Sarcofaagteksten – Bezweringen 164 t/m 267
37361
wp-singular,page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-37361,wp-theme-bridge,bridge-core-2.6.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-24.6,qode-theme-bridge,transparent_content,disabled_footer_top,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-8.6.1,vc_responsive

Sarcofaagteksten

 

 

Bezweringen 164 t/m 267

Klik op het Oog van Horus om een afbeelding te zien van de hiërogliefen,
die bij de desbetreffende bezwering horen.

 

Voor een overzicht van de gebruikte bronnen voor deze bezweringen, klik hier.

Voor een overzicht van alle teksten in hiërogliefen met dank aan Adriaan de Buck, klik hier.
(Bij elke bezwering staan deze ook afzonderlijk.)

 164

 

Mijn deel is een maaltijd in de tempels; ik bezit zeven delen, drie in de hemel en vier op aarde in het Huis van Re1 en Thoth.’
‘Waar is het u gegund te eten?’
‘Ik eet in de hut met de takken van de imA-bomen van Hathor, die aan haar hoofd staat…’2
‘Kom naar mij toe, opdat de poort voor u geopend moge worden.’
‘O Grote Oudere, metgezel en broeder3, bereid een weg voor mij.’
‘Kijk, waar ga je in en uit?’ ‘Ik ga naar Wns, ik ga uit via Horus.’
‘Kom, opdat je de Innerlijke Goden, de bewakers van de middelste hemel4, kunt aanroepen; zij zullen een weg voor je bereiden.’
O Grote, o Ziener, o Vader van de Oergoden van de middelste hemel, een weg is voor mij bereid. O Grote –#ns-Iake,
ik zal niet in u vallen; de Meren van de Vernietiger, ik zal er niet in vallen.
Ik ben gekomen om mijn slang5 om te keren, om de uraeus op te richten en om de grote god te genezen van wat hij zo zwaar heeft geleden.
Waar heeft de grote god zo zwaar onder geleden?
Het is zijn hoofd, zijn arm en zijn been.
Ik ben gekomen om op het hoofd en de arm te spuwen, de hoofdhuid te verkoelen en het been van de zieke grote god te verlichten.
Welkom, o uitgeruste geest; kom en ga daarheen en het zal goed komen.

1

Variatie: Horus.

2

ITnw, betekenis onbekend.

3

Zo S2C; variatie: G1T: ‘oudere metgezel’.

4

Variatie: S2C: ‘opdat je degenen kunt aanroepen die behoren tot de oergoden van de middelste hemel’; G1T: ‘opdat je de bewakers van de middelste hemel kunt aanroepen’.

5

Zo in plaats van ‘mijn lichaam’, gezien de toespeling op de uraeus in de volgende zin.

 165

 

BEZWERING VOOR HET ETEN VAN BROOD VAN DE OFFERTABELLEN VAN RE, HET BRENGEN VAN OFFERINGEN IN ON.1

O jij die tevreden is met wat je2 viermaal hebt gedaan en die dagelijks Maät naar Re zenden, de lever van Re bloeit dagelijks dankzij Maät en hij neemt deel aan de maaltijd van de Grote Godin.
Ik ben gezond van al het kwaad dat uit de mond van welke god, geest of dode dan ook is voortgekomen in dit jaar en op deze gelukkige dag van het Tnnt-heiligdom, en een gelukkige dag zal niet ontbreken in het Tnnt-heiligdom, mijn krachten zullen worden geschonken op deze gelukkige dag in het heiligdom.

O jullie die viermaal bij jullie altaar zijn, ik beheers de dagelijkse offergaven in On op de altaren van Re3.
Ik ben de Enige4, ik ben uitgegaan van de horizon met mijn offergaven voor mij uit – tweemaal – en ik zal blijven uitgaan met mijn offergaven voor mij uit – tweemaal – die ik voor mij zie, opdat ik mag eten wat voor mij ligt.
Ik ben deze die uit het ei van de grote god5 is voortgekomen.

1

Variant. S1C: ‘offers brengen bij de poorten van de necropolis in On’; B3Bo: ‘[ … ] bij de tempel van elke god’.

2

In de derde persoon in het origineel, in overeenstemming met Egyptisch gebruik, maar het voornaamwoord kan alleen verwijzen naar de aangesproken persoon.

3

Zo vier teksten; de andere voegen toe: ‘voor hen die Re elke dag liefhebben’.

4

Var. ‘Ik ben een van hen’.

5

Var. B5C: ‘Ik ben deze, ik ben het ei van de god’.

 166

 

O Hoorder, o Ontstopper (van oren), hoor mij, ontstopper mij (?)1 – en omgekeerd – want ik ben de Stier van Kenzet die de maaltijden2 in On beheert, vier broden zijn op aarde bij Horus en drie in de hemel3 bij Min.
Geef mij deze offers en ik zal vertrekken.

1

Van de dertien parallelle teksten zijn er geen twee identiek en er is veel corruptie opgetreden.

2

B3Bo heeft ‘zeven maaltijden’ met het getal in het rood.

3

Zo ook M2C, met Re voor Min; B5C en de B3C-groep hebben ‘op aarde’. S2C-B3Bo laten deze verwijzing naar de plaats van de offers weg.

 167

 

Ga zitten, ga zitten voor het eten, ik ga zitten voor Re wanneer de Enneaden water hebben gegeven.
Sta op, o Overvloed, op de altaren van overvloed.
Ik ben tot u gekomen, o dienaar van Re, ik ben tot u gekomen, want Re’s gelaat is u genadig, het gelaat van de Enneaden is stralend voor u.

U hebt mij brood en bier gegeven toen ik honger en dorst had, want ik ben de Oogloze die op de troon van het firmament zit.

Mijn macht behoort aan mijn dubbelganger, ik voed mij met wat van buiten de horizon komt, ik eet van de Srt-planten die op het veld staan, ik neem deel aan een maaltijd in het oeverland van de god.
O Rouwende(?), maak je haar1 voor mij in orde, O Vergetende(?), je gezicht is naar de muur gekeerd!
Het is @mATt die mij doet spreken2, opdat ik(?)… die twee goden die afdalen naar hun voedseloffers op het feest van de zevende dag; als slangen dalen zij af naar de aarde, en ik zal afdalen op hun windingen als valken stijgen zij op naar de hemel en ik zal opstijgen op hun vleugels.
Het feest van de zesde dag is voor mijn ontbijt3, het feest van de zevende dag is voor mijn avondmaal, want ik ben Re-Atum, ik heb voedsel geplaatst op de altaren van Re-Atum in de twee HTrt meren aan de oostkant van de hemel, want ik ben Re-Atum, Heer van Alles-tweemaal.

1

Letterlijk: ‘je hoofdhuid’.

2

Zo zijn er de vier teksten van de S2C-groep; de andere laten dit weg.

3

Variatie B17C e.v. ‘in het feest van de zesde dag’

 168

 

De rivieroevers komen samen.1
Het haar van Isis is verstrengeld met het haar van Nephthys – en omgekeerd – de verrotting is bootloos2 achtergelaten, de stromen zijn opgedroogd, Geb heeft het water opgeslokt, de handen van Shesmu zijn verenigd boven de longen van de Twee Dames.3

1

Titel van de spreuk alleen in M5C (28d). Deze korte bezwering lijkt een beschrijving te zijn van Egypte tijdens een droogte. De volgende bezweringen 169-171 met vergelijkbare titels zijn inhoudelijk volledig anders.

2

D.w.z. kan niet worden verwijderd. Dit suggereert dat boten werden gebruikt om de meest vervuilende vormen van afval te verwijderen en te dumpen, maar dat het waterpeil nu te laag is voor dat doel.

3

Een onduidelijke zin. B2Bo voegt een overbodige en irrelevante opmerking toe: ‘de poorten van de necropolis’.

 169

 

SPREUK OM DE RIVIEROEVERS TE VERBINDEN.
Ik heb de twee rivieroevers samengebracht, de westelijke met de oostelijke — en omgekeerd.
Mijn voeten zijn deze vier zieners, mijn sandalen zijn Hathor, ik zal de hemel doorkruisen, ik zal de aarde doorkruisen1, ik zal de rivieroevers2 verenigen, deze zijn klein — tweemaal — voortgekomen uit de lippen van de inbA -plant.
Laat mij de vader niet zien van hem wiens gezicht verrot is wanneer hij eraan denkt te huilen.
Moge ik komen en gaan als Shu, want ik ben Shu, mijn gezicht is dat van de Grote Vloed, ik ben geboren als Horus van Shesmet en de rivieroevers zijn verenigd.
Open voor mij, want ik ben de Grote Vloed.

1

Dus B5C. De meeste andere teksten hebben ‘de Twee Landen’, maar het enkelvoud tA ‘aarde’ is de gebruikelijke tegenhanger van pt ‘hemel’. B4C vervangt dit door wAD-wr ‘zee’.

2

B4C voegt ‘In het rijk der doden’ toe en stopt.

 170

 

De rivieroevers verenigen zich in het rijk der doden.1
O IAAw, ik ben hij van het Huis, de twee slangen op het oog van Atum zijn voor mij gescheiden, de stieren2 zijn voor mij naar hun holen geleid.
Hij die de Twee Landen verenigde, gaat voort, steek over, o  Ianw, naar de Afgrond wanneer de dubbelgangers naar de aarde oversteken.
Ik geef <aan> de zwemmers, de rivieroevers zijn voor mij verenigd en god is bevriend met god, van aangezicht tot aangezicht en neus tot neus.

1

Titel van de spreuk in B2Be

2

In twee teksten heeft ‘stieren’ een slang-aanduiding, wat impliceert dat het woord hier verwijst naar machtige slangen, vgl. de ‘stierslang’ van Pyr. § 2254.

 171

 

‘DE RIVIER OEVERS BINNEN.’
Daar komt een vrouwelijke geest aan — zo zegt een vrouwelijke geest. Daar komt een vrouwelijke grootheid aan — zo zegt een vrouwelijke grootheid. Het is Mäaety die hen naar mij brengt; o westelijke oever, kus de oostelijke oever — en omgekeerd — breng mij aan land, want ik bezit de waarheid. O god en godin van de spinnewiel(?) — zo zegt Atum — jullie zullen mij niet voor eeuwig in handen krijgen.

 172

 

De twee landen zijn verbonden voor mijn oversteek, de rivieroever(en) zijn verbonden, de god kust zijn broer, de Stier geeft bevel aan de rivieroever(s) met gezag(?). RECITATIE: DE RIVIEROEVERS.

 173

GEEN UITWERPSELEN ETEN EN GEEN URINE DRINKEN IN HET RIJK DER DODEN.
Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn gruwel en ik zal ze niet eten.
Vuil zal mijn mond niet binnengaan, en ik zal het niet met mijn mond eten, ik zal het niet met mijn vinger aanraken, ik zal er niet met mijn tenen op treden, want ik zal geen uitwerpselen voor jullie1 eten, ik zal geen urine voor jullie drinken, ik zal niet ondersteboven voor jullie gaan, ik zal deze mat van Shesmetet2 niet voor jullie aannemen, want ik zal deze vuiligheid die uit de achterste delen van Osiris is gekomen, niet voor jullie eten.

‘Eet!’ zeggen ze tegen me.

‘Ik zal niet voor jullie eten.’

‘Waarom?’ vragen ze aan me.

‘Omdat ik de sandalen van Sokar draag.’

‘Eet!’ zeggen ze tegen me.

‘Ik zal niet voor je eten.’

‘Waarom?’ vragen ze aan me.

‘Omdat die staf die hemel en aarde scheidde in mijn hand is.’

‘Eet!’ zeggen ze tegen me.

‘Ik zal niet voor je eten.’

‘Waarom?’ vragen ze aan me.

‘Omdat ik die stok(?) heb meegebracht(?) die in de acacia staat.’
‘Eet deze uitwerpselen die uit de achterste delen van Osiris zijn gekomen, waar anders van zou je leven?’ zeggen deze goden tegen mij.
‘Wat ben je komen eten?’3
‘Ik eet brood van witte emmer, ik drink bier van rode emmer.’

‘Brood van witte emmer zal vergaan, bier van rode emmer zal vergaan.
Waarvan kunt u (anders) leven?’
‘Omdat er zeven delen in dit land zijn, komen er vier delen boven met Re en drie delen beneden met Geb naar mij toe.’
‘Hij die u te eten heeft gegeven, waar is hij?’

‘In de hutten onder de imA-bomen van ITnws in de aanwezigheid van %Hr die (de mensen) ondergeschikt maakt(?), omdat ik de opstijgende vlam ben binnengegaan, ik ben uit Sehel gegaan en oefen gezag uit over de twee ezelinnen van Shu en mijn vader, mijn moeder, mijn broers, mijn huis en heel mijn familie zijn mij gegeven omdat ik een beschermer heb tot aan Elephantine en op elke plaats waar ik wil zijn, zodat ik daar kan wonen.’4
Ik ben de Stier, de Oude van Kenzet, verantwoordelijk voor de vijf delen in deze tempel, vijf delen zijn boven met Re, vijf delen zijn beneden met Osiris.
De heilige deuren worden voor mij geopend, de deuren van Kenzet worden voor mij opengegooid, mijn boodschapper verschijnt,
Thoth is hoog verheven, de geesten ontwaken, zij die in Kenzet zijn, brullen voor de Grote Reiger (?) die de wegen opent, die opsteeg van de top van de 1tnws -plant.
Ik was mezelf, ik reinig mijn mond, mijn tanden worden geslepen, uitwerpselen beschermen mij, urine respecteert mij zoals die verachtelijke wezens die dood de hemel doorkruisen, dood.
O jullie twee die de hemel doorkruisen, neem mij mee, opdat ik eet van wat jullie eten, opdat ik drink wat jullie drinken.
Ik galoppeer door de hemel, ik reis heen en weer in de hemel, mijn hut is in het Rietveld, mijn overvloed is in het Offerveld, ik draag de hemel met mijn hoorns, ik loop met mijn sandalen over de aarde.
Ik ben de Dubbele Leeuw, ouder dan Atum, ik neem mijn troon in, die in de woestijnen en in Chemmis is.
Ik heb bezit genomen van Machten en hun hoven (?) op de wegen van de Bark van Khopri, ik5 heb degenen die in hun hutten zijn geleid, ik heb bezit genomen van degenen die in hun grotten zijn, ik heb de cirkels van de hnhnw-bark gemaakt, die ik heb geleid op de wegen
van Khopri, ik heb in de bark van Khopri gestaan.

Ik beheers de bemanningen van Atum ’s avonds op de dag dat de god zijn woorden met macht uitspreekt, ik laat zijn woord binnendringen in hem wiens keel vernauwd is.
Ik open mijn mond, ik eet leven, ik leef van lucht, ik leef hierna weer.
Vuil is mijn afschuw en ik zal het niet eten; mijn afschuw is uitstroom, ik zal geen afscheiding drinken.
Ik zal de aardgod overleven.
Ik ben degene die de zoon van hem die de macht heeft, de zoon van de grote god, zal beschermen.
Uitstroom is mijn afschuw en ik zal het niet eten, ik heb gegeten van Hem die de dadels beheert, die in zijn heiligdom is, van wie Re’s volgelingen leven.

‘Wegwezen!’ zeggen ze tegen me. ‘Wie ben jij?’

‘Ik ben Horus <op> zijn hoge zitstok(?)’.

1

Meervoud, verwijzend naar de naamloze bewoners van het Hiernamaals, die ‘deze goden’ worden genoemd en die willen dat de overledene dit walgelijke dieet nuttigt.

