Sarcofaagteksten


Klik op het Oog van Horus om een afbeelding te zien van de hiërogliefen,
die bij de desbetreffende bezwering horen.
Voor een overzicht van de gebruikte bronnen voor deze bezweringen, klik hier.
Voor een overzicht van alle teksten in hiërogliefen met dank aan Adriaan de Buck, klik hier.
(Bij elke bezwering staan deze ook afzonderlijk.)
OPSTIJGEN NAAR DE HEMEL, AAN BOORD GAAN VAN DE BOOT VAN RE EN EEN LEVENDE GOD WORDEN.1
O jullie acht Chaosgoden die de kamers van de hemel beheren, die Shu maakte uit de uitvloeiing van zijn ledematen2, die de ladder van Shu3 in elkaar zetten, kom en ontmoet jullie vader in mij, geef me jullie armen, zet de ladder voor me in elkaar, want ik ben het die jullie geschapen en gemaakt heeft, zoals ik geschapen ben door jullie vader Atum.
Ik ben de Steunpilaren van Shu moe sinds ik mijn dochter Noet boven mezelf4 heb opgetild, zodat ik haar aan mijn vader Atum in zijn rijk kon geven en ik heb Geb onder mijn voeten geplaatst.
Deze god5 weeft de Twee Landen voor mijn vader Atum, hij verzamelt voor zichzelf de hemelse koeien, ik heb mezelf tussen hen geplaatst, maar de Negen Goden kunnen mij niet zien6.
Ik ben inderdaad Shu, die door Atum geschapen is, waardoor Re ontstond.
Ik ben niet in de baarmoeder opgebouwd, ik ben niet in het ei geweven, ik ben niet verweven, maar Atum heeft mij uitgespuugd in het speeksel van zijn mond, samen met mijn zuster Tefenet.
Ze ging achter me aan en ik werd bedekt door de adem van mijn keel.7
De feniks van Re was datgene waardoor Atum in chaos, in de Afgrond, in duisternis en in somberheid8 tot bestaan kwam.
Ik ben Shu, de vader van de goden9 en Atum zond ooit zijn Enkelvoudige Oog op zoek naar mij en mijn zus Tefenet.
Ik maakte licht van de duisternis voor hem en hij vond me als een onsterfelijke.10
Ik was het die opnieuw de Chaosgoden verwekte in chaos, in de Afgrond, in duisternis en in somberheid.
Ik ben inderdaad Shu die de goden verwekte.
O jullie acht Chaosgoden die ik11 geschapen heb uit de uitvloeiing van mijn vlees, wier namen Atum maakte toen de Afgrond werd geschapen, op die dag toen Atum daarin sprak met Nu in chaos, in duisternis en in somberheid.
Kom me in vreugde ontmoeten, geef me je handen, zet de ladder voor me in elkaar zoals je dat voor mijn vader Atum deed, want ik ben moe van de Steunen-van-Shu, de oever van de schemering.12
O Heer van de Vlam die de deuren van de hemel bewaakt, open de deuren van de hemel13, zet de ladder voor me in elkaar, maak een weg voor me, want ik ben moe in chaos, in de Afgrond, in duisternis en in somberheid.
O jij die de chaos oplicht en de lucht verlicht14, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
O jij naw-slangen, het zaad van Shu, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
0 Bloed van Shu, Stier van Uraei, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
O Inhalator van de adem die in de mond van Shu is15, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
0 Stier van Miljoenen die Apep afweert, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
Shu werd het ooit beu in de aanwezigheid van zijn broeders, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
Maak een weg voor Shu16, zodat hij stoutmoedig naar de hemel kan opstijgen, zet de ladder voor mij in elkaar, maak een weg voor mij, want ik ben vermoeid in de Afgrond, in chaos, in duisternis en in somberheid.
Hef de vermoeide Shu omhoog door middel van hen die verantwoordelijk zijn voor de zonneschijn.
Maak een weg voor Shu17, zodat hij stoutmoedig naar de hemel kan opstijgen, zet de ladder van de vermoeide Shu voor mij in elkaar, maak een weg voor mij in duisternis, in chaos, in de Afgrond en in somberheid.
Alleen G1T. Voor het overige volgt de vertaling in het algemeen B1C, met uitzonderingen zoals hieronder vermeld.
Varianten B1Bo en G1T: ‘zijn vlees’.
‘Shu’ van B1Bo is de betere lezing, zie 8 e.v. Er is een duidelijke neiging om Shu en Atum in deze spreuk te verwarren. Zie noten 15 en 16 hieronder.
G1T luidt: ‘aangezien ik mijn vader en mijn moeder, die op mij rusten, heb opgetild’.
‘Deze god’ lijkt te verwijzen naar Geb.
Omdat deze god de onzichtbare lucht is. Variatie B1Bo: ‘mensen en goden zien hem’; G1T: ‘de Negen goden zien mij’.
Varianten B1Bo en G1T: ‘de levensadem van de keel’. Deze passage lijkt een poging te zijn om de onzichtbaarheid van de luchtgod Shu te verklaren. Zijn bedekking van lucht verhult hem voor het zicht.
Een beschrijving van het onvoltooide universum vóór de schepping, die hieronder en ook in Spreuken 79 en 80 vaak voorkomt.
B1C heeft een verbastering: ‘Shu en Tefenet van de goden’, wat onzin is.
Letterlijk: ‘mens van de eeuwigheid’.
‘N’ in B1Bo (7d) vertegenwoordigt de ware eerste persoon, zoals in 1 e.v. ‘Atum’ van G1T is zeker secundair en onjuist.
‘De oever van de schemering’ is mogelijk een toespeling op lage wolkenformaties bij zonsopgang of zonsondergang, die zouden kunnen lijken op grote banken die de hemel ondersteunen.
Deze passage komt niet voor in B1C en de verwante teksten, maar omdat hij in de context past en daarom mogelijk in het archetype is voorgekomen, is hij in de vertaling opgenomen.
Variatie G1T: ‘verlicht de Twee Landen’.
B1Bo en G1T voegen toe: ‘je ademt de adem uit die in de mond van Shu is’.
De teksten hebben ‘Atum’, maar zie noot 2 hierboven.
Lees voor ‘Atum’ ‘Shu’, zie noot 15 hierboven.
Ik ben deze ziel van Shu, die zich in de vlam van de vurige explosie bevindt die Atum met zijn eigen hand aanstak.
Hij veroorzaakte een orgasme1 en er viel vloeistof(?) uit zijn mond.
Hij spuwde me uit als Shu, samen met Tefenet, die na mij voortkwam als de Grote Enneade, de dochter van Atum, die schijnt op de goden.
Ik werd erin2 geplaatst als zoon en dochter van Noet3, zij met het gevlochten haar die de goden4 baarde.
Zo ben ik.5
In A1C is nDmmt verkeerd gelezen als nHmmt.
De Grote Enneade. Zie noot 4 hieronder bij B1Bo.
Hier hebben we de overledene, die in 18a e.v. beweert Shu zelf te zijn, en nu de rol van Shu’s kleinkinderen op zich neemt, vermoedelijk Osiris en Isis.
Zo ook G1T en A1C. Voor 18g heeft B1Bo de duidelijk onjuiste lezing: ‘jij plaatst voor deze N zijn ziel erin als Geb en Nut op die dag van haar die copuleerde(?) voor mij en die de goden baarde’.
B1Bo laat weg.
Ik ben de ziel van Shu, voor wie Noet boven en Geb onder zijn voeten werd geplaatst en ik tussen hen in sta.1
O jullie acht Chaosgoden die Shu verwekte, die Shu vormde, die Shu schiep, die Shu samensmeedde, die Shu verwekte uit de uitvloeiing die in zijn vlees was als jakhalzen uit het zaad van Shu, die Nu verwekte, die Atum maakte, die Noet2 onder Atum verhief, die het pad van Noet bewaken dat onder Atum ligt, waarvan de lengte die van de hemel is, waarvan de breedte die van de aarde is.
