaatsen op de nek van de overledene.3

1

Dat wil zeggen: mijn tombe.

2

Twee oude perfectieven, letterlijk: ‘Ik gezien worden, ik jong zijn’.

3

Letterlijk: ‘aan een geest om zijn nek gegeven worden’.

 305

 

De god groeit, de god rijst op uit zijn nest, hij vliegt en zweeft naar de onderkant van de hemel als die grote valk, scherp van klauwen, lang van veren, zeven ellen lang over zijn rug, zijn vleugels gemaakt van groene steen uit Opper-Egypte.
Ik ben opgestegen uit de kist naar de Nachtboot, ik ben neergestreken op de Dagboot, ik ben puur, iemand die angst inboezemt(?); ik heb mijn veren uitgeschud aan de oever van de Kronkelende Waterweg, ik heb rond de Volgelingen1 erop gevlogen, ik heb het zonnevolk bijeengebracht, en alle grote goden komen voor mij neergebogen; allen die in glorie verschijnen, komen naar mij toe om mij te zien verschijnen als die grote valk, scherp van klauwen, lang van veren, zeven ellen lang over mijn rug, mijn vleugels gemaakt van groene steen uit Opper-Egypte, en Re verschijnt dagelijks om mijn woorden te horen.
Ik vlieg en zweef tussen die twee grote bergen waarop Re verschijnt; ik eet brood met Hem wiens naam overal bekend is, terwijl de graangod voor mij staat.
Ik heb de twee offervelden stevig met elkaar verbonden en aan mij behoort dit Alles welke Atum mij heeft gegeven.

1

Als een beschermende handeling? De ‘Volgelingen’ vertegenwoordigen wellicht de begeleiders van de overledene (oorspronkelijk misschien de overleden koning) die hem vaarwel hebben gezegd toen hij de hemelse waterweg overstak.

 306

 

Een gunst die de koning verleent, die Re-Atum verleent, die de Negen Goden verlenen en die Harakhti verleent, dat hij dagelijks brood en bier, gebraden vlees (?) […] voor N mag schenken vanaf het altaar van Re.
Moge N eten met de Volgelingen (?) […] die de Negen Goden verlenen. Gegroet, Atum, u die de hemel hebt gemaakt en alles hebt geschapen wat bestaat, die uit [de aarde] bent voortgekomen, die zaad hebt geschapen, [Heer van alle dingen], die de goden hebt gevormd.
Gegroet, Heren van de zuivere offers, wier tronen geheim zijn.
Gegroet, Heren van de eeuwigheid, wier namen verborgen zijn, wier heiligdommen geheim zijn, en de plaats waar u zich bevindt onbekend is.
Gegroet, goden van … 1, goden die [de hemel(?)] omringen, goden die in het Westen zijn, Negen Goden die in de Lagere Hemel zijn.
Hier ben ik, ik ben tot u gekomen, puur, goddelijk, vergeestelijkt, sterk, bezield, machtig; ik heb u natron en wierook gebracht, en ik heb u gegeven wat er in uw harten voor mij leeft.
Ik ben gekomen om het kwaad dat in mijn hart is uit te drijven en om het onrecht dat erin is te verwijderen.
Ik heb u het goede gebracht, ik heb u de waarheid verheven, want ik ken u, ik ken uw namen, ik ken uw gedaanten die onbekend waren en de manieren van zijn die in u zijn.
Ik ben tot u gekomen, [verschijnend in glorie] als die god die mensen eet en leeft van goden; ik ben machtig voor u als die god die verheven is [op zijn standaard], tot wie de goden die in de Aanwezigheid zijn, vol vreugde komen, en de godinnen zich verheugen wanneer zij mij zien.
Ik ben tot u gekomen, verschenen in glorie als [uw zoon]; ik zit op mijn zetel die aan de horizon is, ik ontvang offers van uw altaren, ik drink bier (?) in de avond.
Zij die zich verheugen, zullen tot mij komen, buigend; lof wordt mij gebracht door hen die aan de horizon zijn in deze mijn rang van Heer van Alles, ik ben verheven als die verheven god, Heer van het Grote Huis, en de goden verheugen zich wanneer zij mij zien in mijn sierlijke bewegingen op het lichaam van de Lagere Hemel, (zelfs ik) die Nut dagelijks vormt.

1

Nyt, betekenis onbekend.

 307

 

Zo zegt N: Ik ben een parelhoen, ik ben Re die uit de Afgrond is voortgekomen in deze mijn naam Khopri1, en mijn ziel is een god.
Ik ben Hij die de Autoriteit heeft geschapen; onrecht is wat ik verafschuw, en ik zal het niet zien, want ik ben iemand die rechtvaardig handelt, en ik leef er dagelijks door: ik ben [Autoriteit] die nooit zal [vergaan in deze mijn naam] van ‘Ziel’.
Ik word aangeroepen [als] een stier, ik word in de Enneade aangeroepen in deze mijn [naam] van de parelhoengod.
Ik kom uit mezelf tot bestaan ​​in gezelschap van de Afgrond in deze mijn naam Khopri; ik kom er dagelijks in tot bestaan, want ik ben de Heer van het licht2. [De dood is mijn verafschuw], en ik zal de plaats van executie van hen in de Onderwereld niet betreden.
Ik ben degene die Osiris macht geeft, en ik vervul de harten van hen die hem dienen; ik ben degene die ontzag inboezemt bij hen die zich binnen hun grenzen bevinden, want ik ben verheven op mijn standaard boven de oorden van de Afgrond; de kwaaddoeners kunnen mij geen kwaad doen.
Ik ben de oudste van de oerwezens, de ziel van hen die in de Tempel der Eeuwigheid wonen.
Ik ben hij die de duisternis schiep, die zijn troon vestigde aan de grenzen van de hemel.
De grote ziel is neergedaald op […] de grenzen van de hemel. Ik verlang ernaar hun grenzen te bereiken, en ik loop te voet, ik beheers […], ik doorkruis het firmament van hen die …3 duisternis scheppen […].
Mijn ziel is een (echte) ziel, mijn lichaam is de uraei van de Eeuwige, bezitter van jaren, en het betekent dat ik voor eeuwig zal leven.
Ik ben degene die verheven is, Heer van Tatjebu, jong in mijn stad, jongensachtig [op het veld], en mijn naam zal niet vergaan.
Ik ben de Ziel die de Afgrond schiep, die mijn zetel vestigde in het rijk der doden; mijn nest zal niet gezien worden, noch mijn ei gebroken, want ik ben de Heer van hen die hoog zijn, en ik heb mijn nest gemaakt tot aan de grenzen van de hemel.
Ik zal afdalen naar het land van Geb, ik zal het kwaad verdrijven, ik zal mijn vader zien, Heer van de avond, ik zal het lichaam kussen van Hem die in On is, ik zal heersen over hen die zich bevinden in de hal op de westelijke heuvel van de Ibis.

1

Deze laatste clausule alleen in BH4C.

2

Op dit punt eindigt BH4C.

3

MHnd , betekenis onbekend. BD 185,6-8 is eveneens onduidelijk.

 308

 

Ik verschijn als [Re], Heer van het Oosten, in die processies van het Oosten, [ik ben gekomen] naar de hemel, ik heb mijn plaats gezocht die in het Oosten is […].

 309

 

 ZITTEND TUSSEN DE TWEE GODEN, DE WEG WIJZEND IN DE DUISTERNIS.
Ik zit tussen de twee grote goden, ik ga langs het Huis van de Zangeres, en het is deze ibAt-vogel die me brengt.

 310

 

(Ik ben) een geest in de hemel, een geest in de hemel.
Gegroet, jullie goden in de hemel, jullie geesten van de horizon.
Ik ben de zoon van Shezmetet, ik ben Khons, die de woede uitstuurt die harten doet branden; ik ben binnengedrongen in de vinger en de teen van Osiris en in het lichaam van Osiris, in de sterke arm, in de knie en in het hoofd.
Ik ben gegroeid zoals planten, ik heb mezelf bedekt zoals een schildpad, ik ben groot geworden in de dood, ik ben ontstaan, ik ben uniek, de essentie van de goden.
Ik ben de zevende van die zeven uraei die daaruit1 werden genomen, de Grote die macht in zijn lichaam heeft, die god die niet kan sterven, op die dag van de vlam, toen het zaad werd weggenomen van die geest toen hij rechtsprak voor zijn vader met On, toen hij rechtsprak tussen Horus en Seth, Thoth tussen hen in op die dag waarop hij verscheen als die verheven god die de leiding heeft over de oordelen.
O handlangers van de goden, blijf ver van mij vandaan, want ik ben Khons die de woede van de Heer der heren uitzendt, ik ben hij die harten verbrandt, ik ben de moordenaar onder jullie; aan mij behoren de twee gevlochten lokken die op de geschoren haren zitten, en aan mij behoort het Huis van het Koord waarin de koppen van de stieren zich bevinden wanneer zij zich als stieren gedragen (?).2

1

Waarvan? Er lijkt hier sprake te zijn van enige corruptie, en BD 181, 8 e.v. is heel anders.

2

Volstrekt onduidelijk.

 311

 

Ik ben opgegroeid zoals planten, ik heb mezelf bedekt zoals een schildpad, ik ben ontstaan ​​als Khopri, omdat ik de vierde ben van die vier uraei die aan de oostkant van de hemel wonen.
Ik ken hen en ik ken hun namen; het is mijn kracht die mijn macht heeft geschapen, en het is mijn macht die mijn kracht heeft geschapen. Ik ben sterk genoeg om hoofden af ​​te hakken, en scherp is de vlam op mijn mond tegen de messen in de handen van de goden.
Sakhmet is zij die het Cerastes-bergmes hanteerde in de nacht van de grote strijd en in de ochtend van de verdeling van wat compleet was zoals de stengels van hun xsAw -planten.
Ik zal niet scheppen (?) <. . .>1 en ik zal de woorden horen van de Rode, de moeder van de tuin.
Mijn brood is bij de mensen, de offers van mijn god zijn bij de kinderen.
De vrees voor mij heeft de goden ertoe aangezet om … de Oude, en dat betekent dat ik zal verschijnen als Khons die leeft in harten.

KHONS WORDEN IN HET RIJK DER DODEN.

1

Er ontbreekt een object voor ms .

 312

 

BEZWERING OM IN EEN GODDELIJKE VALK1 TE VERANDEREN.
Osiris spreekt: O Horus, kom naar Djedu, maak mijn paden vrij voor mij en ga door mijn hele verblijf, opdat je mijn gedaante kunt zien en mijn vorm kunt verheerlijken.
Moge je ontzag voor mij inboezemen, moge je ontzag voor mij opwekken, opdat de goden van de Onderwereld mij vrezen, opdat de poorten voor mij waken. Laat degene die mij kwaad heeft gedaan mij niet naderen, opdat hij mij niet ziet in het Huis der Duisternis en mijn vermoeidheid ontdekt die voor hem verborgen is.
De goden: ‘Doe zo,’ zeggen de goden, die de stemmen horen van hen die Osiris volgen.
Horus: Wees stil, goden; laat een god met een god spreken, laat hem de ware boodschap horen die ik hem zal zeggen.
Spreek tot mij, Osiris, en zorg ervoor dat wat uit jouw mond over mij is gekomen, wordt ingetrokken.
Zie je eigen gedaante, vorm je eigen vorm, en laat hem voortgaan en macht over zijn benen hebben, zodat hij kan schrijden en zich kan voortplanten onder de mensen, en jij zult daar zijn als de Heer van Alles.
De goden van de Onderwereld vrezen jou, de poorten waken voor jou.
Jij beweegt je voort met hen die zich voortbewegen, terwijl ik op jouw heuvel blijf als de Heer van het Leven.
Ik verbind mij met de goddelijke Isis, ik verheug mij over hem die u kwaad heeft gedaan.
Moge hij niet komen, zodat hij uw vermoeidheid ziet die voor hem verborgen is.
Ik zal gaan en tot in de hemel reiken, opdat ik Geb om zijn woord vraag, opdat ik gezag eis van de Heer van Alles.
Dan zullen de goden u vrezen, ja, zij die zien dat ik een van hen die in het zonlicht wonen naar u zend.
Ik heb zijn gedaante gelijk gemaakt aan de mijne, zijn loop aan de mijne, zodat hij naar Djedu kan gaan en komen, bekleed met mijn gedaante, om u mijn zaken te vertellen.
Hij zal u vrees inboezemen, hij zal ontzag voor u opwekken bij de goden van de Onderwereld, en de poorten zullen voor u waken.
De boodschapper: Voorwaar, ik ben iemand die in het zonlicht verblijft, ik ben een geest die is ontstaan ​​en geschapen uit het lichaam van de god, ik ben een van die goden of geesten die in het zonlicht verblijven, die Atum uit zijn vlees schiep, die uit de wortel van zijn oog ontstond, die Atum schiep en tot geesten maakte, wier gezichten hij schiep opdat zij bij hem zouden zijn, terwijl hij alleen in de Afgrond was, die hem aankondigde toen hij uit de horizon tevoorschijn kwam, die de goden en geesten, de Machten en Vormen, vrees voor hem inboezemde.
Ik ben een van die slangen die de Enige Heer schiep, voordat Isis ontstond om Horus te baren.
Ik ben sterk gemaakt, ik ben jong en krachtig gemaakt, ik verhef mij boven de (andere) wezens die in het zonlicht verblijven, de geesten die samen met mij ontstonden.
Ik heb mijn verschijning gemaakt als een goddelijke valk, en Horus heeft mij zijn gedaante gegeven opdat ik zijn zaken naar Osiris, naar de Onderwereld, zou brengen.
De Dubbele Leeuw werpt een bezwaar op: De Dubbele Leeuw, die zich in zijn grot bevindt, bewaker van het Huis van de Koninklijke Pruikenkap, zei tegen mij: Hoe kun je de grenzen van de hemel bereiken?
Je bent weliswaar uitgerust met de gedaante van Horus, maar je bezit niet de Pruikenkap.
Spreek je over de grenzen van de hemel?
De Boodschapper: Ik ben het inderdaad die de zaken van Horus naar Osiris, naar de Onderwereld, brengt.
Horus heeft mij herhaald wat zijn vader Osiris hem zei in de …2 op de dag van de begrafenis.
De Dubbele Leeuw: Herhaal voor mij wat Horus heeft gezegd als het woord van zijn vader Osiris in de …2 op de dag van de begrafenis, dan zal ik je de Pruikenkap geven – zo zei de Dubbele Leeuw tegen mij – zodat je kunt gaan en staan ​​op de paden van de hemel.
Dan zullen zij die aan de horizon wonen je zien en de goden van de Onderwereld zullen je vrezen.
De boodschapper: Jullie mogen je over hem verheugen, want hij is ingewijd in de woorden van deze goden, de Heren van Alles, die aan de zijde van de Enige Heer staan.
Zo sprak hij die hoog op zijn verheven is, die in heiligheid verblijft, over mij.
De Dubbele Leeuw is tevreden: Haal de pruikhoes voor hem tevoorschijn, zei de Dubbele Leeuw over mij.
De boodschapper, nu in het bezit van zijn paspoort, de Koninklijke Pruikenhoes, vervolgt zijn reis: O Heret, maak de weg voor mij vrij. Ik verhef mij in de gedaante van Horus, en de Dubbele Leeuw heeft de Pruikenhoes voor mij tevoorschijn gehaald, hij heeft mij mijn vleugels gegeven, hij heeft mijn hart gevestigd op zijn grote standaard.
Ik val niet door Shu, ik ben hij die zichzelf kalmeert met zijn eigen schoonheid, de Heer van de twee machtige koninklijke slangen.
Ik ben hij die de paden van Nut kent, de winden zijn mijn bescherming, en de woedende stier zal mij niet terugdrijven.
Ik ga naar de plaats waar hij verblijft die hulpeloos slaapt; die zich in het Veld der Eeuwigheid bevindt; die naar de pijnlijke westelijke duisternis werd geleid, (zelfs) Osiris.
Ik kom vandaag uit het Huis van de Dubbele Leeuw, ik ben daaruit naar het Huis van Isis gegaan, naar de geheime mysteries, ik ben naar haar verborgen geheimen geleid, want zij heeft mij de geboorte van de grote god laten zien.
Horus heeft mij zijn gedaante gegeven, opdat ik zou kunnen zeggen wat er is, opdat ik zou kunnen zeggen …3 wat de angstaanjagende aanval zal verdrijven.
Ik ben de valk die in de zon verblijft, die macht heeft door zijn licht en zijn flitsen.
Ik ga en kom tot aan de grenzen van de hemel, niemand kan mij tegenhouden […] Horus tot aan de grenzen van de hemel.
Horus zit op zijn zetels en zijn tronen, en ik ben hij die in zijn gedaante is.
Mijn armen zijn die van een goddelijke valk, ik ben degene die (de positie van) zijn heer heeft verworven, en Horus heeft mij zijn gedaante gegeven.
Ik kom naar Djedu om Osiris te zien, ik land bij het Huis van de Grote Dode4; ik boezem hem angst in en maak ontzag voor hem onder de goden.
Ik behoor tot het grote heiligdom, (zelfs ik) de heilige van…, voor wie men heen en weer loopt, en Nut zal heen en weer lopen en dartelen wanneer zij mij ziet. De vijandige goden hebben gezien dat zij de Oogloze ophitst tegen hen die hun armen tegen mij zullen uitstrekken.
De Machtige staat op tegen de aardgoden, de heilige wegen worden voor mij geopend wanneer zij mijn gedaante zien en horen wat ik zal zeggen.
Neer op jullie gezichten, goden van de Onderwereld, wier gezichten …5 zijn, wier nekken uitgestrekt zijn en die het gezicht van de Grote Vernietiger verbergen! Maak de weg vrij voor … naar de majestueuze gedaante.
De boodschapper citeert het bevel van Horus: Horus heeft bevolen: Hef jullie gezichten op en kijk naar hem; hij is verschenen als een goddelijke valk, de Dubbele Leeuw heeft de pruik voor hem tevoorschijn gehaald, hij is gekomen met het woord van Horus naar Osiris.
De Grijsgehaarden hebben …6 , hij heeft zich verenigd met de Machten.
Ga opzij, jullie poortwachters, want hij staat voor mij, maak de weg vrij voor hem.
Laat hem passeren, o jullie die in jullie holen wonen, wachters van het Huis van Osiris.
De boodschapper hervat zijn toespraak: Ik zeg: Hoe machtig is Horus!
Ik laat hen weten dat zijn angst groot is en dat zijn hoorn scherp is tegen Seth; dat Horus de macht heeft gegrepen en de kracht van Atum heeft verworven. Ik heb Horus gevolgd, de Heer van Alles.
De goden geven de boodschapper toestemming om te passeren: “Ga in vrede voorbij”, zo spreken de goden van de Onderwereld tot mij.
De bewakers van hun grotten, de bewakers van het Huis van Osiris, staan ​​op.
De boodschapper antwoordt: Zie, ik kom tot u als een bekwame geest.
De poortwachters lopen voor mij, de Machten maken de wegen voor mij vrij, ik heb de Grijsharigen gehaald die Nenet trotseerde.
De Groten die aan de horizon wonen vrezen mij, zelfs de bewakers van … in de hemel, die de wegen bewaken.
Ik maak de poorten stevig voor de Heer van Alles, ik heb de wegen naar hem vrijgemaakt, ik heb gedaan wat mij bevolen was, want Horus bekleedde mij met zijn gedaante.
Moge mijn wijsheid mij geschonken worden, want ik verlang naar triomf over mijn vijanden.
Mogen de mysteries voor mij onthuld worden, mogen de geheime spelonken voor mij geopend worden, moge ik binnengaan bij de Heer van de Gedaante, zeer majestueus; moge ik naar Djedu komen en zijn hele paleis doorzoeken, moge ik hem de zaken vertellen van zijn zoon die hij liefheeft, terwijl het hart van Seth wordt uitgesneden.
Moge ik de Heer van Vermoeidheid zien, die grenzeloos is, opdat hij moge weten hoe Horus de zaken van de goden regelde zonder hem.
De boodschapper bereikt zijn doel en richt zich tot Osiris: O Heer van de Vorm, zeer majestueus, zie, ik ben gekomen, de Onderwereld is voor mij geopend, de wegen in de hemel en op aarde zijn voor mij geopend, en niemand heeft mij tegengehouden.
Wees hoog op je troon, o Osiris; moge je borst leven en moge je billen krachtig zijn.
Laat je hart juichen, want je hebt over Seth gezegevierd en je zoon Horus is op je troon gezet.
Ontelbare volken zijn aan hem toegewezen, de goden hebben hem offers gebracht, en het hart van Geb, die ouder is dan de Groten, verheugt zich.
De hemel is sterk en Nut jubelt wanneer zij ziet wat Atum heeft gedaan, terwijl hij tussen de Twee Enneaden zat en de macht die op zijn mond rustte, aan Horus, de zoon van Isis, gaf.
Hij is heerser over Egypte geworden, de goden werken voor hem, hij heeft ontelbare volken gevoed en opgevoed door middel van het Enige Oog, de Meesteres van de Enneaden, de Vrouwe van Alles.