2

Wat de ‘mat van Shesmetet’ precies is, is niet duidelijk.

3

Na B1C. B2L en B3C laten deze zin weg en voegen betekenisloos ‘in dit land waarheen u bent gekomen’ in.

4

De kruisverhoren stoppen hier.

5

B3C gebruikt de derde persoon, maar de eerste persoon van de andere teksten is ongetwijfeld de oorspronkelijke vorm.

 174

 

Ik ben naar Shu geklommen, ik heb de zon beklommen, mijn maaltijden zijn in On, drie1 porties in het Rietveld.
Ik verafschuw uitwerpselen en ik zal ze niet eten, ik zal ze niet ruiken; urine, ik zal het niet drinken.
Ik eet met mijn mond, ik ontlast me met mijn anus; ik zal niet naar u toe gaan…

1

Variant, B3C : ‘vijf’.

 175

 

SPREUK OM NAAR DE HEMEL TE STIJGEN, NAAR DE PLAATS WAAR RE IS.

Ik ben Horus, die heerst over het Meer van de Hemel, Thoth, die heerst over de Goden hut, en de Witte Stier die door de melkgodin gezoogd werd.
Ik ben de Grote, die door de kikkergodin geschapen werd, die1 deze beenderen van Osiris verzamelde.
Als jullie2 als gieren naar de hemel opstijgen, zal ik op de puntjes van jullie vleugels opstijgen als jullie als slangen naar de hemel opstijgen, zal ik op jullie kronkels opstijgen als jullie als uraei naar de hemel opstijgen, zal ik op jullie hoofden opstijgen.
Ik heb bezit genomen van mijn dubbelganger als lichaam en die zal mij naar de poelen van het Veld der Offerandes van Re brengen.
Ik zal eten, want mijn maaltijd is daar, het feest van de zesde dag is voor mijn maaltijd, het feest van de zevende dag is voor mijn avondmaal en er wordt voor mij gejuicht in het gevolg van Re.

1

Vrouwelijk, d.w.z. Heket.

2

De bovengenoemde godheden.

 176

 

De god komt in vrede,” zeggen zij die bij volle maan zijn, zij hebben mij verschijningen in glorie met Re gegeven.
OPSTIJGEND NAAR DE HEMEL, NAAR DE PLAATS WAAR RE IS.

 177

 

GESCHENKEN GEVEN AAN EEN MAN IN ON.
Gegroet, Hu, Baah, Neper, Sek!
Gegroet, jullie goden die offers brengen aan Re, [die] bij Hu zijn, die zich onder de hemelse runderen bevinden.
Ik eet van wat Re bijt, ik zit op de tronen van de zonneschijn, Onet behoort mij toe, [ik ben van Onet gekomen …] achter mij.
Tefenet is op mijn armen, Wepwawet is op mijn lendendoek, (zelfs) hij die in zijn Westen is, zij zorgen ervoor dat ik gevoed word in het Offerveld dat aan Re toebehoort.
Ik eet en heb <mezelf> bijeengebracht zoals Hem die heerst over zijn Enneade, die leeft te midden van de hemelse runderen.

 178

 

GESCHENKEN GEVEN IN HET VELD.
Geschenken worden gegeven op het offerveld; wanneer u eeuwigdurend geeft, geef Mij dan eeuwigdurend en Ik zal voor eeuwig tevreden zijn.

 179

 

Brood brengen in On, geschenken geven in On, geen uitwerpselen eten in On, verschijnen als een god, de geest van de Grote Godin1 aanbidden.
O Grote Voorziener die heerst over huizen, tot wie het grote brood opstijgt dat in de Brede Hal in Ani is en de aanroepingsoffers in On, die groot brood geeft aan Ptah in On, geef mij brood en bier,2 laat mij van de schenkel van rundvlees eten samen met het sASrt-brood.
O mijn dubbelganger,3 breng mij wat, zodat ik ervan kan eten en daardoor gezond kan worden, mogen de offers voor mij bloeien.

1

Aldus .S10C; ‘Grote’ is vrouwelijk. Variatie: ‘Brood geven in On’ B4C; D1C ‘Kleren geven in On’, M57C; ‘Het graf van een man laten bloeien in het rijk der doden’ B2L, zie ook B3Bo.

2

Variatie: alleen ‘brood’. B2L en B3Bo hebben het imperfectieve participium ‘die geeft’; T1C heeft alleen ‘geef aan mij’.

3

Variant: ‘O Veerman van het Rietveld’.

 180

 

U Wees gegroet, U die heerst over overvloed en die waakt over de provisies uit het veld.1
Ik geef brood aan N, opdat N graan mag eten, opdat N Khopri mag worden zoals Hij wiens haar gescheiden2 is, opdat N weer3 mag leven te midden van de hemelse runderen; opdat N met zijn mond mag eten zoals Hij wiens haar gescheiden is en opdat N in zijn achterste mag worden losgelaten zoals Selket. Moge adem in N’s neus zijn en zaad in zijn fallus zoals Hem die vormloos is.
NIET IN HET MEER VAN ^NWNW VALLEN.

1

Variatie: ‘Het veld van staan’.

2

Variatie: T1L: ‘zoals de naamherhaler aan het hoofd van de hemelse runderen’.

3

Letterlijk: ‘herhalen’, alleen in B2L.

 181

 

O Hoorder! O Ontstopper! — en omgekeerd — hoor mij, ontstopper mij, red mij wanneer ik gehoord word, want ik ben de Stier van Kenzet, een bezitter van brood in [On]; vier delen zijn in de hemel en drie delen zijn op aarde.
Deze dingen zijn voor mij gemaakt als gaven in On die mij gegeven zijn, want ik ben de Stier met krullend haar, die vijf delen heeft in het Huis van Horus en twee delen in het Huis van Seth; drie delen zijn in de hemel en drie delen zijn op aarde.
Het is de Nachtbark en de Dagbark die dagelijks voor mij naar het Huis van de God worden gebracht.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten, noch urine drinken; ik zal niet ondersteboven lopen, want het is Isis die mij elke dag roeit.

 182

 

Ik ben Isis; ik ben uit mijn huis vertrokken en mijn boot ligt aan de meerlijn, Horus brengt mij over, Horus1 brengt mij aan land, net zoals hij het bootloze Oog van Horus aan land bracht als het Oog van Horus niet bootloos is, dan zal ik ook niet bootloos zijn.
O jullie die stroomafwaarts of stroomopwaarts varen terwijl ik bootloos ben, breng mij dit, breng mij aan land, want ik ben gekomen met deze kist der goden, ik heb deze kist der goden geopend.
Ik ben van Pe afgedaald, ik ben overgevaren van Dep, ik ben aan land gegaan vanuit mijn boot in On, ik heb het meertouw in Djedu vastgemaakt.
Breng mij dit, zodat ik kan opstijgen als dit is wat jullie mij vandaag hebben gebracht, zal de roerpen van de godenboot niet breken, zal het roer niet afbreken, zal de achtersteven niet breken, zullen de touwen niet doorgesneden worden door de bemanning van Re.
O jullie die in de lucht reizen, ik zal met jullie meevaren, ik zal reizen als Isis, want ik ben degene die dit naar hem zal brengen.
Mijn boot zal naar mij gebracht worden, de meerpaal zal voor mij in de grond gedreven worden, sandalen zullen voor mij neergelegd worden, want ik ben de erfgenaam van mijn vader die mij alleen, helemaal alleen, naar deze binnenplaats brengt.
O goden, breng mij dit.

1

Variatie ‘Seth’.

 183

 

Het geven van brood in On.
Recitatie: Ik ben @wrr, eigenaar van zes maaltijden in het Grote Huis; drie porties bevinden zich in de hemel met Re-Atum en twee porties op aarde met Geb. Mijn1 gaven staan ​​opgetekend in het register van de Dubbele Meester, schrijver van het Offerveld, mijn overvloed aan voedsel en wat brood betreft, staat opgetekend in het register van de Naam-Herhaler die heerst over de hemelse runderen omdat ik meesteres ben in het Grote Huis, iemand die de leiding heeft over het bestuur in het Offerveld onder de raadgevingen die bij de Tweede Gelegenheid zijn gedaan.

1

Objectief achtervoegsel, verwijzend naar de geschenken die de spreker heeft ontvangen.

 184

 

GEEN UITWERPSELEN ETEN IN HET RIJK DER DODEN, NIET ONDERSTEBOVEN LOPEN, MACHT HEBBEN OVER WATER EN LUCHT, DE DAG INGAAN.
Ik ben deze lotus-verkennende reiger (?) die de gS-vogel speelt, die ontzag inboezemt bij talloze mensen.
Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten; wat ik verafschuw is uitwerpselen en ik zal ze niet eten; ik zal geen vuil consumeren.
Ik zal er niet met mijn handen naar opgaan, ik zal er niet met mijn sandalen op trappen, ik zal er niet met mijn vingers van eten.
‘Waarvan zul je leven? Waarvan zul je eten?’ zeggen de goden tegen mij.
‘Ik zal leven van brood in het Offerveld, ik zal overvloed hebben in het Rietveld, mijn mand met nnt-planten is in mijn hand, mijn stoffen tas is van twn-planten.
Ik zal nooit neerbuigen om mijn vader Geb1 te kussen, ik zal nooit water drinken uit de pluim die op het water drijft.
Mij is macht gegeven over het genot van de geslachtsgemeenschap, vreugde in het genot wanneer het verlangen komt, en tevredenheid in het genot van het eten van brood, omdat ik deze reiger ben die op het plateau van de horizon van de hemel is, ik vlieg omhoog naar de oostkant van de hemel, ik land aan de westkant2 van de hemel, ik doorkruis de hemel als Re, ik kom neer als Thoth, ik ben uniek onder hen.’

1

Variatie: ‘Ik zal nooit voor mijn vader Geb buigen’.

2

B1L en B3Bo keren de volgorde om naar ‘westers’ en ‘oosters’, maar B9C komt overeen met de bewegingen van de zon. T1L lijkt dezelfde verwarring te delen als B1L en B3Bo.

 185

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; ik zal geen vuil consumeren, want ik ben Anubis, de Stier van zijn Zijde.

 186

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten, ik zal geen vuil consumeren, ik zal niet ondersteboven naar u1 toe gaan, ik zal geen urine voor u drinken, want ik ben deze Grote die tegen de vijanden heeft gestreden (?), voor wie negen delen zijn gemaakt uit de voorraad van Osiris, vier delen zijn in de hemel bij Re, drie delen zijn op aarde bij Geb en twee delen zijn in de tempel – zo zegt AXbXb zoon van IsHnn, zo zegt Nu.
Nu. ‘Kom binnen’, zei QAqA, want ik ben degene die macht heeft over de porties, omdat ik geen uitwerpselen eet.
‘Waar zul je van leven? Wat zul je doorslikken?’, zeiden de goden.
‘Ik zal leven van die aangename boom die in het heiligdom van de god staat.’
‘Waar is het je toegestaan ​​te eten?’
‘Ik zal eten onder deze plataan die ten zuiden van Nefrusi staat, onder de takken van Itnws.’

1

De goden van het Hiernamaals.

 187

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten, ik zal geen vuil consumeren, want mij behoort deze witte, stralende kroon van Anubis toe.
Het brood ervan is van de zizyphusboom, het bier is van witte emmer en er wordt ook een portie rode emmer voor gemaakt.
De steunpilaren van de Witte Kroon zijn uitgetrokken, de machtsgevers van de uraei; twee velden bevinden zich in het midden van…1 ik heb een troon die de Stille voor mij heeft gegrepen om zijn brood te beschermen, want ik zal geen uitwerpselen voor jullie eten.
‘Waarvan zullen jullie leven?’ vragen de goden.
‘Ik zal leven van die drie porties die voor Osiris zijn gemaakt; één is voor Horus, een andere voor Seth2 en een andere voor mij en ik ben hun derde.’
‘Waarvan leeft Osiris?’ vragen de goden.
‘Hij woont op deze groene plant die aan de oevers van de rivier Ggws staat.’
Ik ben vandaag in de aanwezigheid van Ptah gekomen en hij heeft mij met deze staf van hun krijgers een zetel gegeven op het blok (?) dat boven de ingang van de horizon van de hemel staat.
Ik vond Khons onderweg toen hij naar Punt ging, en hij heeft duizenden voor mij laten opstaan ​​en honderden voor mij laten zitten als mijn broer en mijn zus, als de levenden, man en vrouw, ik als mannen, als mijn familie, als mijn medeburgers, man en vrouw, die verheven zijn (?).
Hij is naar zijn rijk gekomen (?), zijn ingang is bij zijn hand, zijn… achter hem wanneer hij leeft.
‘Moge je drinken’, zeggen de horizonbewoners tegen mij.
‘Moge je leven van wat wij leven, moge je eten van wat wij eten, moge je drinken van wat wij drinken’.

1

Volstrekt onbekend.

2

Var. B1L: ‘Osiris’.

 188

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; ik zal geen vuil consumeren.
Ik zal er niet met mijn handen naar op zoek gaan, ik zal er niet met mijn sandalen op trappen, ik zal er niet met mijn vingers van eten.
‘Waarvan zul je leven1 op de plek waar je bent gekomen?’ vragen de horizonbewoners mij.
‘Ik zal leven van die zeven delen die zijn voortgekomen uit de grote altaren van de Zielen van On.
Hun vier delen bevinden zich in de hemel bij Re, hun drie delen bevinden zich op de aarde bij Geb.’
‘Waar is het je gegund om te eten?’ vragen de horizonbewoners mij.

‘Ik zal eten onder deze mirreboom, genietend van de bries van Nefrusi.’

‘Welkom, o zwemmer van schapen!
We zullen op je staart zwemmen.
We zullen leven van de koekjes uit je voorraadkist, we zullen drinken uit de inhoud van je kruiken.’
‘Hoe moet ik handelen?
Je zult leven van de koekjes uit mijn voorraadkist, je zult drinken uit de inhoud van mijn kruiken.’
‘Handel wanneer we je vijvers graven, wanneer we je bomen planten en je paleizen bouwen.’
‘Er is brood voor wie mijn werk doet, ik zal brood geven aan wie mijn werk doet.’
Ik zal de touwen voor Re in de lucht knopen, ik zal hem laten landen in het prachtige Westen.
Ik zal mijn touwen in de lucht knopen zoals Re, ik zal landen in het prachtige Westen.
Breng me dit!2 ‘Wie ben je?’ zegt de … tegen mij.

1

B9C en B1L laten het vraagwoord weg.

2

De reguliere oproep voor de hemelse veerboot.

189

 

Wat ik verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten, ik zal geen vuil consumeren, ik zal er niet met mijn voeten op treden, ik zal er niet met mijn vingers van eten.
Ik heb geploegd, ik heb geoogst, ik heb een deegkoek gemaakt op het Eiland van Vuur, ik breek mijn vasten met witte emmer, ik eet rode emmer (?), mijn gave bestaat uit zeven delen die afkomstig zijn van de grote altaren van de Zielen van On; vier delen ervan zijn in de hemel bij Re, drie delen ervan zijn op aarde bij Geb.
Ik heb de bark aan het land vastgebonden, mijn gaven zijn bij hen die in On zijn.
De papyrusstengels zijn afgesneden, de veters (?) zijn gedraaid, de romp is gevlochten.1
Er is een weg naar de hemel voor mij gemaakt en ik ben koning van hen die daar zijn.

1

Een verwijzing naar de bouw van een rieten kano.