Kom, wees verheugd3 in jullie4 waardigheid, wees hoog met jullie kronen wanneer jullie Shu in mij ontmoeten.
Geef me je handen, zet de ladder van Shu in elkaar.
Ik ben de ziel van Shu die opsteeg op de vleugels van Shu, de vader van de goden.
O boogschutters van Shu, aanschouw mij, want ik ben de eeuwigheid5, de vader van de Chaosgoden.
Mijn zuster is Tefenet, de dochter van Atum, die de Enneade droeg.
O goden, buig uw hoofd, strek de armen van Shu uit totdat ik de ladder6 op ga, aanschouw mijn vader Atum in deze processies met de wrrt-kroon voor eeuwig. Ik ben degene die de Chaosgoden vormde, die Atum herhaalde, en deze mijn zuster is de eeuwigheid.
Dat wil zeggen: de overledene is Shu (lucht) tussen aarde en hemel.
Variatie B1C: ‘Nu’. 20b is duidelijk overbodig.
Aansporende oude perfectief, die de imperatief in 20f voortzet.
Het achtervoegsel wordt weggelaten in G1T en A1C.
Dus, in plaats van ‘aan mij behoort de eeuwigheid’, want B1C kan niet anders vertaald worden dan ‘N is eeuwigheid’. B1Bo heeft deze bewering aangepast tot ‘hij is Heer van de eeuwigheid’.
B2L en B1P voegen toe: ‘van Shu’.
O, gij acht Chaosgoden die uit Shu zijn voortgekomen, wier namen het vlees van Atum schiep, overeenkomstig het woord van Nu in chaos, in de Afgrond, in duisternis en in duisternis, gij kent Mij1, want Ik was het die u schiep, u verwekte en u samenweefde, Wij zullen u maken naar het voorbeeld van het woord van Nu en Atum2, want het was Re door bemiddeling van wie Atum hoog in zijn rijk(?)3 was en hij zag Geb niet onder zijn voeten, want Shu was in zijn rijk, Shu was in de Afgrond toen de aardgoden4 nog niet samengeweven waren, toen de hemelse koeien van Atum nog niet tot bestaan waren gekomen, zodat hij op hen kon rusten.
Ik ben de grote van Shu die de ladder van Shu beklom.
Ik tel het aantal Chaosgoden in schemering en zonneschijn.
Ik ben vastbesloten om de pilaren te tellen in de HTTt-kamer5 van de kapel van Atum.
Ik plaats de naw-slang op de Steunen van Shu.
Ik daal af naar het schip en bind de kapel van Re samen met het goede dat hij verlangt.
Variatie: ‘je weet (dat) …’.
Variatie B1Bo: ‘Nu en Re’.
B1Bo luidt: ‘binnen Nut, Shu zich in zijn rijk bevindend(?),’.
D.w.z. Aker en Geb.
@TTt betekent letterlijk ‘oksel’, vgl. Caminos, Lit Frag. p. 15, noot 1, maar hier lijkt het te verwijzen naar een kamer in de kapel van Atum.
O, jullie acht Chaosgoden, ware Chaosgoden1, die de hemel met jullie armen omsingelen, die hemel en aarde2 samenbrengen voor Geb, Shu heeft jullie gevormd in chaos, in de Afgrond, in duisternis en somberheid en hij wijst jullie toe aan Geb en Noet, terwijl Shu eeuwigdurend is en Tefenet de eeuwigheid. Ik ben de ziel van Shu aan het hoofd van de hemelse koeien, die naar de hemel opstijgt als hij dat wil, die naar de aarde afdaalt als hij dat wil.
Kom met vreugde de god in mij ontmoeten, want ik ben Shu, die Atum vormde en dit gewaad van mij is de levensadem.
Een kreet om mij ging uit de mond van Atum, de lucht opende zich voor mijn wegen.
Ik ben het die de hemel na de duisternis licht maakt, mijn aangename kleur is (dankzij) de lucht die na mij uit de mond van Atum3 komt en de onweerswolk van de hemel is mijn uitstroom, hagelbuien en half duisternis4 zijn mijn zweet(?)5.
De lengte van deze hemel behoort tot mijn stappen, de breedte van deze aarde behoort tot mijn nederzettingen(?).
Ik ben degene die Atum schiep en ik ben bestemd voor mijn eeuwige verblijfplaats.
Ik ben de Eeuwige, die de Chaosgoden schiep, gereproduceerd(?) door het speeksel van Atum6 dat uit zijn mond kwam toen hij zijn hand gebruikte, zijn speeksel(?)7 zal op de aarde vallen.
Aldus zei Atum:
Tefenet is mijn levende dochter en zij zal bij haar broer Shu zijn, ‘De Levende’ is zijn naam, ‘Rechtvaardigheid’ is haar naam.
Ik leef met mijn twee kinderen, ik leef met mijn twee jonge vogels, want ik ben te midden van hen, beiden volgen mijn lichaam en ik lig neer en leef met mijn dochter Maät, één in mij en één achter mij, ik sta op vanwege hen beiden, hun armen om mij heen.
Het is mijn zoon die zal leven, die ik in mijn naam verwekt heb8.
Hij weet hoe Hij Hem moet voeden die in het ei in de baarmoeder voor mij zit, namelijk de mensen die voortkwamen uit mijn oog dat ik uitzond toen ik met Nu alleen was in lusteloosheid9 en ik geen plek kon vinden om te staan of te zitten, toen On nog niet was gesticht zodat ik erin kon wonen, toen mijn troon nog niet was samengesteld zodat ik erop kon zitten; voordat ik Noet had gemaakt zodat zij boven mij zou zijn10, voordat de eerste generatie was geboren, voordat de Oer-Enneade tot bestaan was gekomen zodat zij bij mij konden wonen.
Zo zei Atum tegen Nu:
Ik ben op het vloedwater, zeer vermoeid en de patriciërs zijn inert11.
Het is Geb die leeft en mijn hart verheft, hij voedt mijn hart, hij heeft deze zeer vermoeide leden van mij verzameld.
Nu zei tegen Atum:
Kus je dochter Maät, leg haar aan je neus, zodat je hart mag leven, want ze zal niet ver van je zijn, Maät is je dochter en je zoon is Shu wiens naam leeft.
Eet van je dochter Maät, het is je zoon Shu die je zal oprichten.
Ik ben inderdaad iemand die leeft, zoon van Atum, hij heeft mij gevormd met zijn neus, ik ben uit zijn neusgaten gekomen, ik heb mij om zijn nek gelegd en hij kust mij met mijn zuster Maät.
Hij staat dagelijks op wanneer hij uit zijn ei komt, dat de god die stralend omhoog ging, heeft gevormd.
Er wordt tegen hem gezegd:
‘Gegroet aan hen die hem verwekten, die aan de horizon zijn, ik laat zijn vader leven, de bemanning van wiens boot de Onvermoeibaren zijn, het leven van levend vlees.’
Ik ben12 de levende die op hoofden breit, die halzen stevig maakt en die kelen voedt.
Ik brei Atum samen, ik verstevig het hoofd van Isis op haar nek, ik brei de ruggengraat van Khopri voor hem samen, ik ben de verre reizende zonneschijn die dagelijks de hemel naar Atum brengt voor de neus van Re.
Ik zal komen en gaan, ik zal de weg openen voor Re zodat hij naar de westelijke horizon kan reizen.
Ik ben… bij zijn neus, mijn armen zijn onder hem, ik red hem van Apep wanneer hij naar de westelijke horizon reist.
Ik laat de nek bloeien die in de Nacht- en Dagboot13 is, mijn adem is vandaag uit het westen en het oosten het lichaam van Noet ingegaan.
Hem die ik dagelijks vorm, hij zet mij aan zijn neus, doet mijn vader Atum, ik brei op zijn hoofd, ik verstevig zijn nek en ik verstevig het hoofd van Isis op haar nek, ik monteer de ledematen van Osiris opnieuw, ik verzamel zijn botten, ik laat zijn zaad bloeien, ik maak zijn vlees gezond, ik geef hem voedseloffers, en de Stier van het Westen maakt hem volhardend.