1

Deze bezwering werd bestudeerd en vertaald door de Buck onder de titel ‘De vroegste versie van het Dodenboek 78’ in JEA 35, 87 e.v. Afgezien van enkele wijzigingen volgt de huidige vertaling die van de Buck. Het onderliggende idee is dat Osiris Horus naar Djedu roept om verslag uit te brengen over de gebeurtenissen, maar dat Horus bezwaar maakt en in plaats daarvan een boodschapper stuurt, die van de Dubbele Leeuw het paspoort van de Koninklijke Pruik-omslag (nms ) moet verkrijgen voordat hij zijn reis kan vervolgen om verslag uit te brengen aan Osiris.

2

%Ayt, betekenis onbekend

3

Zowel de lezing als de betekenis zijn onduidelijk.

4

Letterlijk ‘de Grote aanmeerder’; ‘moor’ is een veelgebruikte metafoor voor de dood.

5

#Afw, betekenis onbekend.

6

Vrij onduidelijk.

 313 1

 

VERANDERD IN EEN VALK.

Osiris: Kom in vrede, o mijn zoon Horus: zo spreekt Osiris. Je zult mij zien met mijn grote atef-kronen die Re mij gaf en die Atum en de Enneaden voor mij vastzetten, tevreden daarover.
Je zult mij zien, mijn zoon Horus, zittend voor […] met mijn uraei op mijn voorhoofd en mijn atef-kronen op mijn hoofd, mijn staf in mijn greep en mijn mes in mijn hand, mijn beeld van de Waarheid op mijn schouder, en kromming onder mijn voeten.
Ik bevestig [machten], ik [bevorder] posities, ik dwarsboom mijn vijanden die zich tegen mij zullen verzetten, omdat ik verschenen ben als heerser [van de hemel] en koning van de aarde, en mijn vijanden vallen van angst wanneer zij mij zien.
Ik ben verheven in mijn grote atef-kronen die in Ninsu zijn, en ik ben inderdaad uw vader, o mijn nageslacht op aarde.
Moge u mijn machten vestigen, moge u mijn heerschappij vergroten onder hen die hun machten [aan u] schenken en die de heerschappij van hen voor u vergroten. Dood en dwarsboom uw vijanden.
Atum: O Thoth-zo zegt Atum-reis voor ons naar het Eiland van Vuur, zie Osiris voor ons, want je zult hem vinden in Ninsu.
Ik heb ontzag voor hem gezaaid, ik heb eerbied voor hem gecreëerd; geef mij zijn kroon terug, want jij bent de god voor de bescherming van Osiris.
Thoth: Zie, ik ben gekomen, zo zegt Thoth (tegen Osiris), en ik heb u waarheid en vreugde gebracht, ik heb u macht en rechtvaardiging gebracht.
U hebt overwonnen uw vijanden, de liefde voor u is in de Bark van Vlees, een mooie herinnering aan u is in het Kasteel.
Ik zal u de levensduur van Re die daarboven is schenken, ( … ) Ik zal ontzag voor u in Ninsu plaatsen, [en ook] het ontzag voor Re die in Ninsu is.
Ik zal u offers in Memphis schenken, [ik] zal uw feesten in On herhalen, ik zal voor u de paden van de Onderwereld openen, ik zal vrees voor u in Djedu zaaien, ik zal uw kroon in Abydos opnieuw schenken, en ook de kroon van Re die in Thinis is.
Wie zich in de hemel tegen u keert, zal (gedoemd) zijn (tot) de slagkracht van uw kroon.
Wie zich op aarde tegen u keert, zal (gedoemd) zijn tot de slagkracht van uw majesteit.
Zij die vanuit het zuiden tegen jullie optrekken, zullen worden verdreven door Satis, Vrouwe van Elephantine, die hen zal beschieten met haar pijlen, die pijnlijk en scherp zijn.
Zij die vanuit het noorden tegen jullie optrekken, zullen worden verdreven door Hekes en Hephep.
Zij die vanuit het oosten tegen jullie optrekken, zullen worden verdreven door Sopd, Heer van het Oosten, en zij zullen worden verdreven met jullie messen in hun lichaam.
Zij die vanuit het westen tegen jullie optrekken, zullen worden verdreven door Ha, Heer van het Westen, en zij zullen worden verdreven door de slagkracht van Atum tijdens zijn opstijgingen vanaf de horizon.
Ik heb uw vijanden in boeien geslagen en de Schorpioen in ketenen gelegd, zo spreekt Thoth tot Osiris.
Ik ben gekomen om opnieuw te doen wat goed voor u is, ik zal de Waarheid voor u doen herrijzen, ik zal u verheugen met wat u verlangt, want ik heb uw vijanden voor u verslagen, onderworpen en geveld, ik heb voor u degenen verdreven die tegen u in opstand kwamen, ik heb hen afgeslacht, ik heb hen gehinderd, en ik ben opnieuw tegen hen verschenen.
Ik heb u rechtvaardiging gegeven in de Twee Conclaven en vreugde in de Twee Enneaden, ik heb een mooie herinnering aan u geplaatst in het Kasteel, ik heb de liefde voor u gevestigd op het Eiland van Vuur, precies zoals Re voor u bevolen heeft.
Horus: O Thoth, jij zult voor mij doen wat je voor Osiris hebt gedaan, zodat ik zegevier en jij mijn vijanden kunt verslaan.
Want ik ben het nageslacht van Osiris, ik ben Horus, zoon van Osiris, geboren uit de goddelijke Isis.
Ik ben koning in Chemmis, mijn gelaat is gevormd als dat van een goddelijke valk; ik heb mijn Oog in vlammen geschapen, ik ben waakzaam, en mijn Heilig Oog is verenigd met zijn Heilig Oog.
Ik heb mijn Oog gemaakt, een levende slang…
Er zal voor mij meer gedaan worden dan voor hem gedaan is; mijn naam is als zijn naam, mijn gedaante is als zijn gedaante, mijn vijand is bang voor mij, hij is op zijn gezicht gevallen; hij ziet mij met mijn gelaat gevormd als dat van een valk.
Mijn gedaante is als die van Re […] die in On zijn; Thoth [is hij] die hen vastzet bij mijn troonsbestijging.
Ik in de gedaante van Horus vanwege de gedaante van [Re …:] zo zegt Re-Atum over mij, omdat ik mijn gezicht zie als zijn gezicht.
Mijn gedaante is als zijn gedaante als een goddelijke valk, ik heb de goden met mijn handen geslagen, ik heb ze met mijn tenen [geschopt(?)].
Ik heb ze met mijn vingers gekneusd(?) en ik heb ze met mijn nagels vastgegrepen, omdat mijn kracht [groter is] dan die van hen in mijn avatar als Horus, de grote van kracht.
Ik ben hij die tot hen sprak(?), namelijk Shu [en Tefenet], Horus en Nut, en Thoth en zijn tribunaal; mijn Oog is sterker dan hun kracht.
Ik vertrok bij mijn geboorte en ging op koninklijke wijze verder met mijn uraeus op mijn voorhoofd, mijn grote atef-kronen op mijn hoofd, mijn staf in mijn greep en mijn mes in mijn hand; mijn lokken zijn op mijn […], de contouren van mijn mond zijn die van de kop van een gier, mijn gezicht is gevormd als dat van een goddelijke valk, zoals de vorm van Re […].
Ik ben heerser geworden van de Twee Oevers, ik heb de tronen van Horus geërfd, ik heb bezit genomen van de horizon van Khopri, ik zit op de troon van mijn vader Onnophris door het woord van Re, door het bevel van Geb en door de bevestiging van Thoth, en de Twee Conclaven zijn er blij mee, de hemel viert feest, de aarde juicht, en de Enneaden verheugen zich over het geluid van de storm van de Blaasvogel.
Ik ga verder als de gerechtvaardigde Horus in mijn avatar als Horus; mijn naam is als zijn naam, mijn gedaante is als zijn gedaante.
Osiris: Ik ben Osiris, zoon van Geb, de opvolger van Re; mijn moeder is in de Bark van Vlees, en ik zal niet sterven, ik zal niet vernietigd worden, ik zal niet uitgeroeid worden, en mijn naam zal niet uitgeroeid worden.
Ik zal niet uitgeroeid worden, want ik zal voor eeuwig in dit land zijn.

1

Zie JEA 58, 9I voor een bespreking van deze bezwering.

 314

 

Ik ben Osiris1, Stier van het Westen, Koning van hen die niet zijn.
Ik ben de god van de bescherming (?), ik heb voor jullie geslagen, ik heb over jullie naam gewaakt.
Ik ben de Enige in het tribunaal van de verdediging van Osiris tegen zijn vijanden, ik heb geoordeeld over hen die betrokken zijn bij jullie kwaad, o Osiris.
Ik ben de god die Nut baarde, die de vijanden van Osiris doodde en hen die tegen hem in opstand kwamen gevangen zette.
Ik behoor tot uw gezelschap, o Horus, (zelfs) u die voor mij strijdt en over mijn naam spreekt.
Ik ben Thoth, die Horus verdedigde tegen zijn vijanden op de dag des oordeels in het grote vorstenhuis in On.
(Ik ben) een man uit Djedu, zoon van een vrouw uit Djedu; ik werd verwekt in Djedu, ik werd geboren in Djedu toen ik bij de vrouwen was die rouwden en wenende om Osiris op de Eilanden van de Tweelingkinderen2, toen Osiris triomfeerde over zijn vijanden – zo zegt Thoth tegen Re.
Moge ik zegevieren over mijn vijanden – zo zult u tot Thoth zeggen.
Moge ik bij Hu3 zijn op de dag van de kleding van Teshtesh, wanneer de kruiken voor de wassing van de mysterieuze Ongevoelige worden geopend op de dag van het verbergen van de mysteries van de diepe plaats in Rostau.
Moge ik bij Horus zijn op de dag van het begroeten van de [linker]arm van Osiris die in Khem is.
Moge ik binnengaan en met de vurige slang meelopen op de dag van het verdrijven van de rebellen uit Khem.
Moge ik bij Horus zijn op de feestdag waarop de offers in On worden herhaald op de Feesten van de Zesde en de Zevende Dag.
Ik ben de priester van Djedu op de dag van het verheffen van wat hoog moet zijn.
Ik ben de profeet van Abydos op de dag dat de aarde vreugdevol is.
Ik ben hij die het geheime in Rostau ziet.
Ik ben hij die het rituele boek van de Ram in Djedet leest.
Ik ben de sem-priester, de…4 van de Hnw-bark op zijn slee.
Ik ben hij die zijn baard afneemt op de dag van het openbreken van de aarde in Ninsu.
O jullie die de volmaakte zielen dichter bij het Huis van Osiris brengen, geef mij brood en bier in alle seizoenen, (namelijk) wat de zielen die tot het Huis van Osiris behoren behaagt.
O gij die wegen opent en paden baant voor de volmaakte zielen in het Huis van Osiris, open wegen en paden voor mijn ziel naar mijn graf.
Zij zal vrij en veilig het Huis van Osiris binnengaan, want niemand zal haar daarvan weerhouden.
Zij zal er bevoorrecht en geliefd binnengaan, zij zal gerechtvaardigd worden, haar opdracht zal worden uitgevoerd in het Huis van Osiris, want de erfenis van de troon van de Twee Oevers is bevestigd voor de zoon van de heer ervan.