 190

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; ik zal geen vuil consumeren.
Ik zal er niet met mijn vingers naartoe gaan, ik zal er niet met mijn tenen op treden.
Als ze mij1 vragen: ‘Waarvan zult u leven?’ (zal ik antwoorden) ‘Ik zal leven van de witte emmer die in de oostelijke hoek van de hemel is.’
Ik ben opgestegen als een zwaluw2, ik heb gekakeld als een gans, ik ben neergestreken op dit grote plateau; want wie daarop neerstrijkt, zal nooit sterven, en wie zijn handen verborgen3 houdt, zal als een god worden gezien.
Mijn waterbronnen ontspringen voor mij, de stroom wordt voor mij uitgespuwd en voor mij zijn de poorten van de horizon geopend, de goede plaats van de hemel waarin ik wil wonen.

1

De bewoners van het Hiernamaals.

2

Dus in plaats van ‘de grote’, ondanks wat er staat, wordt de overledene in de volgende zin vergeleken met een andere vogel, de gans.

3

Oftewel, in verband gewikkeld als een mummie.

  191

 

SPREUK OM GEEN UITWERPSELEN TE ETEN IN HET WESTEN.
O kind van uitwerpselen, breng je uitwerpselen niet naar mij.
‘Waar zul je van leven?’
‘Ik ben de Stier van @nnt, die zich aan de grenzen van de hemel bevindt. Ik bezit vijf grote delen met Osiris1, drie delen in de hemel en twee op aarde.2 < … > heeft bepaald dat mijn naam voor eeuwig zal voortleven; hij heeft mij uit zijn mond gespuwd en uit zijn neus geblazen.
Deze twee grote en machtige goden, die voedsel eten aan de oevers van de hemel, hebben bepaald dat wanneer zij als valken naar de hemel opstijgen, ik op hun vleugels ben; wanneer zij als slangen naar de aarde neerdalen, mijn voeten op hun kronkels rusten.
Mij is het feest van de zesde dag gegeven voor mijn ontbijt en het feest van de zevende dag voor mijn avondmaal3 en ik heb de lofzangen gehoord uit de mond van de geschoren priester in On.’

1

B9C en B1L: ‘deze vijf grote porties’; B4C vervangt (99g-i): ‘Wat ik dubbel verafschuw, zal deze N niet eten; haar verafschuw […]’ en eindigt.

2

Variatie B1L: ‘drie’ en ‘drie’.

3

S1C heeft de zesde en zevende dag samengevoegd tot één groep.

 192

 

GEEN UITWERPSELEN ETEN EN GEEN URINE DRINKEN.
Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw, ik zal ze niet eten; ik zal geen vuil consumeren, ik zal er niet met mijn vingers1 aan voelen, ik zal er niet met mijn tenen2 op trappen, vuil zal mijn buik niet binnendringen.
‘Waarvan zult u leven?’ vragen ze mij.
‘Van deze zeven delen. Vier delen zijn in de hemel bij Orion en drie op aarde in de Dagboot3, die uit de altaren van de Zielen van On voortkomen, omdat ik deze Enige ben voor wie Anubis heeft gebogen, wiens ledematen Anubis heeft versterkt.’
‘Waar zult u eten?’
‘Van het riet, van het riet dat voor de @knws staat en ik juich voor mijn dubbelganger.’
GEEN UITWERPSELEN ETEN IN HET RIJK DER DODEN.

1

Variatie S1Ca: ‘mijn handen’.

2

Variatie ‘sandalen’, ‘voeten’.

3

S1Ca voegt vóór deze zin toe: ‘Vier bevinden zich in het Huis van Horus, drie in het Huis van Thoth’.

 193 1

 

O vuil, ik zal je niet met mijn mond opeten, ik zal niet met mijn handen2 naar je opgaan, ik zal niet op je trappen met mijn voeten.
Mijn tuin is in het Offerveld, mijn … zijn in het Rietveld.
Blijf ver van mij, o drager van uitwerpselen!

1

B2Bo begint met de rubriek ‘Spreuk om geen urine te drinken’, maar de spreuk zegt niets over drinken.

2

Variatie B1Bo: ‘met zijn vingers, met zijn handen’.

 194

Gebed om geen uitwerpselen te eten.
Zelfs als Re zeer hongerig is en Hathor zeer dorstig, zal ik het aardse stof (?) waarmee dorsvloeren bedekt zijn niet eten.
O poortwachter van de modder (?) van de Twee Landen, breng mij mijn veerboot, neem mij onder uw hoede in deze roeiboot van u, want ik ben rein onder de reinen in de aanwezigheid van de Heren der Eeuwigheid, iemand die mirre kauwt en leeft door rechtvaardigheid.
Ik ben sterk en ik bereik de gezegende staat.

1

De zonnegod.

 195

 

Wat N dubbel verafschuwt, zal hij niet eten.
Uitwerpselen zijn N’s verachting, N zal ze niet eten, N zal geen deel hebben aan vuil. N zal het niet met zijn mond eten, deze N zal niet eten wat aan zijn vingers kleeft.
‘Waarvan zal deze N leven?’ zeggen de goden van het Nieuwe Maanfeest.
Deze N zal leven van deze zeven (delen) die voortkomen uit de altaren van de Zielen van On; vier delen zijn in de hemel bij Re en drie delen zijn op aarde bij Geb.
O N, snijd de papyrusstengels door, draai de veters (?) en vouw de romp! N is gekomen, N heeft de papyrusstengels doorgesneden, N heeft de veters (?) gedraaid, N heeft de romp gevouwen, N is de koning van hen die daar zijn.
N is vandaag naar Ptal gekomen, hij heeft een staf gemaakt die hun groten verslaat. N zit op een troon voor de horizon.
N trof Khons aan op zijn pad toen hij uit Punt kwam, en hij heeft ervoor gezorgd dat N tussen duizenden heeft gestaan ​​en tussen honderden broeders en medeburgers heeft gezeten.
‘De Volgeling is gekomen’, zeggen ze tijdens het Nieuwe Maanfeest, ‘hij leeft van wat wij leven, hij eet van wat wij eten, hij drinkt van wat wij drinken’.

 196

 

Mijn hart heeft … , mijn dubbelganger heeft macht, ik ben geïnstalleerd bij Re en Re installeert mij bij deze grote goden die neerdalen voor hun maaltijd tijdens het feest van de zevende dag.
Zij zijn als slangen naar de aarde afgedaald, en ik ben op hun kronkels afgedaald; zij zijn als valken naar de hemel opgestegen en ik ben op hun vleugels omhooggegaan.
Zij hebben mij aan de oevers van de horizon geplaatst en ik heb met hen het feest van de zesde dag als mijn (hoofd)maaltijd en het feest van de zevende dag als mijn avondmaal gegeten.
Ik hoor gejuich in de monden van de geschoren priesters – tweemaal.

 197

 

GEEN UITWERPSELEN ETEN IN HET RIJK DER DODEN.
Ik ben de metgezel van die twee goden die als valken naar de hemel opstijgen en ik stijg op hun vleugels, die als slangen naar de aarde afdalen en ik daal af op hun kronkels.
Ik zal geen uitwerpselen voor jullie eten, ik zal niet ondersteboven voor jullie1 lopen, ik zal niet gebogen voor jullie heengaan, ik zal rechtopstaand heengaan. Mijn fallus is bij mij, hij is vast, mijn anus is bij mij, hij is vast. Ik eet met mijn mond, ik ontlast met mijn anus.
‘Waarvan zult u leven?’ zeggen zij die daar bij mij zijn.
‘Ik heb de twee openingen2 in Djedu dichtgemaakt, ik heb de twee velden in Irw3 geopend, omdat ik behoor tot die boodschappers van ‘Als-hij-wil-doet-hij’.

1

Alleen S6C. Het is niet duidelijk naar wie het meervoud ‘jullie’ verwijst; het kan verwijzen naar ‘degenen die daar zijn’, zoals hieronder vermeld.

2

Letterlijk wellicht ‘neusgaten’.

3

Variatie S6C: ‘de steengroeve’.

 198

 

Ik ben de derde van deze goden die als valken naar de hemel opstijgen en ik stijg op op hun vleugels; die als slangen naar de aarde neerdalen en ik daal af op hun kronkels.
Ik zal geen vuil voor jullie eten, ik zal niet voor jullie gebogen heengaan, ik zal rechtopstaand heengaan.
Mijn fallus is bij mij, hij is vastgehecht; mijn anus is bij mij, hij is vastgehecht.
Ik eet met mijn mond, ik ontlast me met mijn anus.
‘Waarvan zult u leven?’ zeggen zij die daar zijn.
‘Drie delen zijn in de hemel bij Re, vier delen zijn op aarde bij Geb.
Het is de Nachtboot en de Dagboot die ze dagelijks naar mij brengen in de twee schepen van Re.’

 199

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; ik zal geen vuil consumeren, ik zal het niet met mijn vingers aanraken, ik zal er niet met mijn tenen op trappen.
‘Waar zult u van leven?’ zeggen zij die daar zijn.
‘Van een sASrt-koek van rode emmer, van een brood van gedraaide gerst.’
‘Waar is het u gegund te eten?’ zeggen zij die daar zijn.
‘Onder de takken van de vijgenbomen; ik verlang ernaar, samen met de minstrelen van Hathor, want ik ben deze stier op wie1 zijn testikels zijn, die uit On is voortgekomen.’

1

Zeker in plaats van ‘wie is erbij’, wat in deze context geen zin heeft.

 200

 

NIET ONDERSTEBOVEN GAAN.
O Uitwerpselen, ‘Ik-zal-haar-niet-bevuilen’1 is jouw naam.
Je hebt Horus bevuild die in zijn…,2 je hebt de vaten (?) van de levenden bevuild als je mij een presentatie geeft, geef je zijn nacht aan Re.3

1

@s lijkt een denominatief werkwoord te zijn van Hs ‘uitwerpselen’. Het objectvoornaamwoord ‘varen’ is te danken aan het feit dat de kist die van een vrouw is.

2

NgA , betekenis onbekend; mogelijk een kledingstuk.

3

Oftewel, verban de zon naar de buitenste duisternis.

 201

 

Ik ben de Bouwer van de Duisternis, eigenaar van twee delen op aarde met Geb en drie in de hemel met Re.1
Ik zal in de armen van het Veld zijn, en zij die in de pest verkeert, bloeit.2
Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten, de ssnnw van mijn vader zijn urine3 en ik zal ze niet drinken.
Ik ga rechtop staan, want ondersteboven zijn is mijn afschuw.
De Volgelingen van Re zijn zij die mij dienen, want ik ben een kind van Wnpy , de zoon van Thoth.
Onreinheden zijn mijn afschuw en ik zal ze nooit eten, uitwerpselen worden immers (weggeworpen) achter de aangename dingen die zich in het heiligdom van de goden bevinden.4

1

Variatie: ‘eigenaar van vijf delen in de tempel; drie delen ervan bevinden zich in de hemel bij Re, twee delen ervan bevinden zich op aarde bij Geb’.

2

Variatie: ‘hij bloeit in de Kronkelende Waterweg; hij rust (zo BH30x) [in(?)] het Veld, de Heer van de Pest’.

3

Variatie: ‘<Mijn(?)> ssnnw zijn urine’. De betekenis van ssnnw is vrij onduidelijk; ware het niet voor de man-det. in S1C, dan zou men kunnen vermoeden dat het een synoniem is van bwt‘ afschuw’.

4

Variatie: ‘uitscheiding (voor verbranding) ligt achter de aangename dingen’.

 202

 

Wat ik verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; vuil zal mijn buik niet binnendringen, ik zal er niet met mijn handen naar toe gaan, ik zal er niet met mijn sandalen op treden.
Ik ben beschermd tegen jullie die gebogen zijn, ik zal niet ondersteboven lopen.
Wie mij dient, is de dienaar van Horus, want ik ben een van jullie.
‘Waarvan zullen jullie leven?’ zeggen de heren van Pe.
Ik zal leven van wat zij leven, ik zal eten van wat zij eten; ik zal leven van wat zij leven, ik zal leven van die aangename boom die in zijn heiligdom staat, waaraan de Volgelingen van Re leven, want ik woon inderdaad in zijn heiligdom, rein zijnde; ik zal in hem binnengaan en hem redden.

 203

 

BEZWERING VOOR MACHT IN HET WESTEN1, OM GEEN UITWERPSELEN2 TE ETEN EN NIET ONDERSTEBOVEN3 TE LOPEN.
O jullie die uitwerpselen in On verwerpen, wees ver van mij, want ik ben de Stier wiens troon gereed is.
Ik ben opgestegen als een zwaluw, ik heb gekakeld als een gans, ik ben neergestreken onder de plataan die zijn … koestert, die zich midden in de vloed4 bevindt.
Wie erop5 neerstrijkt, zal niet verwaarloosd worden en wie eronder is, zal zijn als de grote god.
Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; vuil zal mijn lichaam niet binnendringen.
Ik zal er niet met mijn handen naartoe gaan, ik zal er niet met mijn sandalen op treden, ik zal niet in kommen stromen, ik zal niet voor u in kannen gieten, ik zal niet ondersteboven voor u handelen, ik zal geen water voor u halen aan de oevers van de vijvers.
ZO SPREEKT IEMAND DIE NIET KAN TELLEN: ‘HOE ZULT U LEVEN IN DIT LAND WAAR HIJ NAARTOE GEKOMEN IS, OM EEN GEEST TE WORDEN?’
‘Ik zal leven van brood van zwarte emmer en van bier van witte emmer op het Offerveld, want deze onderscheiding van mij is groter dan die van welke god ook; er zal overvloed zijn in Kher-aaha en overvloed in On.’
Wat ik verafschuw, zal ik niet eten. Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; vuil zal mijn lichaam niet binnendringen.
Ik zal er niet met mijn handen naartoe gaan, ik zal er niet met mijn sandalen op treden.’
ZO SPREEKT IEMAND DIE NIET KAN TELLEN: ‘WAARVAN ZULT U LEVEN IN DIT LAND WAARNAAR U GEKOMEN BENT OM EEN GEEST TE ZIJN?’ ‘Ik zal leven van zeven porties brood; vier broden zijn in het Huis van Horus en drie in het Huis van Thoth.’
‘Wie zal het u brengen?’
‘Het is de voedster van het Huis van Horus en de rentmeesteres (?) van de Zielen van On die het naar mij zullen brengen’.
ZO ZEGT IEMAND DIE NIET KAN TELLEN: ‘WIL JE ELKE DAG LEVEN VAN ANDERS GOEDEREN?’
‘Er zullen twee velden voor mij geploegd worden in IAw.
‘WIE ZAL ZE VOOR JOU PLOEGEN?’
‘Het is de grootste van hen die behoren tot de goden van de hemel en de goden van de aarde (?) <die zullen ze voor mij ploegen (?),>
‘WAARMEE ZAL IEMAND VOOR JOU DORSEN?’
‘Iemand zal voor mij dorsen als Apis die heerst over NsAw; iemand zal (zaad)20 voor mij vertrappen als Seth, Heer van de noordelijke hemel’.
‘WAAR ZUL JE HET ETEN?’
‘Onder de takken van de Hs-nfrt boom die @knws ondersteunt.
Wat betreft de omhulde (?) van de verering van de Twee Landen, er is een pad voor mij gemaakt en hier ben ik, ik heb de steun (?) van de Groene Kronen meegebracht, de […] van de uraei. Ik heb de hemel rondgereisd, langs al zijn vier hoeken en ik zit op de plaats.

1

Variatie: ‘in de kennis van de god’. De vertaling volgt over het algemeen S1C.

2

Herhaald in S1C; T3Be: ‘bij de gezegende N’.