Ik ben een levend wezen, bezitter van jaren en ik leef voor eeuwig en altijd.
Atum verkreeg het ouderschap door zijn macht toen hij Shu en Tefenet in On vormde, toen hij alleen was in zijn bestaan, zonder mij toen hij Geb van Noet scheidde, voordat de eerste generatie geboren was, voordat de oer-Enneaden tot stand waren gekomen en zij zullen bij mij zijn.
Hij ontving mij in zijn neus! en ik kwam uit zijn neusgaten.
Hij heeft mij op zijn nek gezet en zal mij niet ver van hem laten zijn, ik, mijn naam en mijn zoon leven, (zelfs hij) de Oergod, ik leef op de… van mijn vader Atum, ik ben de levende die op zijn nek is en mijn keel is gemaakt om te bloeien, (zelfs ik) die Atum maakte tot de Graangod toen hij mij liet afdalen naar dit land, naar het Eiland van Vuur, toen ik Osiris werd, de zoon van Geb.
Ik ben de levende die voor zichzelf de lengte van de hemel en de breedte van Geb maakte, zodat daar de voedseloffers konden ontstaan die in mij(?) voor de god werden geleid.
Mijn vader Atum kust mij wanneer hij uit de oostelijke horizon vertrekt en zijn hart is in vrede bij het zien van mij, hij gaat in vrede verder naar de westelijke horizon en hij vindt mij op zijn pad, ik brei op zijn hoofd en maak zijn uraeus levend, Ik maak het hoofd van Isis stevig op haar nek, Ik verzamel de botten van Osiris en Ik laat zijn vlees dagelijks bloeien, Ik laat zijn ledematen dagelijks gezond worden.
Daar leven valken, eenden, jakhalzen in beweging, varkens in de woestijn, nijlpaarden in de moerassen, mensen, graan en scholen vis, vissen in de wateren van de Nijl, overeenkomstig het bevel van Atum dat ik hen moet besturen en voeden met mijn mond.
Mijn leven is wat er in hun neusgaten is, ik leid hun adem in hun keel, ik brei op hun hoofden met mijn gezag dat op mijn lippen is, dat mijn vader Atum, die uit de oostelijke horizon tevoorschijn kwam, mij gaf en ik voed de xDDw-vissen en de slangen die op de rug van Geb zitten, ik zal inderdaad onder Noet leven.
Letterlijk: ‘Chaosgod van Chaosgod’. C1T en A1C plaatsen het laatste woord in het dualis.
Letterlijk: ‘Aker’, aardgod.
Letterlijk: ‘de lucht … is mijn aangename kleur’.
Ixxw betekent normaal gesproken ‘schemering’, ‘schemering’, maar hier lijkt het de half-duisternis van een zware storm te vertegenwoordigen.
Letterlijk: ‘dauw’, maar hier verwijst het woord naar een product van het menselijk lichaam.
Letterlijk: ‘die door het speeksel van Atum … werd herhaald’. De daaropvolgende verwijzing naar de ‘hand’ verwijst naar de schepping door masturbatie, waarbij ‘speeksel’ een eufemisme is.
Onbekend woord.
Zo identificeert B2L; B1C de zoon van Atum met Geb, terwijl hij mythologisch gezien Shu zou moeten zijn.
Dat wil zeggen, rustend in de Afgrond vóór de schepping. Voor ‘Nu’ heeft B2L ten onrechte ‘Nut’ geschreven.
Dus B1C en B2L; B1P is corrupt; B2L en B1P voegen toe: ‘opdat zij Geb zou scheppen’.
Nog steeds ongeboren?
Het is de overledene, geïdentificeerd met Shu, die nu spreekt.
Kennelijk zorgt de spreker (= Shu) voor lucht zodat de inzittenden van de boot kunnen ademen.
Ik ben Shu, zoon van Atum, hij vormde mij in zijn neus en ik kwam uit zijn neusgaten, hij zette mij in zijn nek en kuste mij elke dag.
Hij schittert en rijst op wanneer hij uit zijn ei komt, dat de god als nakomeling vormde.
Er wordt tegen hem gezegd:
Wees gegroet, o jij die de mensen verwekte als iemand die aan de horizon is, ik geef lucht aan zijn neus, zijn bark is levend, zijn vlees is levend en ik voed zijn ledematen.
TE WORDEN VOORGEDRAGEN DOOR ACHT CHAOSGODEN, GESCHREVEN MET GEEL PIGMENT EN NUBISCHE OKER OP DE HAND VAN DE MAN1, TE SPOELEN2 IEDERE DAG HEEL VROEG.
Vermoedelijk moeten de afbeeldingen geel en okerkleurig geschilderd worden; het lijkt onwaarschijnlijk dat de handen van de overledene okerkleurig geschilderd zullen worden.
Letterlijk ‘gelikt’, vgl. Wb. II, 334,14, maar het lijkt helemaal niet waarschijnlijk dat er daadwerkelijk gelikt werd.
Mijn ogen zijn voor mij geopend, mijn vader verkeert in een kwade toestand, de ogen van zowel mijn ziel als mijn beide uraei zijn dood, maar ik heb mijn ogen niet aan mijn ziel of mijn uraei gegeven.
Mijn ogen zijn voor de greep van Shu en voor de greep van de duisternis, wie ver weg is en mijn ogen niet heeft, heeft niet geslapen.
Mijn ogen zijn de dubbelgangers van de ogen van Horus als zijn oog standvastig is, zal mijn oog standvastig zijn, of het nu door ziekte of storm is.
TE RECITEREN1 OVER HET VOORSTE DEEL VAN EEN LEEUW GEMAAKT VAN CARNEOOL(?) OF VAN HET BOT VAN EEN GIER, TE GEVEN AAN EEN MAN VOOR ZIJN NEK WANNEER HIJ NAAR DE NECROPOLIS AFGAAT (ALS) BESCHERMING VAN DE ZIEL VAN SHU, OPDAT EEN MAN MACHT OVER DE WINDEN VAN DE HEMEL KAN HEBBEN, OMDAT HIJ DEZE WAARDIGE GEEST EN KONING VAN ALLE WINDEN VAN DE HEMEL IS GEWORDEN. WAT VOOR IEDERE MAN DIE DEZE BETOVERING KENT, HIJ ZAL NOOIT MEER DE DOOD STERVEN, ZIJN VIJANDEN ZULLEN GEEN MACHT OVER HEM HEBBEN, GEEN MAGIE ZAL HEM VOOR ALTIJD OP AARDE TEGENHOUDEN. HET BETEKENT EEN MAN DIE OP ZIJN VERLANGEN DE NECROPOLIS VERTREKT, HET BETEKENT EEN WAARDIGE GEEST WORDEN MET OSIRIS.
Deze hele bezwering, die geheel in rood is geschreven behalve in M23C, lijkt een rubriek te zijn voor bezwering 82.
NEHEBKAU WORDEN IN HET DODENRIJK.
I k heb mirre gebruikt, wierook gebrand, de aarde omgehakt, offers gebracht aan Isis en Nephthys, opdat zij heilige dingen zouden leggen op de armen van Seshat, die zwanger van mij is en mij tegenhoudt.
Ze is boos op mij en steekt mij neer.
Ik heb de voorkant tussen haar dijen gemaakt als Hem wiens hoofd is opgeheven1, ik ben tussen de dijen van Isis2 tevoorschijn gekomen als Horus, ik heb mijn vlees in de hemel afgemeten als een grote, jonge, wilde stier.
Mijn plengoffervaten zijn van fijn goud, mijn nmst(?)-vaten zijn van elektrum(?).
Ik heb mijzelf gezuiverd in het aangezicht van de Twee Conclaven, ik heb de geesten overtroffen, ik heb de wijzen overtroffen en ik heb gezegd dat zij op grond daarvan een standplaats voor mij zullen maken.
Een mythologische slang.
Hier wordt Seshat geïdentificeerd met Isis.
Var. Sq6C: ‘O Osiris N, jij bent de naw slang’.