1

Er is geen samenhangende volgorde in deze bezwering. Eerst wordt de overledene geïdentificeerd met Osiris; vervolgens is hij een kampioen van Osiris tegen zijn vijanden (94b e.v.). In 94q verschijnt hij in de rol van Thoth, zoals in BD Spreuk I, maar in 94r e.v. doet hij een beroep op Thoth om hem te laten zegevieren over zijn vijanden. In 95i e.v. verschijnt de overledene in verschillende priesterlijke gedaanten, terwijl hij in 96a e.v. een beroep doet op degenen die waken over de volmaakte zielen om hetzelfde voor hem te doen, en in 96e e.v. treedt zijn ziel het Huis van Osiris binnen en worden zijn bevelen uitgevoerd alsof hij de troonopvolger van Egypte is. De hele bezwering wekt de indruk een compilatie te zijn van fragmenten uit verschillende bronnen.

2

Onbekende locatie

3

God van gezag.

4

Wrnw, betekenis onbekend.

 315

 

Het geluid van vreugde klinkt in het rijk der doden, en zij die in de Onderwereld zijn, genieten van vrede – zo zeggen zij tegen N.
Zij die in hun graven liggen, zijn blij vanwege N, want u bent de grote god die in de hemel is, te midden van de goden.
Daal neer tot mij1, o N, want de poorten van de paden van de Onderwereld staan ​​voor u open; ik heb u ontzag ingeboezemd in Djedu en uw offers gebracht in Memphis, ik zal uw feesten herhalen in Abydos.
Ik heb uw vijanden voor u geveld, ik heb voor u hen verdreven die tegen u in opstand kwamen, ik heb Seth voor u afgeweerd, ik heb zijn bondgenoten voor u bespot, ik heb u rechtvaardiging gegeven in de Twee Conclaven, ik heb een eerbiedwaardige herinnering aan u geplaatst in het Kasteel der Groten die in het Grote Heiligdom verblijven, ik heb uw liefde in de Onderwereld onder de geesten gevestigd, zoals Re mij bevolen heeft te doen voor u.

1

‘Mij’ is vermoedelijk Osiris.

 316

 

HET VURIGE OOG VAN HORUS WORDEN.
Ik ben het vurige Oog van Horus, dat verschrikkelijk1 tevoorschijn kwam, Vrouwe van de Slachting, ontzagwekkend, die ontstond in de vlam van de zon, aan wie Re verschijningen in glorie schonk, wiens kinderen Re-Atum duurzaam maakten.
Wat Re over haar zei: Machtig is de vrees voor jou, groot is de ontzag voor jou, machtig is je slagkracht, groot is je magie in de lichamen van je vijanden, en de vijandige zijn voor jou op hun gezicht gevallen; alle mensen zijn door jou en door jouw macht in de slaap des doods geweest, en zij die jou zullen zien, zullen bang voor je zijn in deze krachtige gedaante die de Heer van de Enneaden jou heeft gegeven – zo sprak hij over mij2, zo zei de Heer van de Enneaden over mij. Ik ben het Oog van Horus geworden – en omgekeerd – ik ben inderdaad zij die schiet3 – en omgekeerd – ik ben zij die triomfeert, de metgezel van Re.
Zie mij, mensen en goden! Vrees mij en zaai ontzag voor mij op dat plateau van de Steen der Helderheid (?).
Zie mij, mensen en goden! Ik ben ontstaan ​​als de Vrouwe van Glorieuze Verschijningen, ik ben in glorie herrezen, ik heb mijn bestaan ​​duurzaam gemaakt, mijn vlam is achter mij, ontzag voor mij is voor mij, ik heb de goden overwonnen, en er is niemand die zich tegen mij kan verzetten – zo zeggen zij4 die voor de Grote Troon staan.
Wat is dit op de ochtend dat deze god5 komt?
De schimmen zullen niet beoordeeld worden, de plannen van de goden zullen niet worden uitgevoerd.
Kijk met jullie ogen, o oeroude goden die vroeger met de voorouders tot bestaan ​​kwamen, naar deze geest die hier gekomen is.
Hij is een vlam geworden, hij is het Eiland van Vuur binnengedrongen.
Ik heb mij tot hem gewend uit vrees voor de vurige uitbarsting van zijn mond – zo zeggen de oudsten die rond het heiligdom zijn.
Zend jullie ziel uit, opdat zij met haar ogen mag zien; zo is Horus wanneer hij in glorie is herrezen en zijn lichamelijke Oog heeft gevormd.
Zie, het is sterker dan welke god ook, het heeft bezit genomen van de Hau-nebut, en het is meer …6 dan welke god ook.
Zie mij, mensen en goden! Ik ben het vurige Oog van Horus geworden; het heeft mij zelf gevormd, het heeft KHnH; voor mij samengeweven, en Zij wier magie groot is, heeft mij verheven voor mijn zetel boven de goden; Overvloed, vader der goden, heeft mij bekleed.
Zij7 heeft zijn lichamelijke Oog gevormd, en zie, het is sterker dan de goden; er is niemand die zich tegen mij kan verzetten behalve Atum, omdat hij mij naar voren heeft geschoven( ?).
Ik verzamel mijn slagkracht, ik beheers( ?) mijn hitte( ?) — zo zei Atum.
Is het Enige Oog sterker dan de goden? Dat zeg ik tegen mijn vader Atum.
Kracht is uit jouw mond naar mij uitgegaan, en dat betekent dat ik Haar ben geworden, de sterkste onder de goden, en Seth is door mij gevallen, ik heb zijn verbond doen wankelen (?) vanwege datgene waardoor hij dwaalde.
Ik heb zijn boeien gedragen, het maandelijkse feest werd voor mij ingesteld, het halfmaandelijkse feest werd voor mij gevierd, ik proef niets kwaads, zoals de Heer van het maandelijkse feest, de vorst van de eeuwigheid.
Ik ben sterk en scherp van vlam, (zelfs) Zij die het huis sloot vanwege de Opgerolde, en de mijne is de spiraal van mijn Oog.
Ik ben Horus, die zijn Oog ophief, dat bezield, hoog en machtig leek; het verteert de rivier.
Voedseloffers zijn om mij heen, om mij heen, door die geest(?) die elke dode, man of vrouw, verbrandt(?) die zich tegen mij verzet.
Zie mij, mensen en goden! Ik ben het vurige Oog van Horus geworden.
Mijn angst heeft mij gevangen, mijn ontzag heeft mij in zijn greep, alles is mij in de hand van Nu gegeven.
Ik ben Zij die heerst over wat rood is, die de goden oordeelt, die sterk en machtig is, die haar vader beschermt.
Mijn kracht schuilt in mijn angst, mijn ontzag schuilt in8 mijn toorn (?).
Ik ben Hij die ervaring9 heeft (?) aan de grens van de Heer van Pe, de wiegende(?)10 van de Vrouwe van Unu.
Ik ben Atum geworden, het past goed bij mij als Horus, en het past goed bij elke god met wie ik ervaring11 heb (?).
Leven en kracht zijn mij gegeven aan de horizon, en elke god staat onder mijn invloed.
Ik ben een oerwezen12 van de aarde, gids van de Enige Heer, ik, de Hknwtt-slang van Harakhti.
Ik leef mijn leven, ik zal niet worden uitgeroeid en mijn naam zal in dit land voor altijd worden uitgewist.

1

Letterlijk ‘in angst’ in de zin van angst inboezemen bij anderen.

2

De overledene = het Oog van Horus.

3

Of Satis?

4

Letterlijk ‘in de uitspraak van’.

5

De overledene?

6

MHA betekenis onbekend.

7

Het Oog van Horus.

8

Letterlijk ‘behoort tot’.

9

Letterlijk ‘proeft’.

10

De uraeus(?). Let op het vrouwelijke geslacht.

11

Letterlijk ‘elke god van ik-heb-hem-geproefd’.

12

Vrouwelijk.

 317

 

DE NIJL WORDEN.
De hemel beeft en zij die erin zijn, buigen neer; zij zien het Volgen terwijl het rondgaat1, de goden1 brengen mij aanbidding.
Zij zeggen: Wie is de god die vandaag is ontstaan?3
Khopri is naar het Eiland van Vuur gekomen, ik, de goden, kom in zijn schip, hij brengt een geschenk aan de Heer van de Eeuwigheid.

Zij zien mij wanneer ik verschenen ben als de Nijlgod, de unieke macht onder de goden.
Ik zit aan het hoofd van de Enneade, en de goden6 komen voor mij buigen.
Ik doe wat ik wil, mijn gedaante is in de hemel, mijn rang is Nijlgod.
Zie mij, goden en geesten die in de hemel en in de woestijn zijn, vorm mijn navelstreng voor mij, maak mijn baard voor mij, want ik ben verschenen als de Nijlgod, zijn zoon en zijn opvolger; ik ga op mijn tijd en keer terug op mijn tijd.

Ik ben degene die voedseloffers en proviand brengt aan die koning, de heerser(?) van het Eiland van Vuur.
Ik ben de Nijlgod, de Heer van de proviand, die met vreugde komt, de geliefde; hij heeft mij zijn ziel gegeven, hij heeft zijn verschijningen voor mij vernieuwd, hij is degene die voor mij herboren is(?).
Ik ben op mijn troon verschenen, ik ben vergeestelijkt met wat mij toekomt, ik ben de geest van Horus, een bezitter van offers in de lagere Onderwereld.
Ik ben die Grote die de goden beschermt met betrekking tot hun gebak, de Oergod van de aarde.
Ik ben een sem-priester en een edelman, iemand die in het hart van de Heer van de Horizon is; ik ga op mijn vastgestelde tijden en keer terug op mijn vastgestelde seizoenen, in overeenstemming met zijn bevel.4
Ik ben een edelman onder de goden, en ik doe voor mezelf wat ik wil.

Ik ben de Nijlgod, Heer van de Wateren5, die vegetatie6 brengt, en ik zal niet door vijanden worden verdreven; het is Hij die verheven is, met een tas aan Zijn zijde, die mij deze rang heeft gegeven.
Ik heb jullie slachtingen voltrokken, goden, ik heb hen gevangengenomen die tegen jullie in opstand kwamen, ik ben tot Nijlgod verheven.
Zie mij, mensen en goden, kom in mijn gevolg, aanbid mij7, want ik ben verschenen als de Nijlgod die de mensen liefhebben, beschermer van de goden; de nrw-slangen8 verlaten hun holen voor mij, de stieren die in hun heuvels zijn, worden verstoord.
Aan mijn blik is geen grens, en er is geen verzet tegen mijn handen.

‘Hoe gelukkig is deze jonge god die Re met zijn macht heeft geschapen?’ zeggen de bewoners9 van de horizon over mij.
Ze zien mij in mijn positie als Nijlgod, want ik ben inderdaad de jonge god, ik ben degene die in de aanwezigheid is van de Oergod die ouder is dan de goden, en mijn zetel is prominent in de Boot van Re, midden in de lagere Onderwereld.
Ik ben gekomen10 om de Twee Landen groen te maken; ik ga naar de heuvels, ik beklim de hellingen, net zoals !Any dat voor zichzelf deed; ik zal niet worden teruggedreven in mijn gedaante als Nijlgod, en ik zal niet worden beperkt in mijn waardigheid als begaafde geest; het was Re die mij als zijn zoon schiep, hij boetseerde mij in steen.

Hij verheft mijn gedaante boven die van de goden, hij heeft mij aan het hoofd van zijn Enneaden geplaatst in mijn waardigheid als opvolger van Re.
Zie mij, o goden, volg mij in mijn gevolg, aanbid mij, want ik ben de Nijlgod die in zijn jaar is. Ik ben hier verschenen als god van het vlakke land en het heuvelland, ik heb de oever van de mATt gezien, ik ben verschenen als de Nijlgod, de Oudere die jullie beschermt.
Mijn bewegingen reiken tot aan mijn verlangen.
Daar komt de god die het land bewaakt – zo spreken de goden van de horizon11 over mij.

Ze zien me wanneer ik verschenen ben als de Nijl,12 met de zonmensen om me heen, om me heen, zoals Re toen hij geboren werd.
De waarheid wordt tot mij gebracht zoals tot Re, mijn vrouwen met gevlochten haar zijn als de kikkergodinnen,13 ik beheers de koekjes voor de goden, voedseloffers voor hen die op aarde zijn en aanroepingsoffers voor de geesten, ik zoet de geur van hun grotten, de krokodilgoden zijn in mijn gevolg geplaatst voor mij, en Neith bekommert zich om mijn vrouwelijke rouwenden.
Ik ben ouder dan die zeven oudere goden, eenzaam verborgen van gelaat in de aanwezigheid van de Heer der Eeuwigheid; ze zijn bang voor mij en volgen mij achter de geesten14 aan.
Mijn handen zijn sterk, ik schud op mijn lichaam, ik lijk op hen die (ooit) bestonden.

Zie mij, o goden; graan in mijn gevolg, aanbid mij, want ik ben de Nijlgod, ouder dan de Acht; het gevolg15 verheugt zich, en zij die in (mijn?) gevolg zijn, zijn gelukkig.
Ik ben toegejuicht door de Twee Conclaven, offers aan de goden zijn voor mij herhaald, zij zien mij wanneer ik verschenen ben als de Nijlgod; ik heb graan voor de koning in mijn waardigheid en mijn macht, en de boot van Re vaart in de bewolkte hemel.
Mijn handen zijn sterk, ik schud met mijn hoofd, ik heb de wonden van de grijsbehaarden afgesneden waarop zij die luid roepen staan, tegen wie actie wordt ondernomen op het Eiland van Vuur.

Wat betreft iedereen die onthoofd moet worden en zich tegen mij verzet; wat betreft iedereen die luid roept en zich tegen mij verzet; wat betreft elke god of rebel die zich tegen mij verzet of die ik op mijn pad aantref, de aSmw-geesten16 die voor mij17 staan ​​zullen hem grijpen, de Aqdw-geesten die achter mij staan ​​zullen hem verslinden, want ik ben Khopri die zichzelf geschapen heeft, ik ben de essentie18 van Re geworden; hij heeft mij degenen gegeven die achter zijn macht staan ​​en er is niemand die mij zal durven trotseren.
Ik ben de Nijlgod die handelt zoals hij wil, Heer van de Vloed die tevreden maakt, en ik rust aan de rand van de horizon; ik geef mijn water, en Nut staat achter degenen die het water doordringen.
Mijn Hof is op de heuvels, ik ben degene die verheven is over zijn Twee Landen, ik ben Khopri die zichzelf geschapen heeft.

Zie mij, o goden; ik kom aan in mijn gewaad en aanbid mij; zie mij in deze mijn zeer grote waardigheid, met mijn scepter rustend op mijn goddelijke arm en mijn staf in mijn edele hand.
De edelen worden als goden19 in mij opgenomen, ik zit voor de Groten als de gehoornde Re.

Zie mij, ik schijn in de zonsopgang, ik ben ontstaan ​​als het zaad van de Stier van het Westen, ik ben vandaag uitgegaan in de Bark van Re, de Onvermoeibare Sterren20 sidderen voor mij in de Jakhalzen, en de goden aanbidden mij wanneer zij mij zien in mijn goddelijke waardigheid.
Thoth heeft de leiding over wat voor mij wordt uitgevoerd; zijn feestoffers rusten op zijn handen,21 hij schenkt mij macht, hij maakt de ontzagwekkende eerbied voor mij blijvend, hij ziet de kinderen der goden in mij, hij zorgt ervoor dat mijn naam bij hem voortleeft wanneer ik verschijn.

Zie mij in mijn gedaante,22 want ik ben de oudste van de acht Nijlgoden, de oergoden.
Ik verschijn als een edelman, ik stijg vandaag op uit Elephantine, en zij zien mij als een god, bewapend met zijn macht en onder de goden.
Graan is aan mij en mijn gevolg gegeven door de Grote die in zijn hal woont, en proviand behoort mij toe, voedseloffers zijn voor mij bereid en presentatieoffers dalen tot mij neer.
Ik ben een waakzame, die mijn gezicht opheft, ouder dan zij die in de Aanwezigheid zijn.
Ik ben ontstaan, een die niet door een vulva is gemaakt, die niet door een baarmoeder is gedragen.23
Zie mij, o goden; kom in mijn gevolg, aanbid mij, want ik ben de Oergod van de aarde.