3

Alleen in S1C; T3Be: ‘hij zegt’.

4

Variatie: T1Be: ‘Ik heb mij laten neerstrijken op de takken van de Hs-nfrt boom (vgl. 138d) die in het midden van het eiland van het vloedland staat’; T3Be: ‘Ik heb mij laten neerstrijken op de prachtige plataan die in het midden van de heuvel van de twee platanen van het vloedland staat’.

5

Variatie: ‘hij die opstijgt en neerstrijkt’. waar ik wil zijn.’

 204

 

GEBED OM NIET UITWERPSELEN TE ETEN OF ONDERSTEBOVEN TE LOPEN IN HET RIJK DER DODEN.1
O Schepper van leven, breng mij dit, want ik ben… Ik ben Apis, die in de hemel is, met lange hoorns,2 met mooie namen,3 verziend, ver lopend: ik ben voedster, uitwerpselen4 zijn mijn afschuw en ik zal niet eten; uitwerpselen en ik zal niet drinken.
Ik zal niet op mijn vingers klimmen, ik zal er niet met mijn sandalen op treden, ik zal op mijn voeten lopen, ik zal niet ondersteboven zijn.5

1

De variantteksten bevatten alleen ‘niet ondersteboven lopen’, maar S10C voegt daaraan toe: ‘een ziel naar het dodenrijk sturen’.

2

S10C luidt: ‘die onder de stieren is, die in de hemel is, machtig van hoorns, […] van hoorns’.

3

Variant B1Bo, S10C: ‘die je mooi maakt’.

4

Variant S1C: ‘uitstroom van de aarde’.

5

B3C voegt een rubriek toe: ‘niet ondersteboven lopen in het dodenrijk’. B2L voegt een uitbreiding toe aan de openingsrubriek: ‘in het dodenrijk in feite’.

 205

 

NIET ONDERSTEBOVEN LOPEN.
Een stem klinkt in de noordelijke hemel, geklaag klinkt in het moerasland, vanwege de stem van de oproep van de gezegende.
Ik ben verheven tot de plaats waar Maät is, ik ben naar hen toe gevlogen als een zwaluw, zoals Thoth; ik kakel naar hen als een gans, zoals de God van de Wijnpers1; ik vlieg op als een gier naar dit grote plateau, opdat ik erop mag staan.2
Ik verschijn als een god, want wie naar hen kijkt, zal nooit sterven.
De waterbronnen van de moerassen van de Huizen van de Rode Kroon3 zijn de vlam van het Oog van Horus.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal niet voor u eten; urine is mijn afschuw en ik zal niet voor u drinken; ondersteboven lopen is mijn afschuw en ik zal in geen geval de recitatie voor u uitvoeren.
‘Waarvan zult u leven, ik, op deze plek waar u bent gekomen?
Die zeven4 geesten die Re verheffen, die Re tonen, die leven van uitwerpselen, ik die hun dorst les met urine, die ondersteboven lopen,5 zullen niet naar u kijken.’

‘Ik ben degene die tegen hen is uitgerust, ik zal de banden met hen verbreken op de dag dat ik voor het Tribunaal van Re verschijn.
Ik zal leven van wat zij leven, ik zal eten van wat zij eten, ik zal zitten op de plaats waar zij zitten, ik zal leven van komkommers, vijgen, wnSw en druiven, ik zal rondreizen tot aan de horizon, naar de plaats waar mijn dubbele verlangens verblijven.’
‘Waar bent u voor gekomen, waar bent u voor gekomen?’
‘Zeven delen bevinden zich in het Huis van Horus, drie delen in de hemel en twee op aarde; het is de Nachtbark en de Dagbark die mij alle delen zullen brengen van de altaren van de Zielen van On.’6

1

Variatie ‘van’; S2C en B2Bo hebben de directe genitief. B9C laat ‘Ik lach naar hen’ weg.

2

B2Be voegt toe: ‘opdat ik erop mag zitten’.

3

Variatie ‘van Mut’ in B2Bo.

4

Variatie S1C: ‘vier’.

5

B1Bo voegt in: ‘Deze N zal zeggen: Hij zal niet geven <voor(?)> die zeven geesten die Re verheffen’, enz.

6

B1Bo en B2Be voegen de rubriek toe: ‘Recitatie voor het niet eten van vuil in het rijk der doden’.

 206

 

NIET ONDERSTEBOVEN LOPEN.
Een obstakel! is gebouwd in Djedu, ik heb twee velden met riet geploegd, twee dampalmen bewaken ze.
Ik heb de tong van de Stille weggenomen, ik maal mijn voedsel ermee.
Ik zal geen uitwerpselen eten, ik zal geen urine drinken, ik zal niet lopen.

 207

 

GESCHENKEN ONTVANGEN IN ON.1
O jullie twee die ’s nachts gebaard hebben, kom en draag mij.
O jullie twee die Re verwekt hebben, jullie zullen mij dragen, die in het ei ben; wanneer jullie mij gedragen hebben, zullen jullie mij zogen.
Mijn hart is blij aan het hoofd van de Onderwereld en de harten van de goden zijn blij als ze mij jong zien.
Het feest van de zesde dag is voor mijn ontbijt en het feest van de zevende dag voor mijn avondmaal; gevlekte koeien worden voor mij geslacht voor mijn wSg-feest.
Ik heb verlangd dat mij gegeven wordt wat mij toekomt, omdat ik de Stier van On ben.
GEEN UITWERPSELEN ETEN NOCH URINE DRINKEN IN HET RIJK DER DODEN

1

G1T vervangt: ‘Voordracht voor het zijn van de schrijver van Khons’.

 208

 

Om de schrijver van Hathor te zijn en de Stier van On te worden.
Ik ben de Stier van Offers, eigenaar van vijf delen in On.
Drie delen bevinden zich in de hemel bij Horus en twee op aarde bij de Grote; het zijn de Nachtbark en de Dagbark die mij dagelijks dienen.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik eet ze niet; urine is mijn afschuw en er is geen urine bij mij1; het is de Morgenster die mij dagelijks dient.2

1

B1Bo vervangt dit door: ‘hij zal niet drinken’.

2

B1Bo voegt een rubriek toe: ‘Het opschrijven van de offergaven van Re-Atum’.

 209

 

Ga terug, jij wiens lichaam heet is en die naar je smat-plant verlangt, pas op voor de ~wqdt-plant.

.1

 210

 

NIET WERKEN IN HET RIJK DER DODEN.
Ik ben vanuit Pe gekomen en heb de nacht doorgebracht in Duisternisstad. Iq doe dit met mij.1

1

B2L voegt een rubriek toe: ‘in het rijk der doden’; B1Boa-b: ‘wordt de Stier van On’.

 211

 

Ik ben de stier van de gevlekte koeien, de eigenaar van vijf delen in de tempel; drie delen bevinden zich in de hemel bij Re, twee delen op aarde bij Geb. Uitwerpselen en urine zijn mij een afschuw; ik leef van de zoete dingen die uit het heiligdom van Re voortkomen.
Het zijn de Nachtbark en de Dagbark die mij dagelijks brengen; ik loop op mijn voeten, ik sta niet ondersteboven in de aanwezigheid van Re.

 212

 

Ik ben de Stier van de Enneade1 die uit de horizon tevoorschijn komt, de eigenaar van vijf delen in On; drie in de hemel en twee op aarde.
Het is de … -bark2 die mij dient en mij dagelijks brengt, en er wordt een pad voor mij gemaakt.
Ik ben N-Hs.nnf, ik ben erfgenaam(?) van Re-Atum.3
Het is mij geschonken dat men naar mij luistert in mijn aanwezigheid, (zelfs ik?) die de ezel4 heb ingeslikt.
Men gaat voor mij zitten terwijl ik onderweg ben om mijn magie bij de altaren te verrichten en opdat men een maaltijd voor mij neerzet.
Hij5 steekt over naar het Offerveld en ik handel namens zijn wens.
Hij verlaat het heiligdom van Re.

1

Vgl. B1Bo; de schrijfwijze van S2C en B2Bo is een fantasievariant.

2

Msw-nb-bark in B2Bo, gedeeltelijk ondersteund door S2C, maar de verwijzing is vrij onduidelijk; B1Bo is blijkbaar nogal corrupt.

3

De lezing van B2Bo lijkt het meest waarschijnlijk; het is de enige die op zichzelf zinvol kan zijn, hoewel de vertaling van pat. als ‘erfgenaam’ zeer twijfelachtig is.

4

Blijkbaar wel, maar de betekenis is zeer onduidelijk.

5

Re?

 213

 

Geen uitwerpselen eten.
Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw, en ik zal ze niet eten; urine is mijn afschuw en ik zal ze niet drinken.
Ik zal er niet met mijn vingers overheen gaan, ik zal er niet met mijn sandalen op treden.
Geb heeft mijn vader Osiris bevolen dat ik geen uitwerpselen mag eten noch urine mag drinken achter dit kwartet van mijn vader Osiris.
Ik eet rode emmer, en zeven broden zijn in de hemel in On met Re1, zeven porties zijn [op aarde] met Geb, zeven porties zijn met Osiris.
Het is de Nachtbark en de Dagbark die mij naar On zullen brengen.
Ik zal geprezen worden en mijn dubbelganger zal geprezen worden wanneer ik in On ben, en ik zal vandaag voor Re leven.

1

Variatie: ‘vier delen bevinden zich in de hemel met Re, N staat voor drie delen in On’.

 214

 

Niet ondersteboven lopen en Khnum afstoten die uitwerpselen brengt om te maken wat er in de twee districten is.
Recitatie: 0 %qdy die spreekt in onzin (?), je bent gekomen en je hebt me uitwerpselen en urine gebracht.
Ik zal niet voor je eten (mv.), ik zal niet voor je drinken, ik zal niet ondersteboven voor je reizen.
Ik zal geen uitwerpselen voor je kauwen; ik zal geen urine voor je drinken, want ik ben de Stier van de Conclaven geworden; want ik sta aan het hoofd van de Westerlingen. 0 Bewaker van vijf grote delen op On, vijf delen zijn in de hemel bij Horus en op aarde bij Min.
Wie zal ze naar mij brengen?
Het is de Verzorgster die ze naar mij zal brengen, het is de Dagbark die voor mij zal neerstrijken.
O Bewakers van de Enneaden en de Uraei, wacht op mij, want ik zal bij jullie zijn in het zuidelijke deel van de noordelijke hemel.
Ik kleed me aan en ik kleed me uit, ik zit op mijn mat, ik heers over de twee velden van MAvw .
Offerandes zijn voor mijn kinderen en voor mijn dienaren; mijn familie, mijn vader en mijn moeder, worden mij gebracht en voor mij onder mij geplaatst, duizenden, en tienduizenden zijn aan mij toegewezen.
O @r.f-HAv.f veerman van de Kronkelende Waterweg, breng mij dit, vaar mij over en zet mij daar neer met deze zakken die ik in mijn hand heb, want ik ben een god geworden.

 215

 

BEZWERING OM GEEN UITWERPSELEN TE ETEN OF URINE TE DRINKEN IN HET RIJK DER DODEN.
O Grote1, eigenaar van negen delen aan het hoofd van de Grote Enneade, drie delen bevinden zich in Djedu,2 drie in On en drie in het Huis van de Ibis in het Rietveld.
Het voedsel van Re is mijn voedsel, de honger van Re is mijn honger, ik leef van wat hij leeft.
Ptah wast hem, hij geeft brood aan hen die bij !dw zijn.
Brood wordt mij gegeven in de aanwezigheid van Ptah3; mijn mond wordt geopend en de vier Ptah-goden openen mijn mond in het tribunaal waarin Horus de mond van Osiris opende.
Hij4 zegt, hij zegt: Hij is zijn zoon, hij is zijn erfgenaam; Hij is Horus en ik ben hij.
Ptah bevindt zich onder zijn moringaboom, hij die voor de grote staat, heerst over het Tnnt heiligdom en zij geven mij leven zoals Isis water gaf aan Horus, ik, Stier der Offers.
Ik ben tevreden, (zelfs ik) de bewaker van de offergaven in de tempel; drie delen zijn in de hemel bij Re en twee op aarde bij Geb.
Ik ben Atum; als ik ga zitten om brood te eten, dan zal Re5 gaan zitten om brood te eten, en water zal aan de Twee Enneaden6 gegeven worden.
Sta op, o Overvloed, jij dienaar van Re, aan mijn offertafel, want ik ben tot u gekomen, o Overvloed, opdat u mij brood geeft wanneer ik honger heb en bier wanneer ik dorst heb; uw mond geef ik mij mijn lippen opdat ik… hen.
Wees gegroet, o gelaat van Re!
Moge u de Twee Enneaden voor mij verzoenen, moge u mij7, goden, brood en bier geven, en mijn handen zullen erop rusten.

1

Vrouwelijk in S2C; mannelijk in de andere teksten. Variant B3C: ‘Deze N is “Gerookt-graan”, heer van grote offers’, evenzo B1Bo; P. Gard. II (beide versies): ‘Ik ben de Grote, zoon van “Gerookt-graan”.’

2

Variant B2L: ‘Abydos’.

3

S1C en S2C laten ‘van Ptah’ weg.

4

Ptah?

5

Variant B1Bo: ‘de Enneade’.

6

Variant S1C: ‘Ik heb hem brood gegeven’.

7

Dus S1C; S2C is vergelijkbaar. De andere teksten luiden: ‘het gezicht van de Enneaden wordt voor u verzoend’.

 216

 

Geen uitwerpselen eten.
Ik ben een ziel die heerst over de Twee Landen, (zelfs) Wepwawet in Asyut.
Bescherm mij, o uitwerpselen; respecteer mij, o urine, zoals Thoth beschermd werd tegen die twee grote en machtige goden die door de hemel trekken.
Neem mij mee, opdat ik met jullie1 door de hemel mag trekken; ik zal eten van wat zij eten, ik zal drinken van wat zij drinken.
Ik zal een r-gans eten, ik zal een trp -gans slachten; mijn hut is in het Rietveld, ik heb overvloed in het Offerveld, ik heb overvloed van wat jullie in overvloed hebben, o goden; ik trek door de hemel zoals Re, ik reis door de hemel zoals Thoth, ik ontvang aanbidding zoals Re en toejuiching zoals Thoth, (zelfs ik), Osiris, geheim van de verblijfplaatsen, wiens verblijfplaatsen zullen voortduren zoals (die van) de goden.
GEEN UITWERPSELEN ETEN OF URINE DRINKEN IN HET RIJK DER DODEN.

1

‘Jullie’ verwijst naar de twee goden.

 217

 

GESCHENKEN GEVEN IN ON.
De poort van de woestijn, de geheime poort.
Ik ben de beschermer van Hazenstad, zoon van de Zielen van On; ik loop op mijn voeten en ik zal niet ondersteboven lopen.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; ik reinig mij van urine zoals Re wanneer ik slaap en zoals Atum wanneer ik dood ben, want ik ben de Stier van Kenzet in On en <mijn> vleselijke lichaam is in On.
Vijf delen zijn in On; twee zijn in de hemel bij Re en drie zijn op aarde bij Geb.1

1

B2L eindigt met de rubriek: ‘Niet ondersteboven lopen en geen uitwerpselen eten’.