NEHEBKAU WORDEN.
Ik ben de naw-slang, de Stier van het Tribunaal, die deze zeven uraei heeft opgeslokt, die verheven en schoon is als Nehebkau, de grote Enneade van Atum, die de krachten van de goden schenkt.
Ik ben tot jullie gekomen, jullie goden1, ik2 schenk jullie krachten (kAw) en neem jullie krachten weg (Axw).
Zo luidt Sq6C; varr. Sq1C: ‘Ik ben de Stier van het Tribunaal, [de grote Enneade(?)] van Atum, die machten schenkt’; M14C: ‘Ik ben de nieuwe slang, [de Stier van(?)] deze [twee grote Enneaden(?)], die machten schenkt’.
Zo luidt Sq1C, vgl. 52g. Voor 53a-c heeft M14C: ‘… [Ik ben] degene die [jouw(?)] machten aanneemt’ (of ‘de machten [van de goden]’). Hier volgt in Sq6C de rubriek die de andere twee teksten aan het begin van de spreuk plaatsen.
Ik ben de naw-slang, de Stier der Enneaden, die geen magie gehoorzaamt en het binnengaan in [ …] is mijn afschuw.
Ik ben de naw-slang, de Stier der Enneaden, die deze zeven1 uraei verslindt die verheven2 zijn als Nehebkau,3 die macht geven aan hen die in hun hemelen zijn. Ik zal nooit enige kwade magie gehoorzamen en mij zal niets kwaads overkomen.
Ik ben opgestegen en heb mijn vijanden onder mijn sandalen gezet, zodat ik macht over hen kan hebben, overeenkomstig wat Re mij heeft bevolen.4
Dus M6C.
Zie bezwering 86, noot 3. M4C heeft: ‘Ik zal verheven worden als NebH[ebkau].’
M4C eindigt hier.
M6C staat in de derde persoon, maar de eerste is zeker origineel.
Ik ben de naw-slang, Stier van de Enneaden, die geen magie gehoorzaamt, die niet door vuur wordt verbrand, die niet door water wordt natgemaakt.
Ik zal nooit magie gehoorzamen, ik zal nooit door vuur worden verbrand, ik zal nooit door water worden natgemaakt, ik zal elke dag als Re zijn, iemand die elke dag door het zonnevolk wordt gevormd, dat gisteren zag […].
BETOVERING VOOR HET STUREN VAN EEN MAN EN ZIJN ZIEL EN […] EEN MAN TEGEN ZIJN VIJAND.1
Ik ben tot u gekomen, o Ibw-wrt, poortwachter van het strijdtoneel der goden, die de bozen zal afweren.
Ik ben degene met het scherpe mes die de dag inging en ik heb macht over mijn vijanden.
Ik ben gekomen, mij is een weg gegeven, ik heb controle over mijn voet en ik zal tegen uw vijand optrekken.
Ik ben hier gekomen van het Tribunaal, mijn woord met hem2 werd gehoord en mij is een weg tegen hem gegeven door Hem wiens gedaante onzichtbaar3 is. Hij heeft de adem uit mijn neus genomen voordat mijn dagen gekomen waren, hij heeft mij naar deze plaats gebracht, terwijl mijn voedsel op aarde is.
Voor de volledige vorm van deze rubriek zie Pap. Berl. B4C luidt ‘Macht hebben over een vijand’ en S1C (55d) luidt: ‘De gedaante aannemen van […]’, en aan het einde van de bezwering (59c) luiden S1C en G1T: ‘Een man en zijn ziel uitzenden’.
Waarschijnlijk betekent dit ‘mijn strijd tegen hem’, d.w.z. tegen de vijand.
Kennelijk de onzichtbare, hoewel de verwijzing geenszins duidelijk is.
Niet ondersteboven gaan en de dag ingaan.
Ik ben naar je toe gekomen, 0 Ibw1 bescherm me.
Hoe blij is de dubbelganger van mijn moeder met mij!
Mijn vader ziet me staan, met mijn staf van fijn goud in mijn hand.
Ik snijd het vlees af van hem die tussen de dijen van Sothis2 woont.
‘Wees jong, wees jong in vrede!’3 zeggen de goden tegen me, Hathor schittert.4
Ibw is duidelijk een afkorting van Ibw-wrt
T1Be laat de naam van de godin weg.
Variatie T1Be: ‘In vrede, in vrede! Wees jong!’ zeggen [de goden].
De relevantie van deze laatste zin voor wat eraan voorafging is niet duidelijk. B4Bo eindigt met een gebrekkige versie van de rubriek van B2Bo: ‘<Niet> ondersteboven gaan <door> N’, met weglating van de negatie.
Ik ben met magie in gezelschap gekomen1 door middel van mijn kracht2 om die vijand van mij voor mezelf te overwinnen, zodat ik de dag in kan gaan.
Hij3 is mij gegeven en hij zal niet van mij gered worden, zoals Hij wiens gedaante onzichtbaar is, heeft bevolen.
Het is Hij wiens gezichten talrijk zijn die ik naar hem toe stuur en het is Hij die hem zal naderen.
De dag ingaand.4
Ik ben uit een myriade voortgekomen, ik ben verschenen als de duizendpoot god5, ik ben de poorten van de horizon binnengegaan6, die vijand van mij die mij gegeven is, is voortgekomen, maar hij zal niet van mij gered worden, want ik ben tegen hem gerechtvaardigd.
Volgt het perspectief van de eerste persoon in B2Bo.
Of ‘mes’.
De vijand.
Deze ondertitel komt alleen voor in B2Bo.
B1Bo eindigt hier.
Variatie: ‘Ik ben opgeklommen’.
Ik [ben] tot u gekomen, o Iby-wrt, bewaker van het strijdtoneel der goden, ik ben in vrede naar het Eiland [van Vuur(?) …] gekomen, ik heb mij gehaast, mijn gedaante is onzichtbaar in de aanwezigheid van die god die [ …] in mijn neusgat brengt voordat mijn dagen gekomen zijn […] de wegen die op aarde voor hem zijn.
Zie [ …] heeft [ …] deze god gegeven.
Zie […] ik [geef (?)] hem aan u.
Ga, zodat u uw jongen kunt inspecteren wanneer […] komt.
Bezwering om de dag in te gaan1.
O, U, Enige die schittert als de maan, ik begeef mij te midden van de menigte naar de poorten van de Bark met hen die in de zonneschijn zijn2.
De Onderwereld is geopend, want ik ben in deze dag naar buiten gegaan3, mijn vijanden zijn naar mij gebracht, nadat ze in het Grote Tribunaal zijn gedood.
B1C kort samengevat: ‘Naar buiten gaan, de dag in’.
Vanaf hier, in navolging van B1Bo, maar gebruikmakend van de eerste persoon van de meeste teksten. Varianten van 65d luiden: ‘zij die in de zonneschijn zijn, zijn bevrijd’ en ‘in de vreugde van hen die in de zonneschijn zijn’; een van deze is duidelijk een verbasterde versie van de andere.
B4C e.v. voeg hier toe: ‘in mijn ware gedaante van een levende geest’.
DE ZIEL LATEN ONTSNAPPEN UIT HET LIJK: nog een boek VOOR HET UITGAAN, DE DAG IN.
Ik ben deze grote ziel van Osiris, die door de goden werd bevolen met hem te paren, terwijl hij overdag in de hoogte leeft.
Ik heb Osiris herschapen uit de uitvloeiing die in zijn vlees was, uit het zaad dat uit zijn fallus kwam toen hij de dag inging, zodat hij ermee kon paren.
Ik ben de zoon van Osiris, zijn erfgenaam binnen zijn rang, ik ben de ziel in zijn bloed, ik ben degene die deze grote kroon van Beneden-Egypte ontbloot!
Die toebehoort aan Osiris, waarvan de goden vrezen dat hij hem ontbloot, omdat ik deze grote ziel van Osiris ben, die de goden bevolen hebben met hem te paren, die overdag in de hoogte leeft.