1

%msw wordt hier opgevat als een enkelvoud, vermoedelijk de ‘Volgelingen van Horus’ beschouwd als een eenheid. Dit is een lange en moeilijke spreuk.

2

S1C heeft ‘de goden, zij geven mij’, zonder object.

3

Variatie S1C msy ‘die geboren is’.

4

S1P en B2L laten de verwijzing naar tijden en seizoenen weg.

5

Zo ook S1C; variaties SIP en S2C ‘Heer van de Offerandes’; B2L ‘die offers brengt’.

6

Variatie B2L ‘die vegetatie maakt’.

7

Variatie SIC ‘de goden aanbidden mij’.

8

Zo ook S1C; de vermelding van ‘grotten’ suggereert dat dit waarschijnlijker de oorspronkelijke lezing is dan de kleurloze wrw ‘groten’ van S1P en S2C.

9

Variatie ‘de Enneaden’.

10

Variatie S1C ‘Ik ben vandaag gekomen’. B2L heeft ‘Ik ben gekomen en de Twee Landen zijn groen’.

11

Zo ook S1C; S1P ‘zo zeggen de geesten en de Enneaden’; B2L ‘zo zeggen de bewoners van de horizon’.

12

S1C blijkbaar ‘kom en zie mijn waardigheid als Nijlgod’; B2L ‘zij zien mij in mijn waardigheid als Nijlgod’.

13

Vgl. het Bijbelse verslag van de kikkerplaag. De volgende acht zinnen staan ​​alleen in B2L.

14

Na deze zin komen de andere teksten weer terug.

15

Variatie ‘het gevolg van Re’; ‘de Enneaden van Re’.

16

Blijkbaar een klasse van geesten of ‘djinn’.

17

Variatie B2L ‘die op mijn mond zijn’.

18

Letterlijk: ‘wat eruit geperst wordt’.

19

Variatie S1P: ‘voor mij zijn mannen als goden uitverkoren’.

20

Variatie S1C: ‘de onvergankelijke sterren’.

21

S1C en B2L verschillen van de andere teksten en van elkaar. S1C: ‘zijn feestoffers zijn op zijn handen, wat goddelijk is, is op zijn goddelijke handen’; B2L: ‘feest is in zijn goddelijk feest’.

22

S1C: ‘zie mij, o goden, in deze verschijningen van mij’.

23

S1C: ‘die niet door een stier is gevormd, die niet door een baarmoeder is gemaakt’.

 318

 

Mijn magische kracht ontstond binnen de grenzen van hemel en aarde,1 want ik ben de Nijlgod, en de Nijl ontstond binnen de grenzen van de aarde.
Ik ben degene die voor de grote en machtige goden staat, ik ben degene die offers brengt aan Osiris in de grote vloed, en die vloed stroomt over mij heen.
Ik ben de Nijlgod in de grote vloed die stroomt voor de Nijl.
Ik wekte magie op bij de opkomst van de Grote,2 ik verdeelde de vegetatie, ik maakte de verdroogde vegetatie weer groen, ik brak de dammen van de overstroming af, ik brak de waterpoelen van de veldbewoners af terwijl ik in dit land was, binnen de grenzen van alle vlaktes.

Ik, de unieke, kwam en voegde me bij de Twee Broers, en ik was het die voor Osiris zorgde op de dag dat zijn moeder hem3 baarde.
De dorsvloeren bloeien voor mij op de wallen van mijn paden.
De groten en kleinen die zich in de Onderwereld bevinden, zijn tevreden met mij, want ik was het die de Onderwereld schiep, terwijl het hoofd van Horus bij dat van Seth bleef – en omgekeerd.
Ik was het die het Oog van Horus overstroomde met de Nijl, die de dochter van Hem die bevrijd was, ervoor gaf.

Ik ben Khopri in al mijn verschijningsvormen en krachten, al mijn geesten en manifestaties.
Ik kom, en harten zijn tevreden; ik maak gezond, en de Twee Landen worden gevoed.
Van mij is het overstromingsseizoen, van mij is de zomer; ik ben hij die het uitgaan van deze vlam op mijn mond heeft geschapen; de overvloed aan vocht is mijn manifestatie, de winter is het zweet dat uit mijn lichaam vloeit, ik ben hij die het maandelijkse festival viert.
Zo zijn de Volgelingen van Re, zo zijn mijn boodschappers van de nacht, en zo ben ik geheel – en omgekeerd – omdat dit land voor mij bloeit in de mate die ik verlang.
Deze hemel zal de plaats zijn van mijn hart dat mij heeft gevoed en grootgebracht,4 de hele aarde staat onder mijn schaduw, want ik ben de Nijlgod en ik zal niet minder worden.5

1

B2L en B1P laten de verwijzing naar de aarde weg en schrijven mxpr.n.i  zonder HkA .

2

B2L en B1P ‘Ik heb de Grote samengebonden’.

3

Variatie: ‘op de dag waarop hij geboren werd’.

4

Deze deelwoorden zijn mannelijk, vermoedelijk in overeenstemming met ib.

5

Letterlijk: ‘mijn kleinheid zal niet zijn’; d.w.z. de Nijl zal niet opdrogen.

 319

 

Ik ben deze Nijlgod die komt en gaat naar zijn wil, en niemand kan hem van zijn wens afbrengen; Heer van de adem(?); Soeverein van de eeuwigheid, die de goden doet buigen voor de Heer van de eeuwigheid; die zijn keel opent en de spelonken van de goden openwerpt; van wie Atum in vrede en in …1 bezit heeft genomen.
Wat ik met hem heb gedeeld, zijn al zijn bezittingen en alles wat hij maakt; ik ben het vlees van Thoth die de Groten trotseerde; ik zal komen en vernietigen, ik zal gaan en orde scheppen, en dat is wat mijn woorden zullen doen, want ik ben de Nijlgod.

1

%t skt im.f is vrij onbekend.

 320

 

Ik ben de Nijlgod die voedsel verschaft, Hu1 die geeft wat uw naam verlangt(?).
O jullie die de hemel oversteken(?), ik heb hem gehoord die komt.
Kom binnen in de poort(?) van het gepeupel aan de oevers van Horus, terwijl ik in mijn waardigheid ben als Heer van de Wtnw  en Soeverein van de Enneade.
Ik ben iemand die groot is, een ziel aan het hoofd van de zaken namens de god, iemand die begunstigd wordt door de Heer der goden, groots van verschijning,
Heer van de Wtnw in de Benedenpoort, wandelend in overeenstemming met mijn wil, die komt op mijn vastgestelde tijden en seizoenen.
Ik laat gras groeien, ik voed het rijk(?) van Neder-Egypte, ik maak offers voor de goden, ik maak Re tevreden in de vloed van de Wtnw; een zeeman die navigeert2 in de wolken van de hemel in gezelschap van de Volgelingen van Re, Satis(?)3 is in mijn boot en geeft mij bescherming; Haar zoon Horus bevindt zich in de boeg van mijn boot en boezemt mij ontzag in, overeenkomstig mijn waardigheid als Heer van de eeuwigheid en Soevereine Heer van de Wtnw.
Ik ben Hij die schept wat is en die tot bestaan ​​brengt wat niet is.
Ik spreek, en Hu ontstaat; Hij zal komen, veelvoudig zijnde(?). Iemand die namens de goden de geboorten beheert, iemand die begunstigd wordt door de Heer der goden, terwijl de zetels van de Wtnw zich binnen de poort van Khnum4 en Heket bevinden; zij verkondigen mij over de Twee Oevers, en ook de feesten die (gedeeld) worden onder(?) de Heren van de hemel; zij tonen mijn majesteit over de Twee Landen.
Ik heb de Twee Oevers overstroomd, en mijn ziel kruipt over de hemel over de Twee Landen.5
O jullie plebejers, zie mij, want ik ben de Nijl die de geboorten beheert, die schept wat is en die tot bestaan brengt wat niet is.
Plant respect voor mij in, want ik ben Hij die tot jullie zal komen met deze stralende(?) ziel.6

1

De god van het voedsel, niet te verwarren met de personificatie van ‘autoriteit’.

2

Letterlijk: ‘de zeeman, hij navigeert’.

3

Kennelijk een godin. De volgende verwijzing naar ‘haar zoon Horus’ suggereert dat Isis bedoeld is, maar de verwijzing naar Khnum in 145f wijst erop dat dit een schrijfwijze van de naam Satis kan zijn.

4

De associatie met Heket laat zien dat dit de naam van de god is.

5

Een toespeling op regenwolken die over de hemel trekken?

6

Of ‘deze ziel van de stralende’.

 321

 

O goden van de Enneade, kom achter mij aan en schenk mij mijn macht, wek ontzag voor mij op, want jullie kennen hem die vroeger in het rijk van de hemel1 was.
Ik ben de Nijlgod die in vreugde komt, innig geliefd, Soeverein der Machten, god, Heer van al wat hem2 toebehoort.
Lof en toejuiching worden mij gegeven, want er is niemand die kan scheppen wat hij nodig heeft uit mijn voedseloffers, er is niemand die zichzelf kan voeden met mijn proviand, want ik ben de Nijlgod, met een weidse blik, die de goden schiep; Soeverein van de kikkergodinnen; verheven god, mysterieus van …3, en alle goden leven volgens mijn decreet.
Ik heb mijn macht over de landen doen komen, en wanneer die komt, groeit het gras, bloeien de goden op, de hemelse runderen … 4, terwijl mijn ziel over de hemel naar Horus komt, die heerst over On.
Re verheugt zich over mij in gezelschap met Hem die in zijn schip is; hij handelt in overeenstemming met mijn natuur, die hij openbaart aan de goden die vóór hem tot stand kwamen.
Ik ben … voor hem in de volle omvang van zijn goederen die tot stand zijn gekomen.
Inderdaad ken ik de Enige, die daardoor veredeld5 is, en zijn ziel is machtiger dan de goden; hij heeft alles geschapen, hij heeft geslachtsgemeenschap gehad en het orgasme bereikt.
Ik heb mezelf omgedraaid… jij, de mijne is hij die mijn kronkels aangenaam maakt(?), die zijn plaats inneemt in mijn kronkels.
Zijn woorden komen voort uit zijn eigen hart, hij is rondgegaan in het gezelschap van Shu op de kringloop van Autoriteit6 en Waarneming, die hem7 ondervroeg.
Autoriteit en Waarneming zeiden tot hem: Kom, laten we gaan en de namen van die kronkel daar maken in overeenstemming met wat uit zijn hart kwam, zelfs van hem die eens met Shu rondging, want hij is zijn8 zoon die zichzelf heeft gevormd.
Zo zei Atum tot de goden: Wat ik in de hemel zeg is: ‘Laten we de namen van … maken, laten we zijn macht herhalen samen met mijn eigen(?) macht.’ Ik ben de Heer der goden, ik ben de Nijlgod, en ik zal nooit moe worden.

1

Nogal onduidelijk, zoals veel andere dingen in deze bezwering.

2

Letterlijk misschien ‘zijn alles’, hoewel men eerder tm dan tmt zou verwachten.

3

Idt , betekenis onbekend.

4

%yT, betekenis onbekend.

5

Waarmee? De hele passage 147b is zeer onduidelijk.

6

Hu is hier niet de god van het voedsel; de combinatie van Hu en Sia is welbekend.

7

Het verband tussen 147g-1 en wat eraan voorafging is geenszins duidelijk, en het is mogelijk dat er ergens een tekstuele weglating is geweest.

8

Van Shu.

 322

 

KHENTI-KHEM WORDEN.
Ik ben Khenti-khem, de heerser over Khem, een machtig verschrikkelijke en zeer majestueuze.
Ik ben de Gouden Valk die dingen grijpt in de leegte van de hemel, die eet in de puinhopen van Horus.1
Ik ben een ziel die zijn navelstreng opeet, die leeft van zijn vrienden van zijn voorhuid en die eet van zijn metgezellen.
Ik ben iemand die ’s nachts reist en zich overdag verbergt; ik ben eenzaam, zonder metgezel; ik ben een wilde stier, de vechter van het Krokodillengebied,2 wiens achterpoten op de berg zijn en wiens voorpoten op de Nijl, die daar … sloeg, die voor mij onder mijn linker sandaal zijn geplaatst.
O jullie die Horus liefhebben, mijn vader heeft mij geschapen, en er is niemand zoals ik …3

1

Dat wil zeggen, de aasvogel die zich voedt met de slachtafval van het slachthuis.

2

De laatste twee woorden zijn een geval van eerbiedige omwisseling.

3

Volgens S1Cb als de minst onbegrijpelijke tekst. De betekenis van sp.f aan het einde is niet duidelijk, maar zou kunnen betekenen: ‘(er is niemand zoals ik) overgebleven’.

 323

 

OM TE OPENEN WAT GEBLOKKEERD WAS.

O jullie die je armen uitstrekken, o armen, pas op! Pas op!
O jullie die de Onbegrensde kwaad willen doen, blijf ver van mij, want ik ben een tbsw-plant.1
Open voor mij de deuren van Hem die ziet, open voor mij de bewegingen van de grote en pure Zonnegod die Hij is die de dagelijkse glans van Re doet.
Open dit voor mij.

1

De tbsw-plant wordt in Peas. R31 genoemd als een product van de Wadi Natrun.

 324

 

OM TE OPENEN WAT GEBLOKKEERD WAS.
Wat Horus betreft, wordt zijn gespleten speer die hij gebruikt ingezet(?)1. Ik ben Horus, ik ben gekomen met mijn boor(?).2

1

De interpretatie van ipt is speculatief en hangt uitsluitend af van de context.

2

+Aw wordt opgevat als een speervormig werktuig dat gaten (det. 0) boort door een obstakel heen. Ook dit is een speculatie, ik kan geen parallel noemen.

 325

 

 HU WORDEN.1
Het Oog van Re-Atum verschijnt in de bbt -plant, het Oog van Re-Atum verschijnt in de dadelpalm – en omgekeerd.2
Hij verschijnt in de Opening, een Macht die zich verzette tegen de Machten die sterker waren dan hij.
Hij bedwong het Oog toen het woedend en vurig was, opdat hij de Groten zou leiden en macht over de goden zou hebben, opdat hij het uur3 zou maken, want Shu heeft hen gereinigd die in de war waren, hij zal de harten van hun stieren4 halen.
Wat hij heeft gezegd, is dienovereenkomstig gedaan, en hij heeft een reiniging verricht in de aanwezigheid van Re in de nacht.
Aan mij behoort gezaghebbende uitspraak; wat ik zeg is goed, mijn uitspraak is goed, en wat ik zeg wordt dienovereenkomstig gedaan.
Ik ben Hu, Heer van gezaghebbende uitspraak.

1

Variatie @kA  ‘Magie’, waaruit blijkt dat Hu hier een gezaghebbende uitspraak personifieert en niets met voedsel te maken heeft.

2

A1C + G1T hebben: ’toen het Oog van Atum hoog op de dadelpalm stond’. Deze twee teksten voegen hier toe: ‘Hij geeft Hu aan Nyw zodat hij macht door hen kan verkrijgen’.

3

Een onduidelijke uitdrukking. G1T en A1C voegen eraan toe: ‘Shu is daar om de hemel te verheffen, hij onderwerpt de Vernietiger’.

4

De prospectieve vorm int van G1T suggereert dat hier de toekomst bedoeld is. De werkelijke betekenis van deze zin is vrij onduidelijk.

 326

 

HORUS WORDEN.
Er is tumult in de hemel,1 en we zien iets nieuws,2 zeggen de oergoden.
Re schijnt3 als Heer van het zonlicht,4 hij heeft de heren van de verschrikkelijken angst ingeboezemd (?), de Enneaden van Re dienen hem; zij horen de stem van Re wanneer hij met een stem van groot gebrul schreeuwt.
Ik heb bezit genomen van de hemel, ik heb het firmament5 verdeeld, ik zal de paden van Khopri tonen, en de bewoners van de Onderwereld zullen mij volgen. Ik schijn en word gezien in het oosten van de hemel, ik ga rusten in de eeuwigheid, en ik krijg lof wanneer ik bezit heb genomen van de horizon.