 218

 

BROOD GEVEN IN ON.1
Ik ben de krulharige stier die de hemel2 leidt, Heer van hemelse verschijningen (?), de grote verlichter die uit de hitte voortkwam (?), leider van elke god. Mijn botten zijn stevig en mijn lange zweepslagen zijn los en de beweging van de zon is mij gegeven.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten, noch zal ik urine drinken; ik loop op mijn voeten en ik zal niet ondersteboven lopen.
Ik bezit vijf delen in On; drie delen zijn in de hemel bij Re en twee op aarde bij Geb.
Het is de Nachtbark en de Dagbark die mij3 naar het huis van de god in On zullen brengen.
Ik lig recht uitgestrekt, ik maak de veerboot4 gereed, ik vaar over in het westen5 van de hemel.
Ik leef van wat zij leven, ik eet van wat zij eten, ik heb brood gegeten in elke aangename kamer van de Grote Godin in On.6

1

Variatie: ‘goed is het geven van brood in On’.

2

Variatie: ‘de gehoornde stier’; ‘de krulharige’.

3

Variatie: S10C: ‘die mij elke dag uit de voorraadkamer van de god zal halen’.

4

S10E voegt toe: ‘mijn touwen zijn sterk’.

5

‘West’ van B5C heeft de voorkeur boven ‘oost’ van de andere drie teksten.

6

Variatie: S10E: ‘er is brood van mij bij de god’; L1Li heeft nTr‘god’ voor wrt.

 219

 

EEN MAN VERRICHT ZICH OP ZIJN [LINKER]ZIJDE

Ik word opgericht van mijn linkerzij, ik word op mijn rechterzij geplaatst, ik eet brood, ik drink bier, mijn verlangen wordt mij overal gegeven waar men mij geeft. Ik knoop het touw, ik span de veerboot, ik steek de meren van de horizon over, ik daal met hen1 af ​​met eieren, ik kom uit hen tevoorschijn met uraei, ik heb bezit genomen van hun zielen, ik heb hun gevlochten lokken uitgetrokken, en mooi is de gelijkenis(?) van de god.

Er is mij brood en bier gegeven overal waar men mij geeft.
OPRICHTEN OP DE LINKERZIJDE, PLAATSEN OP DE RECHTERZIJDE.

1

Wie zijn ‘zij’? Niet de meren, want ‘zij’ hebben een ziel.

 220

 

Wat ik dubbel verafschuw, zal ik niet eten.
Uitwerpselen zijn mijn afschuw en ik zal ze niet eten; urine is mijn afschuw, en ik zal ze niet drinken; o vuil, ik zal je niet verteren.
Neem mijn handen niet; ik zal er niet met mijn sandalen op treden, ik zal niet voor jou ondersteboven lopen, want ik ben de grote Macht die uit de kruik is voortgekomen.
O jij, grote en machtige die deze grote hemel opende, ik ken jou en ik ken je namen; deze grote is in het gezelschap van de Zonnegod.
Als ik opsta, sta jij ook op; als ik ga zitten, ga jij ook zitten.
Ik zal lopen over de weg die jij bewandelt en ik zal in de hemel landen, want (…) de plaats waar ik wil verblijven, daar zal ik me voegen bij de twee metgezellen en de twee zusters.
O …, ik zal geen uitwerpselen voor jou eten, ik zal geen urine voor jou drinken, ik zal niet ondersteboven voor jou reizen tussen hen die… gezichten zijn. WAAROM ZUL JE GEEN VUIL ETEN OF URINE DRINKEN VANWEGE(?) DE LEEGTE(?) VAN HORUS EN SETH?
Omdat ik bestemd ben voor porties van het grote altaar van Osiris aan de westkant van de hemel, eet ik brood, een kruik bier, brood en een stuk vlees van hem die op de ryw-plant is.
Ik reis over die bovenste weg van de hemel en die onderste weg van de aarde ten noorden van ITnws, ik eet op het Offerveld, aan het Meer van Turkoois, en het is +aa-wtt die mij voedt.

 221

 

 EEN MAN DOET WAT HIJ WIL IN HET RIJK DER DODEN.
Ik ben een leeuw die het reine in het veld eet, voor wie gedaan wordt wat hij wil; ik zal er zijn, want ik heb het met mijn eigen ogen1 gezien.
Ik ben een leeuw die het reine in de Tuin van de Standaard2 eet.
Ik ben opgestegen en ik zal er zijn, want ik heb het met mijn eigen ogen gezien.
Ik ben opgestegen vanuit Pe, ik heb de nacht doorgebracht in Duisternisstad, en Iq heeft met mij samengewerkt.
Ik loop wanneer Re mij ziet, want ik ben altijd onder zijn dienaren, ik schijn met hen die in de Afgrond zijn, het is de Dageraad die mij zijn hand geeft, hij weerhoudt mij ervan onder de beulen van Osiris te zijn, die Nwt<.k>-nw heeft veroordeeld(?), (zelfs hij) de poortwachter van de verborgen woestijn.

1

Volgend op B1Bo, maar in de eerste persoon. Vgl. ook 205c.

2

Variatie op B1Bo; ‘onder de bezitters van standaarden’.

 222

 

Voordracht: de [verheven god] die in zijn ei is, heeft bevolen dat N de lucht in het dodenrijk inademt, [en dat hem de zoete lucht wordt gegeven die in N’s neusgaten is.
O N, zoek die grote plaats op die in [Wnw] is; O N, [bewaak] dit ei van de Grote Kakelaar.
[Als] N [sterk is], zal het sterk zijn; als N leeft, zal het leven; als N de lucht inademt, zal het de lucht inademen.

 223

 

Bezwering voor het ademen van lucht in het rijk der doden.1
O Atum, geef mij deze zoete lucht die in je neusgaten is, want ik ben dit ei dat in de Grote Kakelaar is, ik ben de bewaker van deze grote steunpilaar die de aarde van de hemel scheidt.
Als ik leef, zal het leven; als ik oud word, zal het oud worden; als ik de lucht inadem, zal het de lucht inademen.
Ik ben Hij die ijzer splijt, ik ben rondom het ei gegaan, (ikzelf) de Heer van Morgen.

1

Variant: ‘Recitatie: Lucht worden, lucht inademen in het dodenrijk.’

 224

 

BEZWERING OM NIET ONDERSTEBOVEN TE LOPEN IN HET RIJK DER DODEN.
Zo zegt N: Ik <zal niet> ondersteboven voor jou lopen; ik loop op mijn voeten en ik zal niet ondersteboven voor jou lopen.
Ik loop als Horus, mijn passen zijn als die van Atum, mijn graf is als dat van een geest, ik loop als iemand die onder de geesten is, die de grafheuvels van de goden openen.

 225

 

BEZWERING VOOR DE RECHTVAARDIGING VAN EEN MAN TEGEN ZIJN VIJAND IN HET RIJK DER DODEN.
Ho N! De hemel opent zich voor jou, de aarde opent zich voor jou, de deursloten van Geb openen zich voor jou, de luiken1 van de hemelvensters worden voor jou opengegooid.
Beschermt iemand jou en laat hij je vrij?
Bindt iemand zijn hand aan jou en steekt hij zijn hand in jou op aarde?
De bek van de Pelikaan opent zich voor jou, de bek van de Pelikaan wordt voor jou opengegooid,2 de Pelikaan heeft ervoor gezorgd dat je naar buiten gaat, naar de plek waar je wilt zijn.
Ho N! Moge je kracht hebben in je hart (ib), moge je kracht hebben in je hart (HAty), moge je kracht hebben in je armen, moge je kracht hebben in je benen,3 moge je macht hebben over de aanroepingsoffers die je brengt, moge je macht hebben over water, moge je macht hebben over lucht, moge je macht hebben over het rivierwater, moge je macht hebben over de rivieroevers, moge je macht hebben over de stromen, moge je macht hebben over je vijanden, moge je macht hebben over hen die je kwaad willen doen in het dodenrijk, moge je macht hebben over hen die je willen bevelen kwaad te doen in het dodenrijk. Voorwaar, het zal gebeuren zoals ik zeg.
Moge je leven van het brood van Geb en die verachting van jou, zul je niet eten.
Moge je leven van brood van rode emmer, moge je bier van rode4 emmer drinken op de zuivere plek, moge je zitten onder de takken van de mirreboom bij Hathor, die vooraanstaand is in de Itnws wanneer zij naar On reist met het schrift van de goddelijke woorden, het boek van Thoth.5
Ho N! … moge je macht hebben over tamarisk en zand, moge je macht hebben over al je velden, moge je macht hebben over hen die je kwaad willen doen in het dodenrijk, moge je macht hebben over hen die je zouden bevelen om kwaad te worden gedaan op aarde of in het dodenrijk.
Richt je op je linkerzij, ga op je rechterzij liggen6, ga zitten en sta op, werp je stof af, moge je tong wijs zijn (?).

1

Letterlijk ‘dak’, maar een dak bedekt geen ramen en kan ook niet geopend worden.

2

Een figuurlijke manier om te verwijzen naar de deuren van het graf? B1L, B2L en B1C hebben de variant ‘je mond wordt geopend door de pelikaan, je mond wordt opengegooid door de pelikaan’; B10C leest: ‘De pelikaan opent je mond, de pelikaan gooit je mond open’, met een onbegrijpelijke groep tekens voor sn in Z19c; T3Be heeft: ‘jij opent de mond van de pelikaan’ (Z19b), terwijl Z19c behoorlijk corrupt is.

3

In verschillende teksten verkort tot: ‘moge je kracht hebben in je hart (ib en HAty); moge je kracht hebben in je armen en benen’.

4

Variant ‘wit’.

5

Variant ‘Thoth, Heer van Khemennu’.

6

Deze twee zinsdelen zijn enigszins door elkaar gehaald en zouden eigenlijk als volgt moeten luiden: ‘Recht op je linkerzij, ga op je rechterzij liggen’, vgl. Pyr. §§ 1003.1047.1747;

 226

 

BEZWERING OM EEN MAN ‘S NACHTS RUST TE LATEN HEBBEN(?) […] DIE [DEUR(?)] EN ALLES WAT GEWOONLIJK AAN [HEM(?)] WORDT GEGEVEN TIJDENS HET [GROTE(?)] M%W-FEEST EN HET WAG-FEEST.
Ho N! Hemel en aarde staan ​​voor u open, de grote poorten staan ​​voor u open, de poorten van het gewone volk staan ​​voor u1 open, Geb heeft zijn kaken voor u geopend, (hij) de voornaamste der goden.
Ho N! De Ram leidt u naar zijn altaren, Sopd bevindt zich bij hem…
Ho N! Zij verwijderen de blindheid van uw zicht en de rimpels die op uw ledematen zijn; zij openen uw blinde ogen, zij strekken uw verkrampte vingers.2
Ho N! Richt u op uw linkerzij, ga op uw rechterzij liggen.
Ho N! Eet uw portie, bestaande uit dit zuivere brood dat wordt uitgedeeld, namelijk de verzamelde broden van deze grote god wiens naam onbekend is.
Ho N! Drink van dit zuivere water3 dat op dit plateau van de burgers stroomt, want die Ram die in zijn bloed is, heeft u gegeven wat in zijn roodheid is.
Ho N! Ptah ten zuiden van zijn muur en Sokar hebben u een verschijning geschonken in de @nw-bark van Geb, de voornaamste der goden.
Ho N! Moge u overdag en ’s nachts uitgaan; moge u brood eten en bier drinken; moge u de smeekoffers ontvangen die voor u bestemd zijn.
Kom, aanroepingsoffers! — viermaal.

1

M35C voegt hier en in 253h toe: ‘dat u ’s nachts en overdag naar buiten kunt gaan’.

2

B1L voegt toe: ‘zij openen uw mond voor u’.

3

Variatie T1L: ‘drink uw portie, bestaande uit dit zuivere water’.

 227

 

DE TEGENHANGER VAN OSIRIS WORDEN.
Ik ben inderdaad Osiris, ik ben inderdaad de Heer van Alles,1 ik ben de Stralende, de broer van de Stralende Vrouwe; ik ben Osiris, de broer van Isis.
Mijn zoon Horus en zijn moeder Isis hebben mij beschermd tegen die vijand die mij2 kwaad wilde doen; zij hebben touwen om zijn armen en boeien om zijn dijen gelegd vanwege wat hij mij heeft aangedaan.
Ik ben inderdaad Osiris, de grootste van de groep van de Ouden van de Vijf, erfgenaam van mijn vader Geb.
Ik ben Osiris, heer van de dubbelgangers, levend van voren, sterk van achteren,3 stijf van fallus, die zich aan de grens van het gewone volk bevindt.
Ik ben Horus op de dag van zijn troonsbestijging, ik ben Orion die zijn Twee Landen betreedt, die voor alle sterren van de hemel4 vaart op de buik van mijn moeder Nut; zij verwekt mij naar haar wens en zij draagt ​​mij naar haar wil.
Ik ben de Duizendpoot5 op de Dag van de Duizendpoot, ik ben de Witte Stier die heerst over het veld.6
Ik ben inderdaad Osiris voor wie zijn vader en zijn moeder een verbond sloten op de dag van de grote slachting; Geb is mijn vader en Nut is mijn moeder, ik ben Horus de Oudere op de dag van zijn troonsbestijging, ik ben Anubis op de Dag van de Duizendpoot, ik ben inderdaad de Heer van Alles, ik ben inderdaad Osiris, uw heer, die u schiep en die hem wegneemt die tegen u in opstand komt.

1

Volgt P. Gard. II, tenzij anders aangegeven in de aantekeningen.

2

Sq3C heeft: ‘zijn zoon Horus beschermt mij [tegen het kwaad dat hem werd aangedaan (en herstelt mijn m irw iryt)] door Seth toen hij uit de schoot van zijn moeder kwam, en hem werden zijn vloedwateren gegeven toen [hij] neergeknield was(?)’

3

Zo hebben B2L; L1Li. P. Gard. II en Sq3C: ‘levend van voren, dood van achteren’, wat zeker corrupt is, en P. Gard. II voegt het nog absurdere toe: ‘die onder de voeten is’. Op dit punt voegt Sq3C toe: ‘Niemand is gekomen om deze N onder de goden te ontmoeten, omdat zo groot is […] van Ptah’ (262g-h).

4

In 263a-c leest Sq3C: ‘O N, jij bent Orion die vrede voor je heeft gebracht (pl.) vanwege wat hij heeft gedaan, die je [dit(?)] altaar heeft gegeven voor de sterren aan de hemel’.

5

Var. B2L: ‘Ik ben Anubis op de dag van de duizendpoot’; vgl. 26sa.

6

Var. Sq3C: ‘het veld van riet’. Hierna wordt 264a ingevoegd: ‘zijn behoefte wordt vervuld op de dag van de verzoening; zijn zoon en [zijn moeder(?)] zijn hem genadig (n.f dubbel) op die dag [van de slachting(?)]’. Dit vervangt 264b-d van de andere teksten.