Ik heb Osiris herschapen uit de uitvloeiing van zijn vlees, uit het zaad dat uit zijn fallus kwam toen hij de dag inging, zodat hij ermee kon paren.
Ik ben het die de slachtplaatsen opende en de voorstukken gereed maakte.1
Verwijzend naar het slachten van dieren voor voedsel.
O Poortbewaker, die baarmoeders doet ontvlammen en gezichten verwondt in de aanwezigheid van Hem die uit zijn brandende lichaam komt, ik zal de dag ingaan met mijn1 ziel in mijn dag-gedaante naar mijn zetel die zich in het papyrusbosje bevindt2 en die zich in het midden van… op mijn toppunt bevindt.
Of ‘als’.
Uit de varianten blijkt duidelijk dat de kopiisten clausule 74b niet begrepen. Er lijken echter twee basisversies te bestaan, waarvan de ene kennelijk luidt: ‘mijn zetel die zijn vlam (of ‘macht’) verslindt’, terwijl de andere luidt: ‘mijn zetel die zich in zijn papyrusbosje bevindt’. Van de twee versies is de tweede tenminste begrijpelijk; het ‘papyrusbosje’ zou een toespeling kunnen zijn op de Delta-schuilplaats van Isis en de jonge Horus.
Geb heeft de deur voor mij geopend, zodat ik daaruit naar de poort van … ten noorden van de Oever van Hu kan gaan.
Ik plaats het Veld van Hu voor mijn zetel op de dag dat ik naar de hemel1 opstijg, omdat ik deze grote ziel van Osiris ben, met wie de goden hem bevolen te paren, terwijl hij overdag in de hoogte leeft.
Ik heb Osiris herschapen uit de uitvloeiing die in zijn vlees was, uit het zaad dat uit zijn fallus kwam toen hij de dag inging, zodat hij ermee kon paren.
‘Ga heen en copuleer met je ziel’, zeggen alle goden.
‘Ga heen de dag in’, zeggen jullie zelf, jullie goden, (tegen) Osiris.
Osiris heeft mij tot zijn levende ziel gemaakt!
Volgens het woord van de goden2 zal ik de dag ingaan en met hem copuleren, ik zal voortgaan als zijn ziel in mijn (eigen) gedaante en ik zal met hem copuleren op mijn zetel die zich in het struikgewas bevindt, te midden van … op mijn top.
Osiris heeft mijn mond gewassen met de melk van de rode koe die voortkwam uit de zonneschijn, die dagelijks Re draagt.
Ik heb de hemel doorkruist, ik heb de zonneschijn doorkruist, ik heb het westen van de hemel doorkruist, ik heb het oosten van de hemel doorkruist, het is Re die mijn ziel voor mij maakte en het ben ik die een ziel voor Re maakte.
Ik ben tot u gekomen, o Ib(w)-wrt, poortwachter van het strijdtoneel der goden, die de bozen afweert, voor wie de wachters van de velden openstaan.
Ik ben hij wiens mes scherp is, die de dag inging en die macht heeft over zijn vijanden, mij is een weg gegeven, ik heb kracht in mijn benen, ik kom de dag in tegen mijn vijand, ik heb macht over hem, zoals Hij wiens gedaante onzichtbaar is, beval.
Ik ben hier gekomen!
Vanuit het Tribunaal, mijn zaak is ermee beoordeeld en ik ben gerechtvaardigd.
Een weg is mij gegeven door Hem wiens gedaante onzichtbaar is, Hij heeft de adem uit mijn neus genomen voordat mijn dagen gekomen waren en Hij heeft mij naar deze plaats gebracht, mijn voedsel op aarde en mijn magie in mijn rituele bezweringen3, zodat Hij mijn vijand naar mij toe kon brengen en ik macht over hem zou hebben, zoals Hij wiens gedaante onzichtbaar is bevolen heeft.
Hij, wiens gezichten talrijk zijn, is het die mij naar Hem zendt,
Hij is het die zal oordelen, want Hij is het die het hoort.4
Deze zin is nogal onduidelijk en waarschijnlijk onjuist; ik (Faulkner) vertaal de woorden zonder de betekenis van de passage te begrijpen.
B3L voegt ‘Osiris’ toe aan het einde van deze zin.
Hier voegen M3C en M28C ‘mijn lof is erin op aarde’ in.
Dat wil zeggen, het geval voor het oordeel; ‘hoort hem’ zou sDm.n.f zijn, want dit werkwoord neemt het lijdend voorwerp van het ding en de datief van de gehoorde persoon.
De meeste teksten wisselen tussen wnwt ‘deuren’ en wnwt ‘koorden’, maar de eerste heeft de voorkeur. B4C en S10C zijn corrupt.
Variatie S10C: ‘O Oog van Horus, kom, neem me mee (B1Bo ‘deze N’).
De mijne is de peilstok die uit de afgrond opsteeg.
Gisteren heb ik het firmament1 verdeeld, mijn ziel gaat naar mij (naar) de hemel, de hemel, gekomen (van) de aarde, de aarde.
Hij die in duisternis is (?), is hij die mijn rug bedekt, want ik ben morgen en de Heer van gisteren2.
Vergeet ik de buitenste kamer van Thoth, vergeet hij de wens van de doden totdat mijn ziel en mijn schaduw er langs trekken?3
Een man zal deze spreuk uitspreken over een luis op zijn hoofd, hij zal hem op zijn knie leggen en spugen totdat er een vlieg komt om hem te vangen.
Na de B1C-groep hebben S1C en G2T de zin ‘Ik verdeelde het firmament, (zelfs ik) de Heer van gisteren’.
S1C en G2T eindigen hier. De B1C-groep gaat verder met zinnen die terugkomen in spreuken 99 en 101 (S1C, G2T en S2C).
Vermoedelijk de ‘buitenkamer van Thoth’. Maar wat betekent dit allemaal?
Ga, mijn ziel, opdat die man daar je moge zien, sta tegenover hem in mijn gedaante en gedaante.
‘Rechtvaardig is de levende geest’, zeggen deze honderden1 van Atum die bezit van je nemen.
Ga voor de uitvloeisels van mijn vlees en voor het zweet van mijn hoofd.
Je zult opstijgen uit de Onderwereld (naar) de zonneschijn, waarin ze schijnen, waaruit ze opstijgen en waarin ze afdalen.
Het is deze god van gerookt(?) graan die na zijn dood leeft en die je meeneemt om die man daar te zien, waar hij ook is, in mijn gedaante, in mijn wijsheid, de offers(?) van een levende geest.
Vergeet ik de buitenste kamer van Thoth?
Vergeet hij de wens van deze man totdat ik er langs kom?
Hij spreekt niet, maar de valken vliegen op, de antilopen reizen, Neith kruipt(!) voor hem uit, hij leeft waar hij ook is.
De sterren?
O boodschapper die in de tempel is, o koerier die in de tempel is, breng mijn ziel naar die man daar, zodat hij haar met eigen ogen kan zien, want ze leeft waar hij ook is…
Zie, hij heeft haar in bezit genomen en je zult het Oog van Horus vinden.
Sta op… deze arm van je is afgehakt, deze hand van je is…, de bewakers van hemel en aarde zorgen voor je.
Je zult opstaan en tegenover hem gaan zitten en hij zal je met zijn ware ogen zien.
TE WORDEN VOORGEDRAGEN OVER EEN BEELD VAN DE VOORNAAMSTE DER WESTERLINGEN EN TE WORDEN GESCHREVEN OP ZIJN HAND
EEN MAN EN ZIJN ZIEL STUREN.
Ga, ga, gindse ziel van mij, dat gindse man je in je levende gezicht kan zien, waar je ook bent.1
Hij staat op en gaat zitten wanneer je voor hem staat.
Shu opent zijn armen voor je, zij die dat doet… heeft je gestuurd.