1

Variatie: ‘de noordelijke hemel’.

2

Variatie: ‘er verschijnt iets nieuws in ons zicht’; ‘deze N heeft gezien wat wij zien’; ‘ik heb iets nieuws gezien’.

3

Variatie: ‘N schijnt’, ‘N verschijnt’.

4

Variatie: ‘als Horus’; ‘als het zonlicht’; ‘als Horus, Heer van het zonlicht’.

5

Op dit punt splitst Sq6C zich weer af: ‘N heeft de Sistrum-speler gegrepen, en N zal de Sistrum-speler voor altijd gebruiken, N zal Sia aan N’s voeten vestigen’.

 327

 

WAARDOOR N ZICH IN HET WESTEN VERHEFFT.
De Nijl stroomt binnen en vult de weiden, de valleien zijn afgesloten, Osiris is inert (?), N wast zich erin.
Zijn brood kan niet beschimmelen, zijn bier kan niet bederven, N richt zich op zijn linkerzij, terwijl hij op zijn rechterzij ligt; hij slaat met zijn staf, hij regeert met zijn roede, N’s armen brengen (iets) naar hem toe in de Grote Bark.1

1

Variatie: B4B0 ‘N’s armen(?) brengen [ … ] van de Grote, N bevindt zich in de boeg van de bark van de Grote God’.

 328

 

N verschijnt voor het Tnnt-heiligdom, de bark wordt voor N vastgebonden bij de trap, N gaat omhoog aan de kant van het Grote Oosten, N gaat omlaag aan de kant van het Grote Westen, N slaat met de scepter en regeert met de staf, N wijst de weg naar de oever van het zenit (?), N brengt de waarheid aan Re.

 329

 

IK WORD SCHRIJVER VAN HET OFFERVELD VOOR OSIRIS.
Mijn twee voorraadkisten (?) bevinden zich tussen de offergaven.
Aan mij behoren de mannelijke en vrouwelijke dienaren van Osiris, ik ben de schrijver van de voorraadkist (?) van het Offerveld naast Thoth onder hen die offergaven brengen.

 330

 

NEPER WORDEN.1
Ik ben Hu2 binnengegaan, offers zijn uitgegaan en het gaat goed met mij, want mijn zus is in mijn aanwezigheid.
Het is goed voor de vliegen en (?) de slangen van je vader3, mijn vader…4 goede offers in de lucht.
O Orion, mijn vader en mijn moeder zijn naar mij gebracht.
Ik ben uit Hu weggegaan, ik ben Hu binnengegaan, ik ben uitgegaan van de Grote Slachter, ik heb hun groei weggenomen (?) overdag en ’s avonds vanwege het lawaai van het land wanneer het beeft.
Jij zult hen die in de banden van Shu zijn, doen beven, en Shu neemt zijn toevlucht tot de inerte (?).
Ik leef en ik sterf, ik ben Osiris, ik ben door jou in en uit gegaan, ik ben door jou dik geworden, ik bloei door jou, ik ben door jou gevallen, ik ben op mijn zij gevallen, de goden leven van mij.
Ik leef en groei als Neper5, die door de geëerden gekoesterd wordt, die door Geb verborgen wordt.
Ik leef en ik sterf, want ik ben emmer, en ik zal niet vergaan.
Ik ben de waarheid binnengegaan, ik heb de waarheid hooggehouden, want ik bezit de waarheid.
Ik ben in waarheid voortgegaan en mijn gedaante is verheven, ik ben hij die vooraanstaand is in het heiligdom.
Ik ben de waarheid binnengegaan, ik heb haar grens bereikt.
Ik ben Ptah, mijn meest vreugdevolle pad is bereid, ik ben in en uit gegaan, ik heb de winden op aarde viermaal afgesneden.

DIT MOET GEBEUREN […].6

1

De god van het graan. Dit is een zeer obscure en moeilijke bezwering, maar het lijkt erop dat de overledene wordt geïdentificeerd met graan dat leeft en sterft.

2

In deze context zeker de personificatie van voedsel.

3

Volstrekt onbegrijpelijk.

4

Opnieuw volledig obscuur.

5

S2C voegt toe: ‘Ik ben Neper’.

6

Een afsluitende rubriek, alleen in S1Ca en S1Cb. Deze is grotendeels verloren gegaan.

 331

 

HATHOR WORDEN.
Ik ben Hathor, die haar Horus brengt en haar Horus verkondigt; en mijn hart is de leeuwengod, mijn lippen zijn de …, er is geen grens aan mijn blik, niemand kan mijn armen omarmen, elke god zal zich voor mij neerleggen.
Ik ben verschenen als Hathor, de Oergodin, de Vrouwe van Alles, ik die leef van de waarheid; ik ben de uraeus die leeft van de waarheid, die de gezichten van alle goden verheft, en alle goden zijn onder mijn voeten.
Ik ben Zij die zijn1 schoonheid toont en zijn krachten verzamelt, ik ben dat Oog van Horus, de vrouwelijke boodschapper van de Enige Heer, van wie er nooit meer een zal zijn.2
Waarlijk, ik ben Zij die zijn naam heeft gevestigd.
Ik heb gebloeid, ik ben ontstaan ​​voordat de hemel werd gevormd, en die prijst mij; voordat de aarde werd vrijgelaten en die verheft mij, terwijl ik uw3 speeksel en uw spuug zoek; zij zijn Shu en Tefenet.
Ik heb gezocht en gezocht, en zie, ik heb gehaald (wat ik zocht); kom met mijn hoorns en toon mijn schoonheid; ik kom met mijn gezicht, en ik zal u verheffen.
Ik heb allen met mijn handen geslagen in deze mijn naam van Hathor; ik heb mijn tranen gegeven.
Ik breng (hen) tot orde in deze mijn naam van Zij die alles tot orde brengt; ik breng warmte voor hen in deze mijn naam van Shesmetet.
Zo ben ik; ik ben Edjo, ik ben inderdaad de Meesteres van de Twee Landen.

1

Vermoedelijk van Horus.

2

Letterlijk ‘die niet herhaald mag worden’. De verwijzing is naar de ‘Enige Heer’ = Osiris.

3

Van Horus.

 332

 

Ik ben een nrt-slang, een ziel in de bark ‘Orderaar van macht’.
Ik ben meesteres van de roeiriem in de Bark van Bestuur.
Ik ben de meesteres van het leven, de slangengids van de zonneschijn op heldere paden.
Ik ben zij die de touwen [op?] de stuurriemen op de westelijke wegen versterkt.
Ik ben de derde, meesteres van de helderheid, die de groten leidt die loom zijn op de paden van de waakzamen.
Ik ben de meesteres van de pracht op de paden van de bewolkte hemel.
Ik ben meesteres van de winden op het Eiland van Vreugde.
Ik ben de meesteres van de kracht die hen leidt die zich in hun holen bevinden.
Ik ben Hathor, meesteres van de noordelijke hemel, die de banden van de waakzamen versterkte in die nacht toen de aarde beefde (?) en … … was onder de rouwenden.
Ik ben Isis, die door Nut werd gebaard, die haar schoonheid toont, die haar kracht verzamelt en die Re naar de dagbark verheft.

 333

 

Ik ben de ziel van Shu die als Re ontstond, en ik werd Re — en omgekeerd — de hemel werd voor mij gemaakt opdat ik hoog zou zijn, ik verdrong mijn troon van hen die vóór mij ontstonden, en ik werd zeer groot.
Ik ontstond, nadat ik de Heer van Alles was geworden aan het hoofd van het gevolg.
Ik leef van het gerookte graan (?) dat zich onder de levenden bevindt, mijn ziel zal niet worden tegengehouden noch mijn lijk worden belemmerd om het water van de vloed te drinken, want ik ben inderdaad een zoon die wenst, handelt en leeft, en ik leef.

 334

 

DE SISTRUM-SPELER WORDEN.
O jullie […], het gevolg dat om Re draait, zie, ik ga naar beneden […].
Ik ben dat eerste zaad van Re; hij verwekte mij in de schoot van mijn moeder Isis […] machtig in de hemel, sterk op aarde.
Zo is mijn positie voor mijn vader Re en mijn moeder […].1
Ik zal in dit land zijn in gezelschap van de levenden, ik verlang ernaar dat mijn [naam(?)] op hun lippen is als de Sistrum-speler, zoon van Hathor.
Zij hebben mij aanbeden, en ik ben broederlijk […] de liefde van mij elke dag.
Ik ben de Heer van het brood, degene die de leiding heeft over het bier, en ik hoor <. . .>. Kom, […] mannelijke en vrouwelijke voedselleveranciers […] wiens handen zijn wat zij mij geven.
Zij roepen mij aan en zij openen hun deuren en trekken hun deursloten terug […]. . .
Ze prijzen dagelijks mijn goede naam als Sistrum-speler, een kind in de taal van degenen die regeren […].
Ik ben de eerstgeboren zoon van Re, ik ben een kind geliefd door mijn moeder.
Ik ben de zoon van Nephthys, ik ben groot geworden, ik ben schitterend geworden; mijn bakkebaard zal niet vergaan in de lichamen van mijn vader of mijn moeder […].
Ik leef, ik besta in feite, ik bescherm de patriciërs tegen de goden – en omgekeerd.
Ik ben de beschermer […], ik word geprezen in deze naam van Sistrum-speler, mij wordt toegejuicht in deze naam van Khons.
Ik zal niet vergaan in de hemel met Re en met mijn moeder Hathor; [ik zal niet vernietigd worden(?)] op aarde met Re en met mijn moeder Hathor.
Mijn naam is op aarde bij de levenden; ik ben de Sistrum-speler, de zoon van [Hathor], de hemel en wat daarin is, sidderen, buigen neer, de Twee Landen beven […] bij de flits; zij die in hun manden zijn, zijn waakzaam, zittend op hun kronkels, die leven […] en die de wegen van het Oog van Re-Atum en van het Gevolg dat rond Re is, bewaken, ik waak over de gevaarlijke, de halsstarrigen […] die de ‘Sandaal-van-Re’-bark bewaken.
Neer op jullie gezichten! Vrees en beef voor mij!
Zie, ik ben gekomen als Heer van het Gevolg, en zij die de Enneaden volgen vrezen mij, ontzag voor mij is voor mij als de Sistrum-speler, de zoon van Hathor. Ik ben inderdaad het Grote Zaad, ik ben tussen haar dijen doorgegaan [in] deze [mijn naam] van Jakhals van de Zonneschijn.
Ik ben uit het ei gebroken, ik heb gedreven(?) op het eiwit(?), ik heb gegleden op de dooier(?), ik ben de Heer van het bloed, ik ben een stormachtige(?) stier, mijn moeder Isis heeft mij verwekt, en zij viel flauw onder de vingers van de Heer der goden toen hij daarmee in haar brak op die dag van het optillen(?) van de mat(?) in […] voor de Heer der goden op die dag van tumult voordat nekken werden vastgenaaid, voordat de hoofden van de goden werden afgehakt, voordat de zon stevig op de hoorns stond, voordat het gezicht van BAt werd vastgenaaid. Ik ben ontstaan, ik ben gekropen, ik heb rondgereisd, ik ben gegroeid, ik ben hoog geworden zoals mijn vader [ … hoog … ] hij was hoog.
Mijn witte kroon van vers vlees rustte op mij, mijn atef-kronen waren op mijn voorhoofd, mijn verschrikkelijke2 was op mijn voorhoofd, zodat het de goden angst voor mij zou inboezemen en de entourage van Re ontzag voor mij zou inboezemen, want ik ben de Heer van de vrees, zeer majestueus, en het is de god van overvloed die mij verheft […].
Ik zoog aan mijn moeder Isis, ik proefde haar zoetheid, en zij ween om mij, want zij zien mij niet; zij treuren om mij, want zij horen mijn stem niet.
Ik ben het kind van mijn moeder, ik ben een jongeling, de zoon van Hathor, ik ben de Ongevoelige die in de Afgrond was […].
Mijn naam en mijn plaats zijn bekend.
Ik zocht de plaats waar ik zou moeten zijn in deze mijn naam van Chaosgod, ik bevond me in Punt, ik bouwde daar een huis in mijn geboorteplaats, terwijl mijn moeder onder haar plataan was.
Ik bleef hangen […]. Kinderen van de grote god.
Ik verrotte daar, ik werd daar broederlijk; in deze naam van mij, broederlijk jegens mensen en goden.
Mijn verrotting is mirre, die mijn moeder Hathor voor zichzelf op haar hoofd aanbrengt; mijn geur is die van wierook, [die mijn moeder] Hathor [zichzelf geeft] voor haar bewieroking, mijn uitvloeiing is Hknw-olie, die mijn moeder Hathor voor zichzelf op haar lichaam aanbrengt;
Mijn hoofd is haar bundel die mijn moeder Hathor voor zichzelf op haar arm draagt; mijn ingewanden zijn haar halsketting die mijn moeder Hathor om haar keel draagt; mijn handen zijn haar sistrum die mijn moeder Hathor zichzelf geeft om zichzelf daarmee te bevredigen; mijn dijen zijn haar linnen kledingstuk dat mijn moeder Hathor zichzelf geeft om zich ermee te bekleden; mijn buik is haar … die mijn moeder Hathor zichzelf geeft zodat ze erdoor bijeengehouden kan worden.

1

Ofwel ‘Isis’ ofwel ‘Hathor’ zou in de lacune hersteld kunnen worden.

2

De uraeus.

 335 en  335-deel 2

 

(a) Basistekst van de bezwering zonder verklarende aantekeningen.1

 

Deel I

DE DAG INTREKKEN.
Er ontstaat een toespraak van mij, Atum.
Ik was Re bij zijn eerste verschijningen, ik ben de Grote, de zelfgeschapene, die mijn namen schiep, Heer van de Enneade, die zich niet door de goden zal laten verstoten.
Gisteren is van mij, ik ken morgen.
Het oorlogsschip der goden werd gebouwd in overeenstemming met mijn bevel, en ik ken de naam van die grote god die erin is.
Ik ben die grote feniks die in On is, de toezichthouder van wat bestaat.
Ik ben Min in zijn uitgaan, ik heb de twee veren op mijn hoofd gezet.
Toen ik op aarde was,2 kwam ik uit mijn stad.
Ik heb mijn misdaden uitgewist, ik heb mijn kwaad verdreven, ik heb de valsheid die op mij rustte verwijderd, ik heb gebaad in die twee zeer grote lagunes die in Ninsu zijn, waarin de offers van het gewone volk worden gereinigd voor de grote god die erin is.
Ik ga verder op het pad dat ik ken in de richting van het Eiland der Rechtvaardigen, ik bereik het Land der Horizonbewoners in de hemel, ik ga uit het heilige portaal.
O jullie die in de Aanwezigheid zijn, geef mij jullie handen, want ik ben een ziel die onder jullie tot bestaan ​​is gekomen.
Ik heb het Oog hersteld nadat het die dag, toen de Rivalen vochten, gewond was geraakt.
Ik heb de haren van het Heilige Oog omhoog doen staan ​​ten tijde van zijn toorn.
Ik zag Re gisteren geboren worden uit de billen van de Hemelse Koe, en als hij gezond is, dan zal ik ook gezond zijn – en omgekeerd – want ik ben een van hen die Horus volgen.
Gegroet, Heren der Waarheid, het tribunaal achter Osiris, dat angst inboezemt bij de valseriken wanneer zij die het beschermt rusten.
Zie, ik ben tot u gekomen opdat u het kwaad dat op mij rust, zult verdrijven, zoals u deed voor die zeven geesten die deel uitmaken van het gevolg van de Heer der Nomen toen Anubis hun zetels gereedmaakte op die dag van ‘Kom daar vandaan!’
(De 260 namen van de zeven geesten zijn) _HdH, Aqdqd, ‘Stier die niet verbrand werd’, ‘Zwartgezicht die in zijn uur is’, ‘Bloedige die vooraanstaand is in het Huis van Rood Linnen’, ‘Stralend gezicht die tevoorschijn komt nadat hij is teruggekeerd’, ‘Hij die ’s nachts ziet wat hij overdag zal brengen’.
Ik ben zijn tweelingziel die in zijn twee Jonge Wezens huist.
Ik ben die grote Kat die de iSd-boom in tweeën spleet in die nacht van oorlogvoering en het verdrijven van de rebellen, en op die dag waarop de vijanden van de Heer van Alles werden vernietigd.