 228

 

BEZWERING OM VOORAAN BINNEN TE GAAN EN ACHTERAAN WEG TE GAAN TE MIDDEN VAN HEN DIE HET BROOD VAN ORISIS ETEN; HET IS VOORDELIG VOOR IEDEREEN DIE HET DOET. WAT BETREFT IEDERE MAN DIE DEZE SPREUK KENT, ZAL 10 JAAR IN HET LEVEN VOLTOOIEN, 10 JAAR DAARVAN IN HET RIJK VAN ZIJN IMPOTENTIE1, ENZ., ZOALS EEN MAN, ONWETEND OF GELEERD, ZOU MOETEN DOEN. ALS HIJ NAAR HET RIJK DER DODEN GAAT, ZAL HIJ BROOD ETEN IN DE AANWEZIGHEID VAN OSIRIS.2
O Grote die binnenkomt, zeg tegen hem die de geschriften verzamelt, de poortwachter van Osiris, dat ik gekomen ben, groot, machtig, sterk, sterk, goddelijk.
Ik ben hier gekomen om mijn lichaam te beschermen, om mijn uraei te voeden, om op de draagstoel van Osiris te zitten en het zware lijden van de god te verlichten.
Ik ben sterk, omdat ik als Osiris verschenen ben; ik ben met hem geboren toen hij nog heel jong was.
Ik ontbloot voor u de knieën van Osiris, ik verwijder voor u deze gesloten kist die de zijde van Osiris bevat, die de mond van de goden opent en ik zit naast hem als Thoth, ik schrijf het nieuws: duizend broden en bier op de altaren van mijn vader Osiris; mijn gevlekte vee, bestaande uit langhoornige stieren en rode koeien, r-ganzen en Trp -ganzen waarmee ik een offer breng aan Horus en waarmee ik een presentatie breng aan Thoth3; Mijn slachtplaats daar behoort toe aan Hem die heerst over het bloedoffer.
Ik heers over Djedu, ik reis langs de rivieroevers, ik open de groene velden, ik laat de lotusplanten4 bloeien, ik laat de wnb -bloem vrij5, ik verbouw emmer6 voor de offers aan de goden, en zij worden tevreden gesteld door mij; ik snuif de grote oostenwind op voor zijn haren, ik grijp de noordenwind bij zijn gevlochten lok7, ik grijp de zuidenwind bij zijn kapsel (?), ik grijp de westenwind bij zijn nek (?).
Ik reis rond de hemel aan zijn vier zijden, ik geef adem aan de gezegenden in de aanwezigheid van hun vader Osiris, ik ga vooraan naar binnen en ga achteraan naar buiten, te midden van hen die brood eten.8

1

%Db , letterlijk ‘belemmering’.

2

Voor al deze lange rubriek vervangt LILi ‘Spreuk voor het eten van [brood]’.

3

Variant B3C: ‘Osiris’.

4

Variant B5C: ‘zijn kruid’.

5

Kennelijk in de zin van vrij laten groeien.

6

Variant B3L: ‘Gerst en emmer’.

7

Kennelijk een kapsel.

8

Variant ‘brood van Osiris’, ‘dagelijks brood’, ‘brood van N’.

 229

 

Wees gegroet, u die op het hoofd van de Grote bent, meesteres van voorhoofd en hals, <op> wie Re zich verheugt wanneer hij haar ziet op de weg die door het Heilige Land loopt, nakomeling van Osiris in de Zuivere Plaats die treurt om de Stier van het Westen, die haar armen over elkaar slaat vanwege de Ongevoelige in de geheime plaats van de Grote Hal; die de ziel weeft, die de schaduw opbouwt en die adem geeft aan de Ongevoelige in haar naam van ‘Zij die haar heer dient’.
Moge U mijn hoofd op mijn nek plaatsen wanneer U het leven voor de keel verzamelt.
Moge U mij tot een geest maken, moge U mijn ledematen omhullen, moge U mijn gezicht weven en mijn ziel opbouwen, moge U mij redden van de vissers van Osiris, die hoofden afhakken en nekken doorsnijden en die zielen en geesten naar het slachthuis brengen van hen die vers vlees eten.

Mijn hoofd zal niet worden afgehakt, mijn nek zal niet worden doorgesneden, mijn naam zal niet onbekend zijn onder de geesten, ik zal niet in een net worden gevangen, het voedsel dat ik in mijn mond heb zal niet worden weggenomen, mijn hart (ib en HAty ) zal niet worden uitgesneden, mijn ziel zal de nacht doorbrengen wakend over mijn lijk, mijn gezicht zal niet bedroefd zijn, mijn hart zal niet vergeetachtig zijn, ik zal niet onwetend zijn van mijn pad naar het dodenrijk, want ik ben een geest wiens mond gezond is, en magie is wat mij toerust naar mijn verlangen.
Ik ben bevrijd1 van corruptie, ik heb mijn onreinheid afgeworpen, mijn gewaad is wat ik heb gevonden, ik ben degene die vermist is (?) uit de geheime plaatsen van de Grote Hal, ik ben Maät, onrecht is mijn afschuw.
Wees gegroet, Vrouwe van Goedheid, die het hoofd van Osiris verhief en over hem weeklaagde in de Zuivere Plaats in deze uw naam van ‘Hoofdsteun (?) die onder het hoofd is’: Plaats mijn hoofd op mijn nek voor mij, verzamel leven voor mijn keel, want ik volg Osiris onder de gezegenden, de bezitters van offers, ik ben immers uitgerust met mijn magie, ik zal niet sterven, de adem zal niet uit mijn neus worden weggenomen en ik bezit offers.

1

Letterlijk ‘verhuld door’.

 230

 

Een gunst die de Koning aan Osiris verleent, een aanroepingsoffer van duizend broden en bier, een altaar van albast, ossen en gevogelte: zo spreken Isis en Nepthys tot N, de deugdzame en gerechtvaardigde.
Moge uw hoofd opgeheven zijn, moge uw hart leven, moge u uw vlees behouden, … op uw lichaam, moge u altijd in het Nageslacht zijn, moge u leven.

 231

 

Ho N! Moge uw hoofd gezuiverd worden door Hapi, mogen uw ogen helder gemaakt worden door _wA-wr moge uw mond opengespleten worden door Thoth met dit wonderbaarlijke boek van hem waarmee hij de mond van de goden openspleet.1
Hij spreekt en splijt de mond van N open, opdat hij moge spreken.

1

T3C eindigt hier. G1T en A1C hebben ‘Osiris’ in plaats van ‘goden’.

 232

 

EEN BEZWERING VOOR DE HOOFDSTEUN.1
Moge uw hoofd verheven zijn, moge uw voorhoofd tot leven komen, moge u spreken voor uw eigen lichaam, moge u een god zijn, moge u altijd een god zijn.2

1

Alleen G1T. Zie de aantekeningen van de Buck 1* en 3*.

2

G1T voegt toe: ‘zo zegt de grote god van de twee Enneaden <tot> N’.

 233

 

O N, neem het Oog van Horus, dat de vijanden van Osiris vertrapte, opdat het jouw vijanden voor jou vertrapt; pak het, N.

 234

 

Een offer voorbereiden in de vier bassins van Khopri en Heket, het kleine, het middelgrote en het grote; de ​​meerpaal, het boegtouw1 en het achtersteventouw aanbieden; viermaal geschenken (?) overhandigen voor N, deugdzaam en gerechtvaardigd.

1

Broden die deze objecten voorstellen; het driehoekige teken is een kenmerk van brood.

 235

 

Je hebt je benen; richt je lichaam op, verzamel je ledematen, opdat je de passen naar het tribunaal kunt afleggen, naar de plaats waar de goden zijn, opdat zij je het vocht mogen geven dat uit je voortvloeide.
Moge je nooit inert zijn, nu je het hebt.
Moge je reizen en nooit moe worden, moge je hemel en aarde doorkruisen en nooit moe worden, o N, deugdzaam en gerechtvaardigd.1

1

De laatste zin alleen in G1T en A1C.

 236

 

Gegroet, Vrouwe van Goedheid, die ziet wie zij in de Onderwereld verheugen, ik die de slapheid van de Ongevoelige wegneemt1, door wie Osiris vertrapt is2, die voor hem de pas maakte van hen die lopen op het moment van zijn begrafenis, in deze uw naam van ‘Dam die onder de voeten is’.
Moge u mij mijn benen geven, opdat ik erop mag lopen, moge voor mij verenigd worden wat in de beweging van mijn benen is, want ik ben iemand die ver reikt tot de grens van mijn verlangen, ik zal niet worden teruggeworpen bij de poorten van de Onderwereld.
Ik stijg op naar de hemel met Orion, ik ontvang voedseloffers met de Groten, mijn verblijfplaats is bij de hoge poorten van het gevolg van Re die voedselvoorraden verschaffen; ik ben iemand die zijn uitstroom voor zichzelf verzamelt voor Rostau.
O jullie verschrikkelijke wezens, jullie boodschappers van Osiris die de monden van de geesten sluiten vanwege wat erin3 is, jullie zijn machteloos om mijn mond te sluiten, jullie kunnen de beweging van mijn benen niet wegnemen, want ik ben iemand die in en uit gaat, de beweger van de Zuivere Plaats, die een vlam ontsteekt voor Anubis op de dag van de behandeling van hem die in zijn verrotting verkeert.4
Wees ver van mij, jullie beulen van Osiris; jullie hebben geen macht over mijn voeten, want ik bezit de dodenmaaltijd in On; ik weet wat ik moet weten.5

1

Letterlijk: ‘dammen weg’.

2

D.w.z. is weer op de been.

3

Variatie: ‘wat er in hun mond zit’.

4

Een verwijzing naar Anubis als balsemer.

5

Dus T3C; GIT heeft: ‘Ik weet wat Sia weet, waarin de Grootste der Zieners is ingewijd; er is een weg voor mij gemaakt en ik ben Heer van de Lucht’.

 237

 

BEZWERING VOOR DE MUUR VAN HET GROTE OOSTEN.
Gegroet, rouwende van Osiris, die de slappe Grote beweent; die de Stier van het Westen tot geest maakt; bij wie de westerlingen zich verheugen; Vrouwe van Alles in de geheime plaats; aan wie Osiris zich afkeert1 in deze momenten van inertie; die voor de Heer van Abydos staat; wiens plaats op de paden van de Onderwereld verborgen is; die haar heer beweent bij de begrafenis in haar naam van ‘Zij die haar heer beweent’.
Waak over mij, want ik ben Osiris; vergeestelijk mij, o gij die mijn ledematen zult verheffen; verzamel voor mij wat uit mijn vlees voortkomt; open voor mij de paden die naar de Onderwereld leiden.
Ik ben een geest met een welsprekende geest, gezond van magie, heer van voedseloffers in het aanvaarden van gaven.
Ik sta voor de dodenwerkplaats, ik heb de macht om mijn plicht te doen, om de geheime portalen binnen te gaan waarin Anubis wordt ingewijd; de geheimen van de Zuivere Plaats behoren mij2 toe vanwege wat erin is.
Ik behoor tot het Huis van Osiris3, ik waak erover; ik verhul zijn slapheid, ik verlicht zijn zware lijden voor hem; ik weet wat Sia weet, en er is een pad voor mij geopend, want ik ben de Heer van de Lucht.
Gegroet, rouwende van Osiris, metgezel van de Stier van Nedit die de mummiewindsels laat ademen, die de slapheid verhult, aan wie Osiris zijn rug heeft toegekeerd, helper van de balsemer Anubis bij de behandeling van het lichaam van de Ondode.
Vergeestelijk mij, o u die mijn mond voor mij en mij openspleet, die mijn ziel leidt op de paden van de Onderwereld; schenk mij voedseloffers onder de Groten op de altaren van hen die namen dragen, want ik ben Osiris, ik ben op weg naar Abydos, ik ontvang geschenken op het grote altaar op de dag van het uitdelen van voedselvoorraden en offers aan vele mensen.4
Ik heb de hoge poorten bereikt van het gevolg van Re dat de zuilenboot5 opricht, ik betreed het grote heiligdom met de Groten onder de grote volgelingen van Osiris, ik ben gekomen om de slapheid van de Ondode te verhullen, ik heb bedekt wat ik miste, maak een pad voor mij vrij, want ik ben Heer van Sepa, ik bezit de begrafenismaaltijd in On.6

1

D.w.z. negeert haar in de dood, kent haar niet.

2

Enigszins vervormd in alle teksten.

3

Variatie: ‘Huis van Osiris, Heer van Djedu’.

4

Letterlijk: ‘namen’.

5

Het laatste deel van deze zin is behoorlijk vervormd in T1Be.

6

Variatie: ‘Ik bezit uw begrafenismaaltijd in Abydos’.

 238

 

O U die mijn mond voor mij hebt geopend en die voor mij hebt verzameld wat uit mijn vlees voortkwam, schenk mij offers uit de handen van de Groten op de altaren van hen die namen dragen.
Ik betreed het Grote Heiligdom door de handen van de Groten, ik zie de god bij zijn offers, ik ben een geest, en het Heilige Oog is achter mij […]
Ik ben tevreden.
Ik ben iemand die zijn woorden kent, ik ben gekomen van […] vanwege wat ik weet, is er geen enkel lijden dat mij treft.
Gegroet, Grote1 achter uw heer; die hem opricht [nadat hij] slap was, die mijn lichaam bijeenbracht, die mijn vlees samentrok, die mij vergeestelijkte, die mijn mond voor mij opende; ik [ontvang] gaven op het grote altaar op de dag van het uitdelen van voedselvoorraden aan vele mensen2, want ik ben Osiris, ik [ben op weg naar] Abydos, ik […] het heiligdom, want ik ben de Heer van de Lucht.
Gegroet, u die uw heer dient, Treurige van Osiris, de Grote, de Klaagzangeres van de Pr-nw(?) […] de zielen van de Westerlingen; schenk mij het pad van hen die op aarde zijn op de plaats van macht(?) die ik heb begeerd: ‘Kom in vrede’ zal tot mij gezegd worden.
Ik ben tevreden, want het is wat %npw-doet dat mijn macht groot wordt.
O mijn kampioen3 in het leven, heer van kennis(?), […] geef mij macht zoals Anubis, achter wie de Twee Zusters stonden(?); zorg ervoor dat de Zielen van On tot mij spreken en dat zij die Horus vergezellen mij genadig zijn.
Niemand kan mij grijpen, geen god zal een vloek over mij uitspreken, want ik ben het rijk der doden binnengegaan, deze verblijfplaats4 van hen wier monden rein zijn, haat(?) ligt achter mij op de dag waarop ik tevreden ben aan de horizon.
De Nijlgod heeft mij zijn hand gegeven, ik streel(?) Wepwawet, ik ga de eeuwigheid door als Nehebkau […] die uit mijn mond komt, elke god tevreden met zijn lichaam; ik ben tevreden door middel van mijn macht.
Re, heer van de hemel die in zijn heiligdom is, doet mij bloeien, en ik ben een grote god.
Alle lagere delen van de godenoffers zijn tot mij gekomen, (zelfs) het verschuldigde aan Haar die achter haar heer staat, de Metgezel van de Stier van Nedit die zijn lichaam doet ademen, die de slapheid verhult, die de Stier van het Westen vergeestelijkt, tot wie Osiris zich heeft gekeerd, helper van Anubis.
[Ik] ontvang mijn lichaam, ik ken mijn naam, want ik ben uw nakomeling.
Er is geen vermoeidheid in uw lichaam […].
Ik ben hij die opstijgt aan het hoofd van hen die daar zijn, een geest(?) […] offers in het heiligdom […] op de eerste dag van het tevredenstellen van de god met zijn offers. Geef mij […].
Ik heb mijn lichaam ontvangen en ik word dagelijks verjongd met leven, want ik ben hij die zijn vader begraven heeft.5
Wees gegroet, jullie […]. Doden.
De god ontwaakt en zijn ledematen rusten voor hem.
Ik heb mijn kracht verzameld in de handen van de Groten; ik breng de eeuwigheid levend door, ik ben gekomen van […] vanwege wat ik weet, ik ben een sA-mr.f die [harten […]] onderzoekt.
Ik heb mijn lichaam bijeengebracht.
Verhef mij […]. Leef voor eeuwig, want ik ben een machtige spreker die voortkwam uit Geb, die zijn spraak kent in de grote boot.
Ik ben gekomen onder de bescherming van haar die mijn ledematen voor mij heeft hergroepeerd […] zoals deze machtige god heeft gedaan na zijn […]6
dit land. Wat ik heb gedaan is dit wat deze god heeft gedaan […].
Vorm […]. Die in het leven gaat rusten.