Het is deze graangod2 die na de dood leeft en die je weghaalt uit de poort van de zonneschijn en jij gaat eruit door middel van de uitstroming van mijn vlees en het zweet van mijn hoofd in aanwezigheid van het opheffen(?) dat de Heer van Alles3 maakte, zijn zonnevolk met hem, opdat gindse man je kan zien4, in mijn ware gedaante van een goddelijke hoogwaardigheidsbekleder, waar hij ook is, hij staat en zit terwijl jij voor hem staat totdat deze ziel en schaduw van mij hem voorbijtrekken.
Niets komt uit zijn mond, zijn lippen scheppen niet, zijn geest bedenkt niet(?).
TE RECITEREN OVER [. ..] HET HOOFD OP DE GROND IN DE ZON, SCHIJNEND UIT EEN RAAM.
De B1C-groep: ‘Ga, ga, o ziel en schim van mij, naar die god daar; sta mij toe u te zien waar u ook bent’. S1C in 98c: ‘uw gezicht van de levenden’.
B1C en B2L: ‘deze graangod en deze honderden Osiris’.
De vertaling van Tny als ‘opheffen’ is niet zeker, maar er kan hier een toespeling zijn op de oergod die de wereld uit de oerchaos verheft.
S1C en G2T voegen hier in: ‘in mijn gedaante, in mijn vorm, in mijn wijsheid’, vgl. 95v.
O Sk-wr, jager(?)1 van On, die na zijn dood leeft, stijg op, o grote die voortkomt uit de uitwas die ontstaat uit het menselijk lichaam.
Hij zal mij mijn leven brengen, zodat ik hem kan zien en hem kan sturen, hij zal gaan zodat die god hem kan zien, waar hij ook is.
Als het te laat is, misgaat of wordt opgehouden om hem bij mij te brengen, zal het Oog van Horus dienovereenkomstig tegen u zijn.
O mijn ziel, uw brood en uw voedsel zijn voor de rijkdommen van de schors van de god, die prachtig, nieuw en langdurig is.
U zult het offer van het eerste decennium voor de Grote plaatsen zoals Thoth en vrees de woede van de Grote (vrouwelijk) die op Atum is, zij ontvangt uw voorkant in de pAxt-bark, uw achterkant in de bark van de god.
De groten beven op hun zetels voor u, net zoals ze beven voor de Verstoorder, Isis geeft u dit mes van haar dat ze aan Horus gaf na de rouw van de goden.
‘U bent de Gezaghebbende Uitspraak die op onze monden is‘, zeggen de goden.
Wat u voor uzelf deed, u goden, doet u hetzelfde voor deze levende ziel.
Wees sterk in de lucht, wees machtig in de lucht2, wees machtig op aarde (en ook) de uraeus die op uw hoofd is, aan u behoort alles toe.
Ga, ga, gindse ziel van mij, opdat gindse god je moge zien waar hij ook is in mijn gedaante, mijn gedaante en mijn wijsheid, moge hij staan en zitten terwijl jij tegenover hem staat.
Het zijn de honderden graangoden die je redden in de poort van de zonneschijn, ze gaan omhoog, omlaag en keren erdoor terug.
Het is de graangod die bezit van je neemt en jij gaat door middel van de uitstroming van mijn vlees en het zweet van mijn hoofd.
Beheers je voet als een levende ziel, want jij bent de enige van deze metgezellen(?) van Osiris.
Er zal nooit een feest worden georganiseerd voor degenen die tegen je in opstand komen, want ik ben de meester van de rebellen.
De vertaling ‘jager’ is op basis van de stam slechts een gok.
Er wordt aandacht besteed aan de levende ziel van de overledene.
Ik ben Atum, de schepper die geen zwakte kent, wat verstopt is, bevrijdt1 mijn ziel zodat ik het naar de god van de Onderwereld kan sturen.
Atum brengt mijn ziel naar Geb, want hij kent de heerser van de aarde.
Mijn ziel opent de aarde voor zichzelf, hij heeft geopend wat verstopt was, hij heeft macht over de goden, Atum opent zijn armen voor hem, Merty(?)2 verheft hem, hij3 slaat hem4 met zijn scepter en regeert hem met zijn staf.
Zijn toppunt is de tong van Osiris, hij is het die het zuiden van het noorden scheidt.
Ga, ga, mijn ziel, zodat die man daar je kan zien, sta tegenover hem waar hij ook is, ga in zijn blikveld op in de vorm van een geest.
OM TE WORDEN VOORGEDRAGEN OVER EEN BEELD VAN KLEI(?)… GEBOUWD(?), MOET [DE NAAM VAN] DE MAN EROP IN DE GROND WORDEN GEPLAATST, DE GROND(?).
Letterlijk: ‘opent’.
Een mannelijke godheid.
De ziel.
Merty.
Je bezit je ziel, o Horus, wanneer je je vader beschermt.
Als je de Geliefde hebt, zul je je ziel bezitten, o Horus, wanneer je je vader beschermt.
Neem mijn ziel en mijn schaduw, zodat die man daar kan zien, ga tegenover hem staan waar hij ook is.
Wees een geest, zodat de wakkeren wakker kunnen zijn en de slapers kunnen slapen, sta op, jij van de pilaren!
Val neer op je gezicht, o jij die in duisternis bent!
Ik ben degene die waakt over de scepters van de stad waarin ik ben (?), ik ben degene die Osiris zocht, die deze ziel en deze schaduw van mij nam die die man daar ’s nachts voor zich zag staan, waar hij ook is.
DE DAG INGAAN EN MENSELIJKE VORM AANNEMEN
O Stier, ik til uw honden op, 0 Stier, ik geef u uw losgemaakte boeien, 0 Stier, ik word niet gegrepen door Shu, ik word niet gegrepen door de aardgoden, ik word niet verdreven door Re1 de zonneschijn heeft geen macht over mij en de vrees voor mij valt op hen die bij de veerboot zijn wanneer ze mij verheven zien verschijnen en deze edele zijn geworden die in het land van het Eiland van Vuur is.
Ik heb de dageraad van de dag geopend, ik heb de deuren van de graven opengespleten (wDa), ik heb Re begroet die in zijn zon is, ik heb voor jou hem afgeweerd die Osiris in zijn nacht verwondde, de Grote Witte is mijn kracht, de grote god is in mijn aardse waardigheden in de aanwezigheid van Re die in zijn heiligdom is2, Heer van de Terreur, zeer majestueus, Heer van Alles, die alles brengt.
Osiris heeft over mij gezegd:
‘Geef hem zijn botten zodat hij zijn ledematen kan gebruiken en zijn lichaam voor zichzelf kan verzamelen’ en mijn botten zijn mij gegeven, ik heb mijn lichaam gebruikt en mijn ledematen verzameld zoals het eten van mijn lichaam3.
Mijn lichaam is mij gegeven zoals de Grote Dame, het is mooi in zijn aanwezigheid, mijn ogen zijn voor mij geopend door de Ogenloze, mijn [oren(?)] zijn voor mij geopend door Mxnt-wr, ik heb toejuichingen gehoord uit de monden van de Entourage.
Mijn mond is die van een valk, mijn keel is vers, de zweepslagen die op mijn mond waren zijn verwijderd, de kronkels! die op mijn ingewanden waren zijn geopend, ik eet met mijn mond, ik ontlast met mijn achterste delen en de onreinheid is uit mijn mond verdwenen.
Sta op, o Verzorgster van het land, (zelfs) Geb, vader van de Vijf.
O jij god die opstijgt en afdaalt, ze4 spreken tegen mij, herhaal het woord niet, maar denk aan wat komen5 zal.
Var. S2C: ‘bij de zonneschijf’
G2T voegt toe: ‘mijn derde is Osiris die in zijn nacht is’.
D.w.z. het eten door het lichaam, vgl. 117e.
Vermoedelijk aanklagers van de doden.
Een nominale werkwoordsvorm, vrouwelijk geslacht; een participium lijkt waarschijnlijker dan de infinitief.
O everzwijn (?), hef uzelf op, ik laat het everzwijn (?) los en het everzwijn (?) wordt losgelaten.
‘Heb je alles meegebracht?’, zegt Osiris tegen mij.