Deel II

O Re, die in uw ei3 bent, oprijzend in uw schijf en schijnend aan uw horizon, zwemmend in uw firmament, zonder gelijke onder de goden, varend over de Steunpunten van Shu, de winden gevend met de adem van uw mond, de Twee Landen verlichtend met uw zonneschijn, red mij van die god wiens gedaante verborgen is en wiens wenkbrauwen de armen van de weegschaal zijn op die dag van afrekening met de rovers in de aanwezigheid van de Heer van Alles, die de boosdoeners boeit in zijn slachthuis, die zielen doodt; red mij van hen die wonden toebrengen, de moordenaars wier vingers pijnlijk zijn.
Hun messen zullen geen macht over mij hebben, ik zal niet afdalen in hun ketels, ik zal hun slachthuizen niet betreden, want ik ken hun namen, want ik ben iemand die op aarde met Re voortgaat en die gelukkig aanmeert met Osiris;
Hun offers zullen niet door mij tot stand komen voor hen die de hoeden van hun vuurpotten en die in hun keukens zijn, want ik ben in het gevolg van de Heer van de Enneade en (ik ben) de schrijver van hen die bestaan.
Ik vlieg op als een valk, ik kakel als een gans.
Ik ga de eeuwigheid door als Nehebkau.

O Atum, die in het Grote Paleis verblijft, Heerser van de Enneade, red mij van die god die leeft van slachting, wiens gezicht dat van een hond is en wiens huid die van een mens.
Hij is het die heerst over het binnenste van het Meer van Vuur, die schimmen verslindt, die harten rooft, die wonden toebrengt, die onzichtbaar is.
O Heer van Terreur, die aan het hoofd staat van de Twee Landen; o Heer van Bloed, die de slachthuizen doet floreren, aan wie de wrrt-kroon en de vreugde in Ninsu werden gegeven; o Osiris, aan wie de heerschappij over de goden werd toevertrouwd op die dag dat de Twee Landen verenigd werden in de aanwezigheid van de Heer van Alles; machtige ziel die in Ninsu is, die krachten schenkt en boosdoeners verdrijft, die de paden van de eeuwigheid wijst, red mij van die god die zielen rooft, die zich tegoed doet aan verderf, die leeft van verrotting, die tot de duisternis behoort, die in de schemering is, voor wie zij die tot de lusteloze behoren, bang zijn.
O Khopri, wonend in uw schors, oeroud van lichaam voor eeuwig, red mij van hen die de onderzoeken uitvoeren, aan wie de Heer van Alles de macht heeft gegeven zijn vijanden te arresteren, die de slachting tot een puinhoop maken, die hun waakzaamheid en bescherming niet laten verslappen.
Ik zal niet ten prooi vallen aan hun messen, ik zal hun slachthuizen niet betreden, ik zal niet in hun vaten zitten, ik zal niet in hun visvallen afdalen, want niets van wat de god verafschuwt, zal mij worden aangedaan, omdat ik iemand ben die rein door de msqt gaat, aan wie een avondmaal wordt gebracht in het Tnnt-heiligdom.4

1

Bezwering335 valt uiteen in twee afzonderlijke delen, die duidelijk oorspronkelijk aparte spreuken waren. De tekst van de spreuk is zo rijkelijk van commentaar voorzien dat een doorlopende vertaling van de basistekst, volgens T1Ca-B1P, hier voorafgaat aan de ‘van commentaar voorziene’ vertaling. De noten volgen na de laatste. Deel I is het onderwerp geweest van een monografie van Heerma van Voss, De oudste versie van Dodenboek 17a, Leyden, 1963, en van een computeranalyse in twee delen door Gundlach en Schenkel, Lexikalisch-grammatische Liste zu Spruch 335a der alt-Ägyptischen Sargtexte LL/CT. 335a, Darmstadt, 1970.

2

Nu spreekt de overledene.

3

Wat volgt is uit Voss’s 335b.

4

Variant: ‘een avondmaal van faience in het Tnnt-heiligdom’, maar de vermelding van Txnt‘ faience’ is duidelijk bedoeld als woordspeling op Tnnt.

 335 en  335-deel 2

 

(b) Volledige versie met verklarende aantekeningen in cursief.

 

Deel I

UITGANG NAAR DE DAG VANUIT HET RIJK DER DODEN.1
Er ontstaat een toespraak van mij, Atum. Ik was (eens) alleen; ik was Re bij zijn eerste verschijningen, toen hij oprees uit de horizon. Ik ben de Grote,2 de zelfgeschapene. Wie is de Grote, de zelfgeschapene? Hij is het water van de Afgrond.3
Die zijn namen schiep, Heer van de Enneade, die niet van de goden zal worden verdreven. Wie is hij? Hij is Atum die in zijn zon is.
Gisteren is van mij, ik ken morgen. Wat gisteren betreft, dat is Osiris; wat morgen betreft, dat is Re.
Het oorlogsschip van de goden werd gebouwd overeenkomstig mijn bevel.
Wat is de oorlogsboot van de goden? Het is de nSmt-bark.
Ik ken de naam van die grote god die erin is. Lof van Re is zijn naam.
Ik ben die grote Feniks die in On is. Wie is hij? Hij is Osiris.
De toezichthouder van wat bestaat. Wie is hij? Hij is Osiris. Wat bestaat,4 is eeuwigheid en onvergankelijkheid. Wat eeuwigheid betreft, is het dag; wat onvergankelijkheid betreft, is het nacht.
Ik ben Min in zijn uitgaan, ik heb de twee veren op mijn hoofd gezet. Wie is hij? Wat zijn zijn twee veren? Hij is Horus, beschermer van zijn vader. Het zijn zijn twee grote veren, die op het hoofd van zijn vader Atum stonden.
Toen ik op aarde was, kwam ik uit mijn stad. Wat is het? Het is de horizon van mijn vader Atum.

Ik heb mijn misdaden uitgewist, ik heb mijn kwaad verdreven,5 ik heb de valsheid die op mij6 rustte verwijderd, ik heb gebaad in die twee zeer grote lagunes in Ninsu, waarin de offers van het volk worden gereinigd, voor deze grote god die erin verblijft.7 Wie is hij? Hij is Re zelf.8 Wat zijn die twee zeer grote lagunes? Dat zijn het Meer van Natron en het Meer van MaAt.
Ik ga verder op het pad dat ik ken, in de richting van het Eiland der Rechtvaardigen. Wat is dat? Het is het pad dat mijn vader Atum bewandelde toen hij naar het Rietveld ging.
Ik kom aan in het Land van de Horizonbewoners in de hemel,8 ik ga door het heilige portaal naar buiten. Wat is het Land van de Horizonbewoners? Wat is dit portaal? Dat zijn de goden die zich rond het heiligdom bevinden. Wat het heilige portaal betreft, dat zijn de dubbele deuren waardoor Atum naar de oostelijke horizon van de hemel ging.
O jullie die in de Aanwezigheid zijn, geef me jullie handen, want ik ben inderdaad iemand die onder jullie is ontstaan. Wie zijn degenen9 die in de Aanwezigheid zijn? Dat zijn Hu en Sia, die de hele dag bij mijn vader Atum zijn.
Ik herstelde het Oog nadat het gewond was geraakt op die dag dat de Rivalen vochten. Wat is het gevecht tussen de Rivalen? Het betekent de dag waarop Horus met Seth vocht, toen Seth Horus een wond in het gezicht toebracht en Horus de testikels van Seth meenam. Het was Thoth die dit met zijn vingers deed.
Ik liet de haren van het Heilige Oog opstaan ​​toen het woedend was. Wat is het Heilige Oog in zijn tijd van woede? Wie liet de haren ervan opstaan? Het is het rechteroog van Re toen het woedend op hem was nadat hij het op een missie had gestuurd. Het was Thoth die de haren ervan liet opstaan.
Ik zag Re gisteren geboren worden uit de billen van de Hemelse Koe, en als hij gezond is, dan zal ik ook gezond zijn – en omgekeerd. Wat betekent het, de dag van de geboorte gisteren uit de billen van de Hemelse Koe? Het betekent het beeld van het Oog van Re in de ochtend, wanneer hij elke dag geboren wordt. Wat de Hemelse Koe betreft, zij is het Heilige Oog.
Omdat ik een van hen ben die Horus volgen. Wat betekent het, een van hen die Horus volgen? Iemand die spreekt namens de geliefde van zijn heer.
Gegroet, Heren der Waarheid, het tribunaal dat achter Osiris staat, dat angst inboezemt bij de valseriken wanneer zij die het beschermt rust vinden. Zie, ik ben tot u gekomen opdat u het kwaad dat op mij rust, zult verdrijven, zoals u deed voor die zeven geesten die de Heer der Namen volgen, toen Anubis hun zetels bereidde op die dag van ‘Kom daar vandaan!’ Wat betreft ‘zij die het beschermde, vinden rust’, dat betekent de vurige slang. Die volgt Osiris10 om de macht van zijn vijanden te verbranden.
Ik ken de namen van de zeven geesten die de Heer der Nomen volgen, wiens zetels Anubis maakte op die dag van ‘Kom daar vandaan!’ Wat betreft de leider van dit gezelschap, zijn naam is ‘De Grote is niet verdreven’.
(De namen van de zeven geesten zijn) _HdV, Aqdq, ‘Stier die niet verbrand werd’,11 ‘Zwartgezicht die in zijn uur is’, ‘Bloedige die vooraanstaand is in het Huis van Rood Linnen’, ‘Stralend gezicht die tevoorschijn komt nadat hij is teruggekeerd’, ‘Hij die ’s nachts ziet wat hij overdag zal brengen’.
Ik ben zijn tweelingziel, die zich in zijn twee Jonge Kinderen bevindt. Wat betekent dat? Wat betreft zijn tweelingziel in zijn twee Jonge Kinderen: dat is Osiris12 toen hij Djedu binnenging en daar de ziel van Re vond, en de een de ander omarmde. Toen werden <zij> zijn tweelingziel. Wat betreft zijn twee Jonge Kinderen:13 dat is Horus, de Beschermer van zijn vader, en Horus de Oogloze.
Ik ben die grote Kat die de iSd-boom in On in tweeën spleet in die nacht van oorlogvoering en het verdrijven van de rebellen, en op die dag waarop de vijanden van de Heer van Alles werden vernietigd. Wie is die grote Kat? Hij is Re zelf; hij werd ‘Kat’ genoemd toen Sia over hem sprak. Hij was katachtig in wat hij deed, en zo is zijn naam ‘Kat’ ontstaan. Wat betreft het splijten van de iSd-boom in On, dat gebeurde toen de Kinderen van Onmacht hun daden verrichtten. Wat betreft de dag van oorlogvoering, dat betekent dat zij het Oosten binnentrokken en dat er oorlog uitbrak over de hele aarde en in de hemel.

Deel 2

 

O Re, die in uw ei bent, oprijzend in uw schijf, stralend aan uw horizon, zwemmend in uw firmament, zonder gelijke onder de goden, varend over de Steunpunten van Shu, de winden gevend met de adem van uw mond, de Twee Landen verlichtend met uw zonneschijn, red mij van die god wiens gedaante verborgen is en wiens wenkbrauwen de armen van de weegschaal zijn op die dag van afrekening met de rovers in de aanwezigheid van de Heer van Alles, die boeien legt op de boosdoeners in zijn slachthuis, die zielen doodt. Wie is deze god wiens wenkbrauwen de armen van de weegschaal zijn? Hij is Horus, die heerst over Khem. Anders gezegd: Hij is Thoth,14 hij is het die zijn arm gebruikt.
Red mij van hen die wonden toebrengen, wier vingers pijnlijk zijn. Wat betreft de moordenaars die Osiris toebehoren, zij vormen dit gezelschap dat actie onderneemt tegen de vijanden van Osiris. Hun messen zullen geen macht over mij hebben,15 ik zal niet afdalen in hun16 ketels, ik zal hun slachthuizen niet betreden, want ik ken hun namen, want ik ben iemand die op aarde met Re rondwaart en gelukkig met Osiris waakt. Hun offers zullen niet door mij tot stand komen voor hen die de leiding hebben over hun vuurpotten en die in hun keukens zijn, want ik ben in het gevolg van de Heer van de Enneade en ik ben de schrijver van hen die bestaan. Ik vlieg omhoog als een valk, ik kakel als een gans, ik ga de eeuwigheid door zoals Nehebkau.
O Atum, die in het Grote Huis verblijft, heerser van de Enneade, red mij van die god die leeft van slachting, wiens gezicht dat van een hond is en wiens huid die van een mens. Hij is het die de bewaker is van de kronkelingen van het Meer van Vuur, die schimmen verslindt, die harten rooft, die wonden toebrengt, maar niet gezien wordt. Wat betreft deze god wiens gezicht dat van een hond is en wiens huid die van een mens, zijn naam is ‘Verslinder van ontelbaarheden’.
O Heer van Terreur aan het hoofd van de Twee Landen; O Heer van Bloed die de slachthuizen voorspoedig maakt, aan wie de wrrt-kroon en vreugde in Ninsu gegeven is; O Osiris aan wie het heerschap over de goden werd toevertrouwd op die dag dat de Twee Landen verenigd werden in de aanwezigheid van de Heer van Alles. Wat betreft de Vereniging van de Twee Landen, dit betekent dat de lijkwade van Osiris werd besteld door zijn vader Re.
O machtige ziel die in Ninsu is, die krachten schenkt en de boosdoeners verdrijft, die de wegen van de eeuwigheid toont – Hij is Re zelf – red mij van de god die zielen neemt,17 die corruptie verorbert, die leeft van verrotting, die tot de duisternis behoort, die in de schemering is, voor wie zij die tot de lusteloze behoren, bang zijn. Wat betreft die god die zielen neemt, die corruptie verorbert en leeft van verrotting, dat is Seth.18
O Khopri, die in uw schors woont, oeroud van lichaam voor eeuwig, red mij van hen die de leiding hebben over het onderzoek, aan wie de Heer van Alles de macht gaf om zijn vijanden te arresteren, die de slachting in de chaos hebben gebracht, die hun waakzaamheid niet laten verslappen. Ik zal niet ten prooi vallen aan hun messen, ik zal niet in hun vaten zitten, ik zal hun slachthuizen niet betreden. Ik zal niet in hun visvallen afdalen, want mij zal niets overkomen van wat de goden verafschuwen, omdat ik iemand ben die rein door de msqt gaat, aan wie een avondmaal van faience wordt gebracht in het Tnnt-heiligdom. Wat de msqt betreft, dat is de qnqnt in Ninsu; wat faience betreft, dat is het Oog dat het monster overwon; wat het Tnnt-heiligdom betreft, dat is het graf van Osiris.

EEN MAN MOET DEZE BEZWERING UITSPREKEN WANNEER HIJ HET WESTEN BINNENGAAT NADAT HIJ ERUIT IS GEGAAN. WIE DEZE BEZWERING NIET KENT, ZAL ER NIET IN OF UIT GAAN, OMDAT HIJ ONWETEND IS.

 

1

Verschillende varianten van geringe betekenis. Sommige teksten laten deze titel weg; M1NY voegt er een xtp-dy-nsw-formule voor in.

2

Variatie ‘de grote god’ in een half dozijn teksten; ‘de god’ in M1NY; ‘Re’ in T3L.

3

Variatie ‘slagveld’; BH1Br schrijft het woord als iHnt.

4

Variatie ‘Wat betreft het toezicht op wat bestaat’

5

BH1Br voegt toe: ‘Wat betekent het? Het betekent dat zijn navelstreng is doorgesneden. Naar buiten gaan in de dag’.

6

BH1Br voegt toe: ‘Wat betekent het? Het betekent dat hij na zijn geboorte is gereinigd’.