1

Vrouwelijk.

2

Letterlijk ‘namen’.

3

Vrouwelijk. Letterlijk ‘wie achter me staat’, d.w.z. wie me steunt.

4

Letterlijk ‘heuvel’, ‘vertellen’.

5

De overledene stelt zichzelf gelijk aan Horus, zoon van Isis.

6

Een onleesbaar woord, waarschijnlijk een werkwoord.

239

 

Gegroet,1 Meesteres van de Ouden, Vrouwe met (vele) gezichten in de Geheime Plaats, die bevelen geeft aan de Stier van Djedu, die de Heer van het Westen leidt, <op> wie Osiris zich verheugde toen hij haar zag; Meesteres van de verborgen mysteries, die feesten aankondigt in de boeg van de bark wanneer de mannen ’s morgens varen, tot wie de Ongevoelige zich heeft gewend in deze haar naam van Meesteres der gezichten.
Geef mij mijn gezicht terug, want ik ben Osiris, ik ben gekomen op het Eiland van Vuur, ik heb mijn buik gevuld met magie, ik heb mijn dorst ermee gelest.
Verhelder mijn blik op de paden van de Onderwereld, genees voor mij wat in mijn mond is, want ik trek (?) de boeg van de Bark der Rechtvaardigheid voort, ik bied steun aan hen die in het Grote Westen zijn.
Ik ben gekomen om <mijn> lichaam te herstellen, <mijn> wonden te verzachten en <mijn> portaal te bedekken vanwege wat erin is.
Wat <mij> toebehoort, is wat Anubis, die voor mij de weg opende, heeft hersteld;2 ik ben de Heer der gezichten en ik breng voedseloffers aan de Heer der pAt-koekjes, ik verzadig hen die boven de altaren staan, en ik kom aan land in het gebied van de horizon in gezelschap van hen die in de Bark zijn.

1

G1T en A1C worden horizontaal en in omgekeerde richting geschreven, G1T in rood.

2

G1T keert terug naar de normale schrijfrichting.

 240

O jullie vier Horussen, de nakomelingen van Osiris, die offers aankondigen aan hen die zich in de avond bevinden, jullie hebben geen macht om dit gezicht van mij te brengen naar hem die in zijn puinhoop verkeert en de nekken van geesten voor zichzelf afsnijdt, want ik ben de metgezel van Anubis in de geheime plaatsen van de Grote Hal.
Ik ben gekomen om de steden te reinigen en de bronnen te overstromen;1 mijn ziel is bij mij, ik heb kracht in mijn lichaam en ik leef van witte emmer.
Ik ben gekomen om offers te beheersen, want ik bezit gaven.

1

Ik begrijp de betekenis van deze twee zinnen niet. %xs van T3C heeft waarschijnlijk de voorkeur boven de onduidelijke sxn van de var.

  241

 

Wees gegroet, Vrouwe der offers <bij> wie Osiris zich verheugt wanneer hij haar ziet, wier1 grote muur bezit bezit; die lucht brengt, die offers brengt, die de troon regeert in de geheime plaatsen van de Onderwereld; die het zicht van de Stier van Djedu verheldert, die zijn mond en ogen openspleet toen de Ongevoelige erom vroeg; die zijn armen en benen bijeenbracht, die Osiris neerlegde in […], die overvloed gaf aan de Heer van de Vloed op het woestijnplateau; die offers bracht.
Open een pad voor de Ongevoelige naar de verblijfplaats van de balseming, de zuilvormige bark; open u voor mij, want ik ben Osiris; ik ben naar Rostau gekomen om het geheim van de Onderwereld te leren kennen waarin Anubis wordt ingewijd.
Mijn mond is opengespleten, mijn ogen zijn opengespleten, ik ben een geest geworden, mijn ledematen zijn bijeengebracht, ik bezit offers in On.
Open voor mij opdat ik de offers mag beheersen, want ik ben degene die de leiding heeft over geheime zaken, ik weet wat Sia heeft gedaan, ik ben uniek als iemand die recht doet, ik ben uitgerust met magie, ik heb mijn dorst ermee gelest, ik leef van witte emmer, die de Kronkelende Waterweg vult.

1

Osiris’s(?). Men zou een vrouwelijk achtervoegsel hebben verwacht.

 242

 

BEZWERING OM EEN DEUR NAAR DE ZIEL TE OPENEN.
RECITEER: Ik ben Thoth, die rechtvaardigheid brengt, die het Heilige Oog genas in het Huis van de Dubbele Leeuw.
Open voor mij, opdat ik mijn lijk mag zien, want ik ben een levende ziel, ik ben hier gekomen naar het Eiland van Vuur en daar is mij rechtvaardiging gegeven voor wat ik placht te doen in de aanwezigheid van Osiris, Stier van het Westen, die mij macht en rechtvaardiging schenkt.1

1

In de tekst staat de voornaam in plaats van het persoonlijk voornaamwoord.

 243

 

BEZWERING VOOR HET OPENEN VAN HET WESTEN EN VOOR HET VERWERVEN VAN … VAN HET WESTEN IN HET RIJK DER DODEN.1
Ik ben de pelikaan die je geboorte zag, ik ben gekomen om mijn nest te inspecteren; ik vraag om een ​​brein; bijt niet in mijn borst.2
Ik ben de baviaan, ik ben sterker dan jij.

1

Dus S2P-S3P; T1L en B4C laten de tweede clausule weg. BH4C heeft de rubriek: ‘Spreuk om af te dalen naar het Rietveld’; B1Bo stelt de rubriek uit naar Spreuk 264 (393k), waar deze luidt: ‘Het Westen openen in het rijk der doden’. L1Li en S10C laten de rubriek weg.

2

Onbegrijpelijk; ik vertaal de woorden zonder de betekenis ervan te vatten.

 244

 

Horus heeft <…>1 geplaatst, hij heeft het pad van de unieke erfenis (?) waarop Thoth ging niet bereikt; de mensen vrezen de goden die erop gaan.
Het kan mij niet bereiken <…>2, het licht van hen die onder de aardgoden zijn in het domein (?) van Horus de Oudere.
Zij die de hemel besturen zien, zij die de aarde besturen horen dat ik haar3 paden heb geërfd, ik ben in de veerboten geplaatst zoals Horus de Oudere.
Geef mij, jullie voedsters der goden, leg jullie handen op mij; mogen jullie mij omhoog tillen, mogen zij mij op hun dijen plaatsen met hun borsten op mijn mond, mogen zij mij optillen en mij plaatsen in de zuivere plaatsen onder de broeders der zuivere goden.

1

Een weglating in de tekst.

2

S2C laat wi weg. Er moet een weglating zijn geweest in een tekst die hieraan voorafging, aangezien de passage over ‘het licht’ volkomen irrelevant lijkt voor de context.

3

Van de hemel, gezien het vrouwelijke achtervoegsel.

 245

 

Wees gegroet, gij die opstaat en tot bestaan ​​komt in uw naam Khopri.
Dit zeg1 ik u: Had ik maar een zoon, opdat ik met mijn scepter zou verschijnen, en opdat hij mij zou reinigen en mij eer zou brengen in het Zuivere Land.
Zie2, ik ben gekomen en ik breng u aanbidding en reiniging in het Zuivere Land, want ik ben dit zaad dat mij voor u verwekte door middel van uw mond, ik die mij voor u baarde door middel van uw greep in orgasme.
Ik ben de ster die voortkwam uit de pluimen van Re, ik ben deze waterkruiken waardoor water ontstond, waardoor Re […], waardoor ik ben ontstaan, waardoor ik ben gegroeid.
Ik zal niet worden weggevoerd naar de nachtoffers3, de slachters van de goden zullen geen macht over mij hebben, Elephantine zal ten einde komen, en de tent van de god die uit het vuur tevoorschijn kwam bij Ro-honĕ zal niet meer gevonden worden.
Ik ben verschenen als Sokar en zij die in Ro-tjenenet wandelen hebben mij toegejuicht.
Ik ben door mijzelf op mijn troon herrezen; er is geen vader van mij die mij die troon heeft gegeven, er is geen moeder van mij die mij die troon heeft gegeven.
Het was de erfgenaam van de grote van Kenzet die hem mij gaf.

1

Of: ‘wordt gezegd’.

2

Khopri spreekt.

3

Hier spreekt de overledene waarschijnlijk opnieuw.

 246

 

BEZWERING OM HET VUUR BINNEN TE GAAN EN OM UIT HET VUUR ACHTER DE HEMEL TE VERSCHIJNEN.
Ik ben deze onzichtbare, vormloos te midden van de zonneschijn, ik ga het vuur binnen, ik kom uit het vuur tevoorschijn, de zonneschijn heeft mij niet doorboord, zij die de Grote vinden hebben mij niet verbrand, van mij is het mes dat hem neersteekt die in de hand van Thoth is.
Ik zal niet rondreizen en ik heb niet rondgereisd, want uw1 arm is die van Horus, uw arm is die van de Grote, terwijl het Heilige Oog, de Vrouwe der Voorzieningen, machtig is.
Ik treed binnen in het vuur en kom er weer uit, de zon heeft mij niet doorboord, zij die de Grote vinden hebben mij niet verbrand, van mij is het mes dat hem neersteekt die in de hand van Thoth is. Ik reis om haar heen die tegenover mij staat, zij staat tegenover mij, want uw arm is die van Horus de Grote, en het Heilige Oog heeft macht.

1

Van wie?

 247

 

UIT HET VUUR ACHTER DE GROTE GOD.
Ik ben onder de bescherming van de goden getreden, ik ben hieruit voortgekomen …1 uit het hart van Thoth, ik ben de machtige, heer van de spraak, die de menigte oordeelt in het Huis van de Sistrum-speler, ik ken de namen van jullie die toebehoren aan het Oog van Horus, een machtige tegen hen die kwaad tegen hen doen, (zelfs) zij die zich in de kist van Re bevinden, ik die hem het kind van zijn woorden breng dat hem liefheeft.

1

Ikw, betekenis onbekend. Het kan nauwelijks in verband worden gebracht met ikw ‘steengroeve’ of ik ‘val aan’.

 248

 

O Vuur, wapen! van Haar die het Oog volgt, die haar vader, de oergod1, voor zichzelf heeft opgegeten, die Shu heeft aangesteld voor Hem die is opgestegen2, die het leven heeft vernietigd, moge ik jou eten en leven; %nw 3 eet en leeft voor mij, ik heb mijn vader opgegeten en leef, mijn kracht is de kracht van de Leeuw; wees goddelijk en eet wat groen4 is.
Het mes is van mij, en mijn uitspraak wordt niet tegengesproken.
Ik ben in jou binnengegaan5, ik ben uit jou gegaan, ik ken jou en ik ken je namen, ik leid je achter Re – en omgekeerd; zijn plaats is mijn plaats, zijn bescherming is mijn bescherming, ik ben verschenen in het Oog van Horus, ik verslind de goden, ik dood hem die ik tot leven heb gewekt, ik bind hem die ik heb losgelaten, ik plant obstakels en verwijder obstakels, want ik ben Re, ik ben Autoriteit.

1

Een woordspeling op pAwty ‘oergod’ en pAty ’twee broden’.

2

Een woordspeling op Sw.

3

De vergoddelijkte snw-brood?

4

Blijkbaar wel, maar tot wie is het gericht?

5

Tot wie?

 249

 

[ … ] God.
Ik ben Thoth, die de Grote Vrouwen nadert.
Ik ben gekomen om het Oog van Horus te zoeken.
Ik heb het gebracht en onderzocht, en ik heb het compleet, volledig genummerd en intact bevonden.
Zijn vlam reikt tot aan de hemel, zijn adem is boven en beneden, het is hoog voor Hem van de vogelval.
Jullie1 zullen je over mij verheugen, jullie zullen gelukkig zijn door mij, want het is mijn arm die jullie brengt en leidt, het is mijn arm die jullie scheidt.
Ik hef hem op, deze arm van mij; als jullie hem scheiden, zal hij jullie scheiden.
Ik ben Thoth, mijn arm is voor mij uit, ik leid de herauten (?) van de goden.

1

Het Oog.

 250

 

BEZWERING OM HET PAD VAN DE GOD TE BEWANDELEN.

Geb is gekomen en hij heeft voor mij gezorgd, de deuren van …1 zijn voor mij geopend, de deuren van het firmament zijn voor mij opengegooid, hij heeft mij de heilige beelden gegeven van de Ouden die mij voorgingen, hij leidt mij op het pad van …;2 ik ben Hij die volmaakt is en de Dubbele Leeuw vervaagt.

1

%fAtyw, var. %fATw, %fAT betekenis onbekend; de context suggereert een deel van de hemel.

2

GmAt, betekenis onbekend.

 251

 

BEZWERING VOOR DE VERPLEEGSTER VAN OSIRIS.1
Ik ben het duizendpootgezicht2, ik ben afgedaald3 om mijn vader te beschermen tegen Hem der slangen, de Stier van het Westen; hij heeft geen macht over mij.4
Als ik hem5 bescherm, zal hij mij beschermen, en omgekeerd.
Mijn beschermend amulet(?) is in zijn hand.6
Ik sta vlak onder7 de neus van Osiris, ik ken de namen van die twee voedsters die dit brood voor hem maken en die lucht brengen, de mysterieuze vrouwen die heersen over het Huis van Hem met de Twee Namen; die de ogen van de Meesteres van het Leven waarnemen(?) en de gedaante van de Meesteres van de Dood8 verdrijven; die Osiris uit zijn lethargie bevrijden en die mij uit mijn lethargie bevrijden.
Ik ken jullie namen en ik zal niet sterven, Seth zal geen macht over mij hebben.
Als de beenderen van Osiris elke dag weer aan elkaar worden genaaid, dan zullen mijn beenderen elke dag weer aan elkaar worden genaaid; zijn brood is mijn brood en ik zal niet in de mantel van de doden gaan.
Een vlieg is gevlogen, een fnT slang is gekropen en Osiris heeft mijn plaats bereikt; mijn dubbelganger is verheven en heeft mijn naam herhaald.
Ik sterf niet zolang hij blijft; ik ben Osiris, ik heb de twee goden geteld met mijn …  en ook die twee vrouwelijke metgezellen, de twee Dames van Pe.
Dit is het leven dat ik aan Osiris geef, want ik ben de geliefde van mijn vader, de Heer der slangen.

1

Variatie T1L: ‘Wegrijden [ . .. ]’ in rood.

2

Variatie: ‘Ik ben de duizendpoot van Horus’; ‘deze N is de duizendpoot in zijn huis’.

3

In S1C volgt een lange weglating.

4

T1L voegt toe: ‘deze N heeft geen macht over hem’.

5

S1C gaat verder. ‘Hem’ is vermoedelijk de eerdergenoemde vader.

6

Variatie S1C: ‘zijn amulet(?) is in mijn hand en mijn amulet(?) is in zijn hand’; de beschadigde S2C had blijkbaar een soortgelijke versie.

7

Let op de constructie van een onafhankelijk voornaamwoord met een bijwoordelijk predicaat.

8

Zie de Buck’s 348, noot 3*.

 252

 

Om Re-Atum1 te WORDEN. O Hand in hand, ik baan een weg voor mezelf, want ik ben de Grote die de Grote Vrouwe zocht; ik ben gekomen om deze baard van Re-Atum te zoeken, die op die dag van de rebellie werd afgenomen.2

1

Variatie T3C: ‘De schrijver van Re-Atum zijn’. S3C bevat alleen de naam van de god.