Ik heb alles meegebracht en ik zeg tegen Osiris: ‘Ik ben de krachtige die in de zon is, ik ben de machtige die in het zonlicht is’.
Zij die in de zon zijn, hebben mij niet verdreven, zij die in het zonlicht zijn, zijn machteloos tegen mij, angst valt op de armen van hen die dagelijks in zijn1 gevolg door de hemel trekken wanneer ze mij zien opgaan, gekroond, verheven, vergeestelijkt, toegerust, veredeld en goddelijk in deze waardigheid van mij waarin ik op aarde was onder de levenden.
De paden van de zon zijn voor mij geopend, de paden van de deuren van de graven zijn voor mij geopend, zodat ik heen en weer kan gaan en Re kan begroeten die in zijn schijf is en zodat ik zelf op mijn voeten kan staan, want ik heb de wond van de huid van Osiris verwijderd, zodat ik heen en weer kan gaan, zodat ik mijn lichaam kan beschermen, zodat ik wijs kan zijn in mijn spraak, zodat ik macht kan hebben over mijn vijand, zodat ik goede faam kan verwerven bij Re die in zijn heiligdom is, zodat ik plannen kan maken als Osiris.
‘Heer van de Terreur, zeer majestueus, naar wie alles wordt gebracht, voor wie alles wordt meegenomen, naar wie zijn beenderen worden gebracht, voor wie zijn ledematen worden herbouwd’, zo zegt Osiris over mij als over deze grote slang, de figuur naast hem.
Mijn beenderen worden naar mij gebracht, mijn ledematen worden voor mij herbouwd, wat van mij is afgenomen, wordt naar mij gebracht, [wat van mij is afgenomen] wordt voor mij herbouwd, zodat mijn lichaam kan eten.
Geef mij mijn voedsel, want mijn ogen worden voor mij geopend door de Ogenloze, de grote ster, verbonden met Khem en ik zie met hen.
Mijn oren worden voor mij geopend door deze Valk met wie mensen niet spreken en ik hoor met hen.
Ik heb de toejuichingen gehoord in de monden van de Entourage en het pilaaramulet is bij mijn keel, de adem is niet uit mijn neus geplukt, het is niet afgesneden, de wind ontbreekt(?), zijn deur is… , die Geb, de vader van de Vijf, ophief en omhoog tilde.
Mijn staf is in mijn hand en ik heb macht over de Uitsluiter van de Groten.
De zonnegod.
RECITATIE VOOR HET UITGAAN IN DE DAG.
De krokodil en het varken hebben geslapen, het varken is voorbijgegaan.
Gaan zij dood? Dan ga ik dood. Het zwijn is uitgegleden.
Glijdt hij uit? Dan ben ik uitgegleden.
O, Nu, in gezelschap van de Chaosgoden en omgekeerd, maak voor mij een weg zodat ik kan uitgaan en mensen kan zien en zodat het volk mij kan aanbidden.
EVENEENS: Ik ben degene die schittert met faience voor de Zonnegod, die mij in dit geheime uur laat uitgaan.
Ik ben hij die elke dag tussen deze en die oordeelt en lof wordt gegeven, toejuichingen worden ingewijd, de twee … worden gescheiden(?), terwijl ik de [Bovenste] Onderwereld open […], ga ik voort met een menigte die de vijgen heeft die in de opbrengst van de zonneschijn waren, terwijl ik de Beneden-wereld open.
Ik ben de Zon van deze dag1, ik ben Horus in zijn Oog, hoeveel beter is het vandaag met mij dan gisteren!
Hoe gelukkig is Hu [… ] met de hoofdhuid van de zonneschijf.
Anubis en Thoth bewaken mij, Sha bewaakt mij in gezelschap van de Heer van Boven-Egypte, de poorten van Degneg2 worden voor mij geopend, de poorten van de horizon worden voor mij geopend, aan mij behoren de Gier en de Leeuw toe die uit mijn [lichaam] voortkwamen, mijn vloedwater is dat van het hemelse vee3, mijn bewegingen zijn de bewegingen van Anubis.
O Dau4 die velden samenvoegt en velden in bezit neemt, ik word niet tegengewerkt door handen.5
G2T voegt toe: ‘en omgekeerd’.
Dus G2T en waarschijnlijk oorspronkelijk S2C; S1C heeft: ‘de poorten van de Onderwereld van Degneg’. Wie dit wezen is, is onduidelijk.
MHt.i m mHt-wrt; mHt ‘vloedwater’ kan letterlijk verwijzen naar regen of metaforisch naar de melk van het hemelse vee.
Een wezen dat anderszins onbekend is.
Blijkbaar wel, maar het laatste woord kan verbasterd zijn.
T1L is in de derde persoon, maar dat de eerste persoon het origineel is, wordt aangegeven door M22C; S10C en P. Gard. III.
Ik […] vandaag – en vice versa. Ik ben Horus in zijn Oog, want het gaat vandaag veel beter met mij dan gisteren […].
De drie […] van de horizon zijn voor mij geopend.
Hoe goed is het bericht over mij daar met Hathor!1 Ik leid de edelen met Atum, ik beheers de Jakhals en de Heer van Opper-Egypte.
[…] HORIZON IN HET GEVOLG VAN HATHOR
Var. M22C: ‘mijn meesteres Hathor’.
KOPIE VAN EEN BETOVERING VOOR BEGRAFENIS IN HET WESTEN.
O Anubis, die mij begraaft op deze machtige heuvel, tussen de vooraanstaanden onder de Zwijgers, U weet dat ik niet tot de Heuvelbewoners behoor, ik behoor tot de eersten van de %mmtyw,1 ik ben de god van de afrekening in de Tuin van de Zwijger2, ik ben de eigenaar van de velden in de Grote Heuvel door begrafenis3 in het prachtige Westen.
TE ZEGGEN OVER HET ZAND VAN DE TEMPEL VAN ANUBIS, DIE OM HEM4 HEEN WORDT GEPLAATST.
DIT BETEKENT BEGRAFENIS IN HET WESTEN.
%mmtyw, betekenis onbekend.
Variatie G2T: ‘van stilte’.
Dus S1C; G2T en S2C hebben: ‘uit angst voor begrafenis’, wat niet logisch lijkt.
Vermoedelijk de overledene.
BEZWERING OM HET HART VAN EEN MAN NIET TEGEN1 HEM TE LATEN ZITTEN.
O knieën van Orion die rusten op de schouders van hem die opvloog en de helft van Punt vernietigde, de beenderbreker die huilde toen hij Seth zag, die schitterde achter de Grote en die onrust veroorzaakte toen hij zag, dit hart van mij zit tegen mij aan en weent om zichzelf.
Trek je handen terug die voor je smeken.
Ik heb je gegeven en jij bent toegewezen aan Hem die vreugdevol is (?) in de woning van Hem die breed van gezicht is.
Ik bied je zand aan uit de Poort van Khemennu en dit hart van mij heeft mij niet verlaten.
Ik ben degene die voor Tjenenet staat <. . .> en hij zorgt voor (?) dit hart van mij in het Veld van Offers dat zich in het Veld van Biezen bevindt.
O jij die zeer verafschuwd wordt, jij bezitter van krachten2, je angel zit in je staart3, maar mijn hart geeft de gyw-plant aan Atum en als hij hem niet geeft, zal ik hem niet geven.
Ik ben de Enige die alleen is, ik ben degene die toebehoort aan hem die zijn hart op het Vuureiland heeft gemaakt.
Mogelijk betekent het ’tegen hem getuigen’; een andere mogelijkheid is dat de uitdrukking verwijst naar een mentale depressie (vgl. 127e). De bezwering die volgt is vrijwel onbegrijpelijk.
G2T lijkt te lezen als ‘bezitter van nekken’.
Letterlijk: ‘je slagkracht zit in je achterste’; mogelijk wordt een schorpioen bedoeld.
HET HART VAN EEN MAN VOORKOMEN OM TEGEN HEM TE STRIJDEN IN HET DOODENRIJK.
‘O Ogenbreker!’ zegt Osiris.