7

Het achtervoegsel verwijst vermoedelijk naar de plaatsnaam.

8

Variatie BH1Br: ‘Wie is deze grote god die erin zit?’ Hij is Re zelf.

9

Variatie: ‘Ik bereik de horizon van de hemel’.

10

Variatie: ‘die goden’.

11

Variatie: ‘het werd achter Osiris geplaatst’: ‘Re gaf het aan Osiris’.

12

Variatie: ‘Stier wiens vlam voor zijn brandende lichaam was’, ‘Stier wiens hoorn voor zijn brandende lichaam was’, en diverse verbasteringen.

13

Variatie: M57C ‘de grote ziel van Osiris’.

14

Variatie: L1NY: ‘zijn twee zonen’ BH1Br. blijkbaar ‘zijn twee zielen’.

15

M57C voegt toe: ‘Nefertem, zoon van Sakhmet de Grote’.

16

Variatie: ‘Ik zal niet ten prooi vallen aan jullie messen’.

17

Letterlijk: ‘jullie’.

18

Variatie: B3C en BIY: ‘de groten’; M1NY ‘het gepeupel’.

19

Deze verklaring staat alleen in T1Be. Aan het einde heeft T2Be kort ‘Hij is Seth’; T1Cb ‘deze Majesteit van Seth’.

 336

 

HET EERSTE PORTAAL. WAT WORDT ER OVER GEZEGD?
Het vuur is blauw(?).1
Het is de vlam die alles verdrijft(?).
Vijftig ellen langs de zijkant is vuur, de punt van de vlam reikt vanuit de hemel over het land, en de goden hebben erover gezegd:
‘Het betekent duisternis(?). Het is voortgekomen uit de handen van Sakhmet, het heeft rechtop gestaan ​​(?) te midden van hen die geven. Het schiep zichzelf; daarna maakte het de goden tot gemakkelijke prooi. Het strekt zijn voet uit; zijn naam is ‘Zijn hoorn heerst over hem die zich in de verborgen plaats bevindt’. Een pad is voor mij geopend en bereid, en zie, ik ben gekomen. O Atum, die in het Grote Huis zijn, de goden verheffend, red mij van die god die leeft van slachting, wiens gezicht dat van een hond is, wiens huid die van een mens is, die de kronkelingen van het Meer van Vuur beheerst, die schimmen verslindt, die harten rooft, die de lasso werpt, maar die niet gezien wordt.
HET TWEEDE PORTAAL.
Wat hij (sic) erover zei. 0 Langhoornige bezitter van Atf-kronen, <wiens> ornamenten uraei zijn, nieuws(?) is voor jullie ontstaan ​​over…2 Wat betreft elke god die weet wat hem beschermt tegen Sakhmet, hij is er een die gezond is onder jullie. De monden van deze uraei < … >. Daar is de meester van dit portaal, kwaad is hij die (kwaad) doet en zijn naam is ‘Hij die in de grote vlam is’. Een pad is voor mij bereid, en zie, ik ben gekomen. Ik ben hij die in zijn vurige toorn is(?).
O Heer van Terreur, die aan het hoofd staat van de Twee Landen en heerst over de wateren; o Heer van Bloed, die de slachthuizen doet floreren, aan wie de wrrt-kroon en vreugde gegeven zijn; aan wie het heerschap over de goden werd toevertrouwd in de aanwezigheid van de Heer van Alles op die dag van de vereniging van de Twee Landen in de aanwezigheid van de Heer van Alles; machtige ziel die in Ninsu is, die krachten schenkt en de boosdoeners verdrijft; die de wegen van de eeuwigheid toont: red mij van die god die de zielen van de Groten neemt, die corruptie en verrotting opslokt, die in de duisternis is, die tot de schemering behoort, voor wie zij die in de duisternis zijn, bang zijn.
O Khopri, wonend in je schuit, oeroud van lichaam voor eeuwig < … >.
HET DERDE PORTAAL.
Wat hij erover zei. Het portaal van (?) de personen (?) die haar naderen; de ornamenten (?) die op haar armen zijn, zijn niet te zien. Ze daalt neer uit de hemel, ze legt (?) natron neer, en niemand kan haar benaderen, de stromen achter haar zijn vlammen van vuur; één is (gelijk aan?) twee vuren in hitte; de ​​derde is de vurige uitbarsting van de mond van Sakhmet; de vierde is Nu, wiens […] onzichtbaar is en ze kunnen niet zien hoe ze haar kunnen binnengaan. Haar wensen (?) worden verkondigd (?) aan Thoth, en het is hij die zich presenteert aan het gezelschap dat zich in dit portaal bevindt. Shu en Tefenet hebben hun zegel erop gezet, en wat onder het zegel staat is …3 Groot zijn de afstanden (?) tot deze portalen en de rechtbanken die zich in deze hal bevinden …4 die maakte […] … zijn zijden5 (?) ; die de brand in zijn grot zag; die afrekende met de boosdoener die bij de Vrouwe van de Ellende is. Kwaad is de vurige explosie, en de deurvleugels zijn gebroken.
Een pad is voor mij bereid, en zie, ik kom aan bij deze hal. O Heer van de Enneaden, red mij van hen die wonden toebrengen, wier vingers pijnlijk zijn, die de wacht houden tegen vijanden, die angst inboezemen bij de verminkers, die hun waakzaamheid en bescherming niet laten verslappen; hun messen zullen mij niet binnendringen, ik zal hun slachthuizen niet betreden, ik zal niet in hun vaten zitten, en niets zal mij worden aangedaan van datgene wat de god verafschuwt. Hij spreekt over het vlees van de voorhuid, want ik ben iemand die rein door de msqt gaat, aan wie een avondmaal van faience wordt gegeven in de glinsterende plaats. Er is een leider van deze hal wiens naam is ‘Voor wie gedaan wordt […] … voor zijn gezicht’. Een pad is voor mij bereid, en zie, ik ben gekomen; ik ben de …6 die in Ninsu woont.

1

Voor irtyw ‘blauw’ zie Concise Dict. 28.

2

Mxwt; betekenis onbekend, maar Wb. III, 247,6 citeert als de naam voor een poort in het Hiernamaals.

3

^tt.tw, vrij onduidelijk.

4

+d m bs rn.f gaat mijn begrip te boven, en het is vrij onduidelijk naar wie het mannelijke achtervoegsel in rn.f  verwijst. Er moet hier zeker sprake zijn van een of andere vorm van corruptie.

5

Volstrekt onbegrijpelijk.

6

@nbAbA, vrij onduidelijk.

 337

 

O Thoth, verdedig Osiris tegen zijn vijanden in: Het grote tribunaal dat zich in On bevindt in de nacht van oorlogvoering en het neerslaan van de rebellen. Het grote tribunaal dat zich in het water van Kheraha bevindt.
Het grote tribunaal dat zich in Rostau bevindt.
Het grote tribunaal dat zich in de Twee Oevers van de Vlieger1 bevindt in de nacht van de verdrinking van de grote god in Andjet.
Het grote tribunaal dat in Djedu plaatsvindt in de nacht van de nachtoffers.
Het grote tribunaal dat in Khem plaatsvindt in de nacht van het oprichten van de djed-pilaar in Her-wer.
Het grote tribunaal dat in Pe en Dep plaatsvindt in de nacht van het oprichten van de twee djed-pilaren.
Het grote tribunaal dat in Abydos plaatsvindt in de nacht van rouw in de Thinitische nome.
Het grote tribunaal dat zich op de paden van de doden bevindt in de nacht van het onderzoek.
Het grote tribunaal dat zich in Ro-areref2 bevindt.
Het grote tribunaal dat zich in het grote ploegen van het land in Ninsu bevindt.
Horus is verheugd, en de Twee Conclaven zijn er blij mee, Osiris is blij, en het is inderdaad Thoth die mij zal verdedigen tegen mijn vijanden in de tribunalen van Re en Osiris en van elke god en elke godin.

1

Een krijsende vogel (valk, wouw of kraai?), zie mijn Pyr. Transl., Utt. 532, n.1. Edel, Weltkammer, I, 235 suggereert ‘stern’, maar de roep van die vogel kan nauwelijks een krijs genoemd worden.

2

Onbekende locatie. Waarschijnlijk een fout voor Naref, vgl. 337C; 338h.

 338

 

O Thoth, die Osiris verdedigde tegen zijn vijanden, verdedig mij tegen mijn vijanden in:1
Het tribunaal in On in de nacht van oorlogvoering en het vellen van die rebel.
Het tribunaal in Djedu in de nacht van het oprichten van de djed-zuil.2
Het tribunaal in Khem in de nacht van de nachtoffers in Khem.
Het tribunaal in Pe en Dep in de nacht van de bevestiging van de erfopvolging van Horus in de zaak van zijn vader.
Het tribunaal op de Eilanden van de Twee Wouwen in de nacht dat Isis rouwde om haar broer Osiris.
Het tribunaal dat zich in Abydos bevindt in de nacht van het tellen van de doden en het tellen van de geesten.3
Het tribunaal dat zich op de paden van de doden bevindt in de nacht van het onderzoek naar hem die niets is.
Het tribunaal dat zich bevindt tijdens het grote ploegen van het land.
Het tribunaal dat zich in Naref bevindt.
Het tribunaal dat zich in Rostau bevindt in de nacht dat Horus werd gerechtvaardigd tegen zijn vijanden.
Het tribunaal van hem die de troon heeft gemaakt.
[ • •• ] OSIRIS, EN HIJ WAS BLIJ. HET IS THOTH <DIE MIJ ZAL RECHTVAARDIGEN> TEGEN MIJN VIJANDEN IN DE TRIBUNALEN VAN RE EN OSIRIS EN VAN ELKE GOD [EN GODIN ••• ] OSIRIS.

1

Variatie T2Be: ‘Thoth verdedigt Osiris tegen zijn vijanden en N zal tegen zijn vijanden verdedigd worden <in> . . .’, in zwart. De beginletter ‘s‘ van smAa.f in de tweede zin is twee keer geschreven.

2

T2Be voegt ‘in Abydos’ toe en herhaalt vervolgens 335c.

3

T2Be heeft: ‘op die nacht van het vieren van het hAkr-feest in On en het tellen van de doden en de geesten’.

 339

 

O Thoth, verdedig Osiris tegen zijn vijanden in het tribunaal van:
On, op die dag van de erfopvolging van de tronen van de Twee Oevers voor de zoon van de heer ervan.
Djedu, op die dag waarop het Heilige Oog aan zijn heer werd gegeven.
Pe en Dep, op die dag van het scheren van de rouwende vrouwen.
Khem, op die dag van de nachtoffers in Khem.
Rostau, op die dag van het tellen van de menigten en het oprichten van de twee vlaggenmasten.
Abydos, op die dag van het hAkr-feest in de vijver(?) van het tellen van de doden en bij de afrekening van hem die niets is.
Ninsu, op die dag van het ploegen van de aarde en het geheim maken van het land in Naref.
Zie, Horus wordt gerechtvaardigd, de Twee Conclaven zijn er blij mee en Osiris is verheugd.
Het is inderdaad Thoth die mij zal verdedigen tegen mijn vijanden in het tribunaal van Osiris.
Wat betreft hem die dit weet, hij zal zichzelf veranderen in een valk, de zoon van Re.
Wat betreft wie dit weet, noch hij, noch zijn ziel zullen ooit vernietigd worden.
Het betekent dat zijn vijand vernietigd zal worden en dat hij brood zal eten in het huis van Osiris; hij zal de tempel van elke machtige god binnengaan, […] geschenken […] hij zal nooit uitwerpselen eten […].

 340

 

Bezwering voor het betreden van het prachtige Westen… Ik:
Alle mensen behoren mij toe, en allen zijn mij gegeven!
Ik ben binnengegaan als een valk, ik ben eruit gekomen als een feniks; O Morgenster, maak een pad voor mij, opdat ik in vrede het prachtige Westen mag betreden, en ik behoor tot de Waterweg van Horus.1
Maak een pad voor mij, opdat ik mag binnengaan en Osiris, de Heer van het Leven, mag aanbidden.
Een man moet deze spreuk uitspreken wanneer hij binnengaat nadat hij uit het Westen is gekomen.
Wat betreft degene die deze spreuk niet kent, noch de kennis om de dag in te gaan, hij mag niet binnengaan nadat hij [uit het Westen is gekomen…].

1

Var. ‘van Osiris’. ‘Waterweg van Horus’ is de Bijbelse Shihor, waarop zie Gardiner, AEO 11, 201*.

 341

 

O poortwachter van het Grote Huis, open voor mij, want ik ben Re in zijn verschijningen, en de Nijl in zijn kronkelingen (?).
Hathor lacht tegen mij1 in de veerboot2 van de hemel, terwijl ik oversteek.
Mijn zijn Isis en Nephthys, de twee schone zusters; mogen uw (sic) dubbelgangers in vrede verenigd zijn, terwijl die goden die in de hemel zijn, opstaan.
Hij is er een zoals wij, hij is als een man die is gestopt met ontladen (?).
Ik ben hier gekomen, nadat ik ben gestopt met ontladen (?), en Anubis is de god die mij reinigt.
Voor mij zijn de poorten van de Onderwereld geopend naar de schone paden overdag in de richting van het Eiland van Vuur dat toebehoort aan de rechtvaardigen, op de plaats waar de geesten zijn.
Ik ga vandaar door de heilige poort en IAA de schone doet verslag van mij in de bark van de Zelfgeschapene.
O jullie bewakers van de roerriemen, mijn gezicht is naar de aarde gericht; de heersers spreken tot Maät, en mijn zetel is in het kasteel dat jullie toebehoort, ik kom vandaag gelukkig tot een einde.
DEZE BEZWERING MOET OVER ZEVEN HEILIGE OGEN WORDEN UITGESPROKEN, OPGESCHREVEN: TE WORDEN GEWASSEN IN BIER EN NATRON EN DOOR DE MAN TE WORDEN GEDRONKEN.

1

Zeker op een vriendelijke manier, met blijdschap, en niet spottend.

2

Variatie: ‘mijn veerboten’.

 342

 

Een krokodil verjagen die naderbij komt om iemands magie af te pakken.
Ga terug! Wegwezen! Ga terug, jij gevaarlijke! Kom niet op me af, leef niet van mijn magie!
Moge ik je naam niet hoeven te vertellen aan de grote god die je heeft laten komen: ‘Boodschapper’ is de naam van iemand, en BDt is de naam van iemand.1
De krokodil spreekt:
‘Uw gezicht is gericht op rechtvaardigheid. De hemel omvat de sterren, magie omvat haar nederzettingen,2 en mijn bek omvat de magie die erin is. Mijn tanden zijn van vuursteen, mijn slagtanden zijn de Cerastes berg.’
De overledene antwoordt:
‘O jij met een ruggengraat,3 die je bek tegen deze magie van mij zou willen gebruiken, neem haar niet weg, o krokodil die leeft van magie.’

1

Het lijkt erop dat er twee krokodillen bij betrokken zijn, hoewel er elders geen aanwijzing is voor dualiteit.

2

Vermoedelijk in een beschermende zin.

3

I Ts bksw ; mogelijk een verwijzing naar de rug schubben van een krokodil.