2

T3C voegt toe: ‘Ik zal de schrijver van Re-Atum zijn.’

 253

 

OM DE SCHRIJVER1 VAN ATUM2 TE WORDEN.
Orion heeft zijn velden bijeengebracht die in het huis zijn. Groot is Orion in het oordeel, groot is Rxt-Hw  wanneer hij dood is; het is zijn zoon3 die tegen Rxt-Hw zal handelen, omdat hij voor de dood is en het is zijn zoon die de dood zal brengen.
Shesmu in je nest, ik zal handelen namens mijn [heer] die zal komen, ik zal handelen namens mijn heer wanneer hij vertrekt, ik zal vertrekken tijdens het maandelijkse feest, ik zal terugkeren tijdens het jaarlijkse feest, ik zal jong zijn. . ..4

1

Var. ‘zijn’.

2

Var. ‘Re-Atum’.

3

Orions zoon.

4

Onvertaalbare resten. Aan het einde van de bezwering voegt Sq6C de rubriek in die de andere teksten aan het begin van de spreuk hebben geplaatst.

 254

 

OM EEN SCHRIJVER VAN RE TE ZIJN.

Ik ben Qrqrw, de schrijver van Osiris.
Ik heb het aantal geteld van hen die op de paden zijn, hun werk is voor mij gedaan en Osiris en Re-Atum1 zijn tevreden. <…> Zijn hoofd is hem gegeven <…> Mijn plaats.
Ik zal mijn plaats nooit aan hen geven …2 die komen met onderdrukking door boosdoeners.
Mijn mond is Anubis, mijn arm is Thoth.
Ik ben X, zoon van Y en ik zal niet voor eeuwig door hen3 vernietigd of uitgewist worden.

1

Variëteit: ‘Osiris en Re’; ‘Re-Atum’.

2

Ahrw, betekenis onbekend.

3

Im, letterlijk ‘daardoor’, vermoedelijk verwijzend naar de Ahrw.

 255

 

HET BEVORDEREN VAN EEN DUBBELGELIJKE MAN IN HET RIJK DER DODEN.
Water is op mij, ik verschijn als Re; water is aan mijn handen, ik verschijn als Horus, ik ben verheven als Hem van Nubet.
Ik heb gezogen aan Isis, Nephthys heeft mij gezoogd in het Jakhalsmeer, ik ben losgelaten in de Meren van Vrede, ik zal mijn gezicht afvegen met deze (doeken(?)) die op de schouders van Re zijn, ik zal daar sandalenriemen ontvangen, ik zal verschijnen als Horus die in goud opstijgt van de lippen van de horizon.
Lof wordt mij gebracht door de heren van het Oosten1, toejuiching wordt mij gebracht door de heren van het Westen, hulde wordt mij gebracht door de zonnemensen,
Ik ga aan boord van het schip, ik steek over naar die kant, ik betreed het Grote Paleis, ze plaatsen me aan het hoofd van de Twee Conclaven, ze wijzen me aan als hoofd van de Twee Conclaven, het gevolg wordt om me heen bijeengebracht door de Onvergankelijke Sterren, de poorten worden voor me gesloten door de Onvermoeibare Sterren, mijn dubbelganger blijft niet achter, want ik behoor tot het Huis van Horus.

1

Var. S1C: ‘West’ ten onrechte, zie 362a.

 256

 

[BEZWERING VOOR] HET WORDEN VAN DE KONING VAN DE HEMEL

Ik heb de horizon eigenhandig aangevallen en veroverd, de Onderwereld door de hand1 van Re en de wrrt-kroon door de hand van de Enneade; het koningschap op de tronen van Horus is mij gegeven, ik schiet de moordenaars voor mij neer, ik breng offers en plengoffers voor mij.
Ik heb de horizon veroverd en de kelen van de levenden aan elkaar geregen.

1

Weggelaten in S1Ca. S1Cb bevat ‘door mijn uitspraak’.

 257

 

Om één te worden die geëerd wordt door de koning.
O jullie twee van de wilg( ?), jullie behoren mij toe, want ik ben vergoddelijkt, ik verdrijf de slachters; maak een pad voor mij, zodat ik erover kan gaan1, want ik ben een geëerde van Khons2, ik kom voort uit zijn mond in de aanwezigheid van Re, ik sta op in het midden van de hemel en zij die boven de hemel zijn, hun harten verheugen zich.

1

Alle teksten behalve S1Ca voegen aan deze zin de aanroeping ‘o jullie goden’ toe.

2

Zo hebben S1Ca; S2Ca-S3C: ‘van de koning van de hemel’; B2L en B1C: ‘met mijn zus’.

 258

 

NIET VOOR ALTIJD VERGAAN.

O Grote Levende, de uitgeruste (?) die op zijn staf staat, werp de boogwikkelingen van die Grote daar uit voor (?) de Verborgen (?), die Grote daar die aan de horizon is.
De Enneade leiden hem de kikkergodinnen die Re hoeden, als zij voor u uw grote dubbelgangers dienen te midden van de horizon; sta op, dragend1 de grote Witte Kroon, o u die door Nut gebaard bent.
Een groot feest wordt voor u gevierd met offers van brood en bier met de Zielen van Pe, Nekhen en On.
Ik hoor dit: De Oudere Horus heeft u met leven bekleed; aan u behoort de spraak van hen in wie gezag is, en de huiden worden omgedraaid.

1

Letterlijk ‘op’; de betekenis is ‘op wie is’.

 259

 

AAN HEN1 VOORGESTELD WORDEN IN DE HORIZON.

O jullie slangen van de horizon die hier binnenkomen en hier weer weggaan, <die in> de … zijn, die handen leggen in het verborgen huis bij de kapel van de westelijke horizon: ik reis, mijn macht overstijgt de hemel, de vrees voor mij is op aarde, de angst voor mij is in de …2
Hij komt tot bestaan ​​als de Oogloze, hij stelt mij voor aan jullie groten.
Ik open … op de handen van die god die bevelen geeft in overeenstemming met wat hij weet; ik ben degene die Nut onthult3, ik steun hem die de Enneaden beoordeelt, ik steek te voet met Re de Melkweg over (?) met Khopri, ik ken hen die in sarcofagen liggen en hij is het die aan hun hoofd staat.

1

Vermoedelijk de hieronder genoemde slangen.

2

PAq, betekenis onbekend.

3

N + infinitief, letterlijk ‘van het ontdekken’.

 260

 

O Grote Levende, die op uw smat-staf en uw manxt-staf bent, werp de boogvormige doeken van de Onderwereld uit, zodat zij die zich aan de horizon bevinden, voor deze geest mogen leven, de Enneade gehuld (?) en puur vanwege (?) de grote Witte Kroon.
Ik verschijn op de grote troon, zodat ik daardoor machtig mag zijn als Thoth, die de god van de hemel schiep toen Re voor mij geboren werd.
De bewoners van On dienen mij, (zelfs) de grote machtigen die aan de horizon wonen.
Ik beveel een feest, want van mij is het sneeuwheiligdom, offers en plengoffers worden voor mij gebracht in On.
De Zielen van Nekhen1 horen dit; de Grote heeft mij met leven bekleed te midden van het Rietveld.
Ik ben deze dubbele stier die op de top van Re staat, die helderheid2 brengt in het Oosten volgens de boeken van de Geesten in het Westen, wier gezichten ronddraaien vanwege hun kleuren (?) […].

1

Variant S1Cb ‘van Pe’.

2

Variant S1Cb: ‘die helder voortgaat’.

 261

 

OM EEN MAGIËR TE WORDEN.

O edelen1 die in de aanwezigheid van de Heer van Alles verkeren, zie, ik ben tot u gekomen2; eer mij naar gelang uw kennis.
Ik ben hij die de Enige Heer schiep3 voordat de twee maaltijden op aarde ontstonden, toen hij zijn Enige Oog zond toen hij alleen was, zijnde wat uit zijn mond voortkwam; toen zijn talloze geesten de bescherming van zijn metgezellen4 waren; toen hij met Khopri sprak, met hem, opdat hij machtiger zou zijn dan hij; toen hij gezaghebbende woorden op zijn mond nam.
Ik ben inderdaad de zoon van Haar die Atum baarde5, ik ben de beschermer van wat de Enige Heer gebood, ik ben Hij die de Enneade deed leven, Ik ben ‘Als hij dat wil, doet hij het’, de vader der goden.
De standaard is hoog, de god6 is begiftigd overeenkomstig het gebod van Haar die Atum baarde, de verhevenste god die spreekt en eet met zijn mond.7
Ik heb gezwegen, ik heb mij neergebogen, ik ben geschoeid gekomen <in de aanwezigheid van> de Stieren van de hemel, ik heb mij <in de aanwezigheid van> de Stieren van de hemel gezet, in deze mijn waardigheid van ‘Grootste der bezitters van dubbelgangers’, de erfgenaam van Atum.
Ik ben gekomen om mijn troon in bezit te nemen en mijn waardigheid te ontvangen, want aan mij behoorde alles toe voordat jullie goden bestonden; daal af en kom naar de achterste delen, want ik ben een magiër.8

1

B1Bo heeft: ‘O jullie die in de aanwezigheid van de edelen van Atum zijn’.

2

Variatie B1Bo: ‘zie, N is bij jullie’.

3

Variatie S1Cb: ‘Ik ben de jongeling die de Enige Heer heeft gemaakt’; B1Bo blijkbaar: ‘vanwege deze naam van de Enige Heer’.

4

B1Bo voegt toe: ‘die in zijn oog straalde’.

5

Variatie B1Bo: ‘wat N betreft, hij is de zoon van Haar die Atum baarde’, en voegt vervolgens in tegenspraak in: ‘die zonder moeder geboren werd’.

6

Meervoud in B1Bo, wat luidt: ‘de goden zijn begiftigd overeenkomstig wat de oudste god geboden heeft’.

7

B1Bo laat de verwijzing naar eten weg.

8

Variatie B1Bo: ‘N is een edele magiër’.

 262

 

UITGERUST ZIJN ALS […].

Ik ben er een, de tweede van de Enneade; mannen brengen Ibnwt1 over, zij maalt voor mij … want wat mij gegeven wordt is brood.
Dit van mij is geen bezit(?) […] die breekt …2 elke dag.
Ik ben op en neer gegaan, mannen hebben voor mij gezongen, er is voor mij gejuich gemaakt.
Ik ben de heer die de aarde bewaakt(?)3; weinig en klein zijn de oevers van …, het graf is intact(?).

1

Een onbekend wezen.

2

%Dt, tamelijk onbekend.

3

Waarschijnlijk wel, ondanks de ontkenning, afgeleid van sAy ‘rondhangen’.

 263

 

O Grote (wr) die vernietigt wat verachtelijk is, o Grote (aA) die Nbyt wekt, verberg haar, mijn vader, voor hen die in de Afgrond zijn.
Ik ben de Pelikaan die uw geboorte zag, die uw geboorte zag toen u geboren werd. Ik ben hier gekomen om mijn jongen te zoeken.

 264

 

O Grote, met luide stem, N is de pelikaan die uw hoofd ziet.
Hij is hier gekomen om zijn jongen te zoeken, en de reiger(?) is tevreden, want N is zijn vader. Deze die komt is de Grote, N is veilig in het zicht van de Oude …1 als Seth, op zijn vleugels als Thoth; zijn veren zijn de staarten van …2 , hij is opgestegen om te verdrijven wat Geb3 verafschuwt.
HET WESTEN OPENEN IN HET RIJK DER DODEN.

1

Duidelijk corrupt; er is iets verloren gegaan vóór en na n’f.

2

BAtyw.

3

Abnormaal geschreven.

 265

 

NIET [VOOR ALTIJD VERLOREN]

O grote levende, o u die in het midden van de hemel bent gevestigd, werp de boogwikkelingen van de Grote die in de stad is uit; zij zullen de dubbelgangers van de groten in het midden van de horizon doen circuleren […] Horus, die de Witte Kroon draagt1, ik ben gekomen om naar de hemel te gaan, want de vrees voor mij is in de hemel en de angst voor mij is in de harten van de Fenkhu; ik ben gekomen om gerechtvaardigd te worden en opdat mijn dubbelganger mijn lichaam zal vergezellen.
Het is Thoth die gisteren vloog en die de touwen vastmaakte met uw dubbelgangers; het is dit Oog van [Osiris(?)] dat de touwen vastmaakte met de dubbelganger van Re in het midden van zijn veld.
Ik ben de gal van de Vernietigende, de Heer der slangen; Ik ben even vermoeid als Re vermoeid is. […]
Bij het vertrek van Shu, de boodschapper van Bastet, zal ik nooit aan de moordenaar worden overgeleverd, de vijandige slangen hebben mij niet verslonden. O gij die lasso’s werpt en de dorst lest2, gedraag je als een god, Anubis […] … de tenen van je dubbelgangers voor de Stier die in je midden is.
Ik eet [brood en drink (?)] zuiver water, ik ben… 0; je zult voor mij roepen, er wordt een oproep aan je gedaan.
Zie, ik ben in je midden […] beide vleugels.
Ik ben deze die uit zichzelf komt, ik word niet verslonden vanwege […] die op zijn gezicht eet, wiens buik leeg is, die leeft van de geschoren van %kks.

1

Letterlijk ’te midden van’.

2

Zeker corrupt; waarschijnlijk zijn er tekstfragmenten weggelaten.

 266

 

Ik ben Atum in zijn naam van Re [ … ]; ik ben Min(?) in zijn naam van Min(?)1, ik ben [ … ] en het grote monster bevindt zich op zijn buik.

1

Het ideogram lijkt meer op een deurslot s dan op het Min-teken, maar de details van de god met twee pluimen wijzen eerder naar Min.

 267

 

NIET OPNIEUW STERVEN.

O, jij grote levende die op je staf bent vastgehouden, werp de boogvervormingen van de Onderwereld uit, de levenden1 die zich aan de horizon van deze geest bevinden; hij heeft de vaders2 van zijn Enneaden naar jullie toe geleid.
Verschijn in deze grote koele ruimte3; Nut heeft jullie gebaard volgens de geboorte van Re, de krachten komen voort uit On, de grootste van de slangen die zich voor de horizon bevinden, zijn blijvend, en ik leef als Thoth4, Pe is mij gegeven, Dep is van mij, en er wordt een offer voor mij gebracht in On.
O, zielen van Pe en Dep5, luister hier aandachtig naar; ik heb jullie6 veredeld als de Oudere Horus in het leven, en jullie zijn de Dubbele Stier, de Grote die zich op de top van Re bevindt, en de voornaamste krachten komen voort uit het Oosten.

1

Misschien slangen die als touwen fungeren.

2

Blijkbaar wel in S1C, waar de n voor itwy overbodig lijkt. B2Bo heeft ‘zijn vrouwen van zijn Enneaden’, zo ook B7Bo; B5C en S10C zijn behoorlijk corrupt.

3

Zo ook in S1C: elke tekst heeft hier een ander woord. Bovendien ontbreekt in alle teksten de indirecte genitief na tw, wat aangeeft dat wrt bijvoeglijk naamwoordelijk is.

4

Variabel. S1C: ‘zijn ziel’; S10C: ‘Horus’.

5

Zo ook in B5C; de andere teksten hebben ‘Pe en Nekhen’.

6

De overledene, want het voornaamwoord van de tweede persoon is hier en in 400a enkelvoud. Er is duidelijk een tekstuele weglating na 399d.