343

 

BEZWERING1 OM HET NET TE VERMIJDEN EN AAN HET VALNET TE ONTSNAPPEN DOOR EEN GEEST IN HET RIJK DER DODEN.
Ho N! Haast je, verhef je, o Heer van de ondiepten(?), Heer van de zuiverheid, die door de melkgodin gezoogd werd. Hij is de vorst van hen wier zetels in de hemel2 standhouden, aan wie gegeven is hen die op aarde rusten.
Haast je, verhef je, grijp de staart van de lange hoorn, ik, de metgezel van Anubis, en leer de paden van het Westen, reis <met> hen die de hemel doorkruisen, vaar over het firmament wanneer het Heilige Land ondersteboven wordt gekeerd.
Je zult door de plaats van executie gaan en ontsnappen aan het valnet en het net van de Voornaamste der Westerlingen.
(Wat betreft) het visnet, de drijvers ervan bevinden zich in de hemel, de gewichten ervan op aarde; het is gemaakt voor de geesten die naar hun dubbelgangers zijn gegaan. Zij vergaan(?) wanneer zijn tijd komt.
Je zult je op je gemak voelen in het firmament; je zult meer sterrenrijk zijn dan de sterren aan de horizon, zoals die Eenzame Ster3 die zich in het westen van de hemel en het oosten van de aarde bevindt.
Je mond is gevuld met de planten van de moerassen, de bogen van Horus Khentikhetef zijn gespannen.
Moge je bezit nemen van de gehele Twee Tuinen(?), je zult staan ​​in dat grote poolgebied voor het zenit(?).
Wek Aken, opdat hij je die veerboot moge brengen waarin de uitgeruste geesten oversteken.
Moge je bevelen4 geven, mogen zij je prijzen,5 mogen zij je leiden naar het grote meer,6 mogen zij je vervoeren in de Afgrond: mogen de uitgeruste je uitrusten, moge je land aan land verbinden bij de helling(?) van de Thinitische nome.
Je zult de top van de hoge heuvel beklimmen, opdat je de stille(?) stem in de oostelijke poort moge horen. Je zult rondreizen door de hemelse uitgestrektheid, de grijsbehaarde zullen je dienen, de stillen zullen je volgen.

1

De hier vertaalde rubriek is die van T1L. B1C en B2L luiden: ‘Spreuk om niet in het net en de visval te vallen; gerechtvaardigd in de aanwezigheid van Osiris, Stier van het Westen’; B2Bo luidt: ‘Zichzelf oprichtend op zijn rechterzij vanuit zijn linkerzij’.

2

B1C-B4Bo vertonen verschillende graden van corruptie.

3

Variatie: ‘die grote ster’.

4

T1L (360c) voegt na 360b toe: ‘Ho N! Moge u meer geestachtig zijn dan de geesten van hen die zij brengen’ en laat 36Ia weg. Let op het gebruik van het aanwijzend voornaamwoord ‘tw‘ na een relatieve vorm.

5

T1L voegt ‘in het grote meer’ toe.

6

Drie teksten luiden: ‘het grote meer van “Kom-tot-hen-die-komen”‘.

 344

 

Ik verhef mezelf, ik haast me door middel van deze ziel van de gehoornde slang, (zelfs ik) die door de melkgodin gezoogd1 werd; zo is hij die het net trekt voor hen die in de hemel wonen, aan wie rust gegeven wordt.
Ik richt mezelf op, ik haast me door middel van de staart van die lange hoorn die de bast van Anubis draagt, ik ken het pad van het Westen, ik vaar over de waterweg van hen die het firmament doorkruisen, ik ben iemand die ontsnapt aan de plaats van executie.
Ik ga langs de Vallei, ik steek de Heilige Plaats over, ik ga door de dubbele deuren van de oordeelshal(?),2 ik heb me gehaast over de waterweg van …3 in het gezelschap van de Voornaamste van de Westerlingen.
Het is wat de goden maakten <voor> hen die naar hun dubbelgangers zijn gegaan, opdat zijn tijd niet komt(?),4 hun net is binnengehaald, en de drijvers ervan zijn in de lucht, de gewichten ervan zijn op aarde; koud water is in de lucht met QbH de zoon van Re . . .5
Ik zal de hemelse veerman oproepen, en hij zal Aken wekken, hij zal mij de veerboot brengen.
O uitgeruste geest,6 rust mij erin uit.
Ik ben meer geestachtig dan jullie geesten, ik ben beter uitgerust dan jullie uitgeruste geesten, zij dalen neer en ontvangen mij, zij brengen mij over […], zij roeien mij over de Waterweg van de Hemelvensters, zij voegen zich bij mij op aarde, nadat zij op de heuvel van de wind zijn geland.
Ik hoor het geluid van de vloed bij de oostelijke poort van de hemel, ik reis rond aan de grote westkant van de hemel, ik ga overal rond aan de grote oostkant van de hemel; de Groten staan ​​op en buigen voor mij, de grijsbehaarde vreest mij, de bedienden vrezen mij, het gepeupel volgt mij; ik ben rondgegaan en teruggekeerd, en daarna ben ik gelukkig rondgegaan rond de verdorvene(?).

1

Mannelijk, overeenkomend in geslacht met de spreker.

2

Vertaling twijfelachtig. #ns, dat beschadigd is, is geïdentificeerd met #ns ‘dubbele deuren’, Pyr. § 416; Htmwt is mogelijk identiek aan Htmyt  ‘Richtstatte in der Unterwelt’, Wb. III, 198,9.

3

^nwt , betekenis onbekend.

4

Dit hele deel van bezwering 344 is onleesbaar, en men kan de woorden alleen vertalen zoals ze er staan.

5

De laatste woorden van 367d zijn onbegrijpelijk; ze luiden ‘op aarde’, ‘armoede’, ‘horizon’.

6

De ‘uitgeruste geest’ waarnaar hier wordt verwezen, is waarschijnlijk Aken.

  345

 

BEZWERING VOOR RECHTVAARDIGING IN DE AANWEZIGHEID VAN THOTH, HET HOOFD VAN DE GODEN,1 (EN OM) IEMAND ZIJN LIJKKLEED OF ZIJN KIST NIET VAN HEM AF TE NEMEN IN HET RIJK DER DODEN.
Ho N!2 Er zullen tot u komen zij die tot Horus komen, die in zijn huis3 woont op die dag waarop alle goden gekleed waren bij de begrafenis van Osiris en op die dag van de begrafenis.
Ho N! Zij die om Osiris treurden, zullen op die dag van het vierde-dag feest om jou treuren.
Ho N! Zij die om Osiris rouwden, zullen op die dag van het zesde-dag feest, waarop de goden flauwvielen, om jou rouwen.
Ho N! Horus zelf zal je reinigen in dat bad van koud water.4
Ho N! Anubis de balsemer5 zal je in doeken wikkelen uit de hand van Tayt.
Ho N! Anubis de balsemer heeft je gemummificeerd met zijn beste balsem. Thoth zal voor jou de schone paden van het Westen reinigen (die leiden) naar Osiris.
Ho N! Dedwen maakt zijn parfum van wat in jou is; Wepwawet zal voor jou de schone paden van het Westen openen. Zij zullen je leiden naar het grote land6 van ‘Kom-tot-de-komen-die-komen’. Je zult die god aanroepen wiens ziel overdag verschijnt en Thoth ’s nachts.7 Hij zal tevreden met je zijn, net zoals hij tevreden was met Thoth, de voornaamste van de goden in On.8

1

B2L voegt ‘door een man in On’ toe.

2

Alleen B1P; dus herhaaldelijk in deze spreuk, waar het toepasselijker lijkt dan elders.

3

Variatie: ‘het huis van Osiris’; ‘zijn huis van Osiris’.

4

Aldus B1P. De andere teksten hebben kort: ‘Horus zal je reinigen’. Vgl. 377b.

5

Aldus B1P; alle andere teksten hebben ‘Thoth’, maar aangezien de zin verwijst naar het ‘bekleden’ van de overledene, vermoedelijk met betrekking tot de lijkwaden, lijkt ‘Anubis’ de betere lezing; vgl. 375d-i; 377c.

6

Variatie B1P: ‘de grote tuin’ of ‘meer’.

7

Variatie S2C: ‘die ’s nachts in (of ‘met’) zijn ziel verschijnt, waarbij m hrw  wordt weggelaten.’

8

Variatie S2C: ‘Thoth die bevelen geeft aan de goden’; B1P: ‘Thoth op zijn Maät-beeld, prins der goden in On’.

 346

 

Ho N! Horus zelf zal u reinigen in het bad van koud water; Anubis zal u omhullen met zijn beste balsem; Thoth zal de schone paden van het Westen (die leiden) naar Osiris voor u reinigen; Dedwen zal zijn parfum maken van wat in u is.1
Hij zal de schone paden van rechtvaardiging voor u openen; Nu zal u vervoeren; het is Wepwawet die u zal leiden naar de schone paden van het Westen.
Er zal voor hem2 worden gejuicht ; zij zullen hem zien, hij gekomen zijnde van het land der levenden naar het Eiland van Vuur, naar zijn plaatsen van rechtvaardiging voor Osiris. N is gekomen in het gevolg van zijn vader Osiris, in vrede, in vrede!

1

Volgens B4Bo; vgl. 375c. B15C is aan het einde corrupt.

2

Een overschakeling naar de derde persoon. Variatie: ‘de goden zullen hem toejuichen’.

 347

 

Ze dalen af, ze gaan verder, ze leiden me naar die dag van ‘Kom-naar-de-hemel-op-de-heuvel-van-de-wind’.
Ik hoor die stem van de stille(?) die behoort tot de Onvermoeibare Sterren die de hemel doorkruisen op het station(?) van Hem die tevreden is(?).1
Het grote Westen is verbonden in het zuiden van het land en (in) dit poolgebied dat zich voor het zenit bevindt(?).
Zie deze god… de verschijning van Re (met zijn ziel).
Hij zal mijn naam tot leven brengen(?), hij zal mij maken zoals Re en Thoth op die dag en nacht toen zij er tevreden mee waren(?), waarbij Thoth de rol2 van Re vervult volgens het bevel dat Anubis gaf.
Ik zal daar zijn bij die noordelijke poort van de Kronkelende Waterweg waar geen gebrek aan de hemel is, en ik zal verfraaid worden, ik zal heersen over de grote goden die aan het hoofd van de Enneaden staan.

1

Onduidelijk en waarschijnlijk corrupt.

2

Letterlijk: ‘in de plicht van’.

 348

 

Pe zal naar mij komen, ik ben rondom Nekhen gegaan, ik ben voor eeuwig en altijd als een god verschenen.

 349

 

NIET TOESTAAN DAT IEMAND ZIJN MAGIE VERLIEST IN HET RIJK DER DODEN.
Uw zoon Horus heeft namens u gehandeld, en de Groten sidderen bij het zien van de messen in uw handen wanneer u opstijgt uit de Onderwereld.
Gegroet, o Wijze!1 Geb heeft u geschapen, de Enneade2 heeft u gebaard. Horus is tevreden met zijn vader,3 Atum is tevreden met zijn jaren, de goden van West en Oost zijn tevreden met de Grote die geboren werd in de armen van Haar die de god baarde.
O N! O N! Zie en aanschouw!4 O N! Hoor en wees daar! O N, richt je op je zij op en doe mijn bevel.
O jullie die de slaap haten maar slap gemaakt zijn, sta op, o jullie die in Nedit waren! Jullie goede brood wordt bereid in Pe,5 neem jullie kracht6 in On, want het is Horus die beval dat de mensen zijn vader moesten helpen.
Wat de Heer van de Storm betreft, het kwijlen van Seth is hem verboden. Hij7 wekt jullie op, en hij is het die Atum zal opwekken.

1

Zo ook T3Be, in overeenstemming met Pyr. § 258. Deze tekst staat dichter bij het origineel dan de andere versies.

2

Zo ook T3Be, vgl. loc. cit. De andere teksten hebben ‘Noot’.

3

Zo ook Pyr. § 258 en B3C-B1Bo; T3Be heeft ‘zijn Oog’.

4

T3Be verschilt enigszins in de volgorde van de imperatieven, maar de andere versies volgen Pyr. § 259. Omdat de kist die van een vrouw is, heeft B3C de zeer zeldzame vrouwelijke uitgang toegevoegd aan de imperatieven sDmt  en wnt.

5

Nog steeds in navolging van T3Be = Pyr. § 260.

6

Variatie: ‘uw scepter’.

7

Vermoedelijk Horus. B3C heeft ‘verhef jezelf (vrouwelijk)’.

 350

 

O jullie stieren op de heuvels, ik zal macht hebben over de Gier. O hardloper, ik zal je hok breken en je papieren verfrommelen vanwege de dubbele schade die je me hebt toegebracht.

Waarom? Vanwege mijn bezittingen die ik heb meegebracht van het Veld van NAw en van het Veld van Vuur; ze zijn bij mij op het Veld van +ADA voor alle doeleinden. Het verwerven van magische kracht, niet het afnemen van iemands magische kracht in het dodenrijk.

 351

 

BEZWERING OM EEN MAN EEN MOND TE GEVEN, ZODAT HIJ IN HET RIJK DER DODEN KAN SPREKEN, EN OM NAAR [OSIRIS] TE GAAN. Gegroet, u die droog maakt, vooraanstaand in het Huis, heersend over de duisternis.
U zult tot mij komen, vergeestelijkt en rein, met uw armen om u heen geslagen en uw kom op u.
U zult mij mijn mond geven, opdat ik ermee kan spreken, u zult mij leiden naar de mooie paden van de hemel,1 want ik ben belast met het verslag van het woord van God.

1

Variatie: ‘naar de sterren aan de hemel’.

 352

 

EEN MAN GAAT HEEN ALS IEMAND DIE DOOR GOD GEËERD WORDT.
Ik heb macht in mijn mond, ik heb macht in mijn eigen neus; moge ik macht hebben in mijn mond, moge ik macht hebben in mijn neus, die volkomen zijn; zo zeggen die goden die geesten1 zijn.
Wees tevreden, o Heer van Alles. Ben jij Atum? Ben jij een groene boom?2 Ga omhoog, doe een oproep met je monden…3

1

Var. B1Ca: ‘zeggen de horizonbewoners’; L1Li is behoorlijk corrupt.

2

Sic B3C: B1Cb_B2Lb: ‘Ben jij Atum? Zo zegt (?) de groene boom’. B1Ca is onverstaanbaar en L1Li heeft alleen wAD na Itm. De hele passage is zeer onduidelijk.

3

Onvertaalbaar. BD 128,13 heeft pr m nys m rn.tn ink is Itm  ‘Ga omhoog, doe een oproep met jullie namen, want ik ben Atum’.

 353

 

BEZWERING OM MACHT OVER WATER1 TE VERKRIJGEN.
De poorten van de Grote2 worden geopend voor Osiris,3 de poorten van het firmament worden wijd opengegooid voor Thoth.
O Nijlgod, de Grote van de hemel4 in deze uw naam van…,5 verleen mij dat ik macht over het water mag hebben, net zoals Seth macht had over het water in het oog (?) van Osiris in die nacht van de grote storm.
Moge u mij toestaan ​​de Groten die over de vloed heersen voor mij uit te zenden, zoals hun verheven god, wiens naam zij niet kennen, hen heeft gezonden.
Ik ben hun verheven god, wiens naam zij niet kennen, en zij worden voor mij uitgezonden.
VERWERVEN…, MACHT OVER WATER HEBBEN: DEZE GEEST UITRUSTEN.

1

Aldus B3C. De enige significante variant is B1Bo: ‘macht hebben over water in het dodenrijk; niet met het hoofd naar beneden lopen; de ziel naar het dodenrijk sturen’.

2

De hemel, gepersonifieerd als een godin.

3

Zo is het met de overgrote meerderheid van de teksten, maar drie hebben ‘Isis’ en twee noemen geen godheid.

4

Varianten S1C-Y1C: ‘de bovenste hemel’; B5C-T1Cb: ‘de middelste hemel’.

5

Onvertaalbaar; de geschriften variëren tussen pnD, pnd, MATrt, pnD-tA, pd, pnn, nbDw en aD-pt wat duidelijk aantoont dat deze benaming zelfs in de oudheid niet begrepen werd. Y1C voegt hier een formule voor een aandelenoffer in.

 354

 

BEZWERING VOOR EEN WNWN( ?)-PLANT.1

Jouw zuivering is de zuivering van Horus, Seth, Thoth en _wnanwy.
Jouw zuivering is op je mond; moge je al je botten reinigen, moge je voorzien van wat jou toekomt. %myn, smyn, die je mond opensplijt! Proef de smaak ervan voor hen in de tent van de God.
Jouw zuivering is natuurlijk afkomstig van de reiniging van de Volgelingen van Horus.

1

De twee zeer verschillende lezingen van deze plantennaam zouden beide afgeleid kunnen zijn van een oorspronkelijke  , door een verkeerde lezing van het hiëratisch schrift, hoewel een dergelijke plant niet bekend lijkt te zijn.
Zie de noot 3 van de Buck. Voor het vervolg zie Pyr. Utt. 36 en 34.