Hij heeft Seth1 gezien, die is teruggekeerd achter de Ellendige, hij voerde oorlog tegen de Dubbele Leeuw toen zijn hart neersloeg en hij weende om zijn eigen bestwil.
Zijn staf is in zijn hand, volmaakte2 Osiris, ik smeek je.
Er is mij gegeven < … > en er zijn aan jou toegewezen de …3 in de Brede Zaal.
Had het zand dit hart van mij maar genomen4, zodat het Atum om hulp kon vragen en de tuinen van Seth5 kon beheersen, want de maker van harten heeft hem dat niet gegeven.
Variatie: ‘de Verstotene’.
Zijn verminkte lijk herstellen?
NAtyw ibw, betekenis onbekend.
Variatie: B6Bo: ‘N is niet verlaten […].’
B1C had oorspronkelijk ‘Atum’ ten onrechte, zie de Buck, p. 131, noot 1*.
NIET DE EXECUTIEPLAATS VAN DE GOD BINNENGAAN.
Ik ben Shu, (volledig) uitgerust, ik ben niet naar de executieplaats van de god gebracht, want ik ben bedekt met de qny.
Ik ben niet gedwongen de executieplaats van de god binnen te gaan, want ik ben bedekt met de qny.
Ik ben niet gedwongen de executieplaats van de god binnen te gaan, want ik heb Shu en Tefenet achter me gezien, achter me.
Ik ben niet omsingeld, omsingeld, ik ben niet omsingeld, omsingeld, ik ben Neper van het mes, mijn achterste delen zijn op mijn rug, mijn billen zijn op mijn armen, ik ben een grote, baviaanvormig, ik ben de executieplaats van de god niet binnengegaan, het mes heeft geen macht over mij.
EEN VIJVER GRAVEN, ZIZYPHUS-BOMEN PLANTEN, EEN [GRAF] BOUWEN IN DE NECROPOLIS.1
Kom, o jij die de goden met schedels kent, die degenen die in het verleden hebben bestaan gunstig stemmen met jouw bloed(?)2
Kom, maak voor mij die leidraad(?), ga stroomopwaarts voor mij naar dit grote huis.
Ik ben hun beschermer, ik breng verkoeling voor hen op de dorsvloer […].
Kom, o Scherpmes voor de Jakhals die in vrede is, maak vrede(?) voor hen, want de stralende wezens helpen hem3 in de grote storm.
Kom, plaats dit hp-koord voor mij, maak voor mij die leidraad, zet dit schietlood recht, zodat ik de leidraad kan uitzetten voor deze goden… daarin, in de geheime heilige plaatsen, de Onvergankelijken die onder(?) hen zijn.
Ik zeg tegen hen en(?) tegen hun grote vaders: ‘Dit is de dag waarop zij hun nest verlieten in de armen van Heneg de Grote.’
De rubriek is in alle teksten gebrekkig, maar het enige woord dat volledig ontbreekt, is het object ‘van qd ‘bouwen’, wat gezien de beschikbare ruimte ‘graf’ suggereert, vgl. 136b. De daaropvolgende spreuk verwijst duidelijk naar de planning van een gebouw, maar is verder zeer onduidelijk.
Letterlijk ‘roodheid’; de andere woorden uit de stam Tms zijn nog minder begrijpelijk. Het vrouwelijke achtervoegsel van de derde persoon verwijst naar de aangesprokene; aangezien we te maken hebben met een vocatief, vereist het Engelse taalgebruik de tweede persoon.
De Jakhals? Nauwelijks de overledene, die in S1C en S2C vrouwelijk is. G2T en S2C lezen: ‘hij die tot de stralenden behoort’.
HET BOUWEN VAN EEN GRAF VOOR EEN MAN IN DE NECROPOLIS.
O, jij die in zijn1 borst is, die aan het hoofd staat van de bondgenootschap van de groten, kom, leg dit hp-koord voor mij neer, richt de staven voor mij op, maak de leidraad voor mij, breng mij voedseloffers, verzoen de Grote in zijn wrrt-kroon voor mij, want aan mij behoort dit altaar toe.
Iedereen die het altaar van elke god bewaakt, helpt zichzelf.
Wiens?
O jij die boven zijn eenheid staat, die de leiding heeft over het hp-koord, die op zijn broer lijkt, die in het midden van zijn …1 staat, die het schietlood draagt, die de richtlijn opent (?)
Kom om het hp-koord voor mij te plaatsen, maak de richtlijn voor mij, zet dit schietlood recht op de wsrt.-palen2, beheers voor mij de paden van Zijn-gezicht-is-achter-hem, die de waarheid liefheeft en de leugen haat, die boven de gedachten van zijn hart staat (en van (?)) Màät, vanwege wie de goden naar <mij(?)> worden geleid.
%ht, betekenis onbekend.
Palen met een jakhalskop waaraan de lijnen voor het uitzetten van de plattegrond van een gebouw werden bevestigd.
Ik1 ben gekomen als de Dubbele Leeuw, zodat ik naar de Nachtbark kan gaan en naar de Dagbark kan afdalen, zodat ik in deze avonden over de bemanning van Re kan oordelen.
Zie, je bent gekomen, geestig en uitgerust.
Langs welk pad ben je gegaan?2
Langs het grote pad dat de Enige erfde, dat mensen niet kennen en dat de goden nooit bewandelen, maar dat de Voornaamsten bewandelden om als gidsen te dienen op de paden naar de Grote God.
Zie, je bent gekomen, geestig en uitgerust.
Langs welk pad ben je gegaan?
Langs het grote pad dat de Enige erfde en dat Seth na het gevecht niet kon betreden.
Zie, je bent gekomen, geestig en uitgerust.
Langs welk pad ben je gegaan?
Langs dat pad dat de Tegenstander naar het westen en oosten volgde, naar de geheime plek van de hemel.
De overledene.
De overledene wordt ondervraagd, maar door wie is niet duidelijk.
Tweemaal heeft hij (iemand) achter mij geplaatst1, zodat hij2 mij niet kan bereiken.
Hij heeft Horus, zoon van Isis, achter mij geplaatst, zodat hij mij niet kan bereiken.
Hij heeft Seth achter mij geplaatst, zodat hij mij niet kan bereiken.
Tweemaal heeft hij (iemand) achter mij geplaatst, zodat hij mij niet kan bereiken.
Hij heeft Geb achter mij geplaatst, zelfs hij die uit zijn Oog voortkwam, zodat hij mij niet kan bereiken op het grote pad dat de Enige erfde, de weg die onbekend is voor mensen en die de goden nooit bewandelen.
VOORDRACHT VOOR HET BOUWEN VAN EEN HUIS VOOR EEN MAN IN DE NECROPOLIS, VOOR HET GRAVEN VAN VIJVERS EN VOOR HET PLANTEN VAN BOMEN.
Het ontbreken van een antecedent voor het suffix-f suggereert dat we hier slechts te maken hebben met het laatste deel van een spreuk waarvan het begin verloren is gegaan.
De huidige vertaling is dan ook enigszins onzeker, maar het lijkt erop dat de overledene beschermd wordt tegen een aanval van achteren door een naamloos wezen, door godheden tussen hem en het gevaar te plaatsen; pH ‘bereiken’ heeft hier waarschijnlijk de niet ongebruikelijke betekenis van ‘aanval’.
Vanuit elke opvatting over deze spreuk is het moeilijk te zien welk verband het heeft met het ogenschijnlijke doel ervan, zoals vermeld in rubriek 144a-b.
De potentiële aanvaller.
Variatie: ‘vanuit de top van Geb’.
Variatie: P. Gard. III: ‘het zijn de Enneade der Geesten die de deuren van de huizen openen’; zo blijkbaar ook S2C en P. Gard. II.
In navolging van P. Gard. II en III, die tenminste een begrijpelijke tekst bevatten. S1C en C2T hebben: ‘opdat ik de bovenste tempels mag oprukken en opdat ik de Enneade mag beoordelen’.
P. Gard. III luidt: ‘Ik ben gekomen, ik heb drie van jullie gemaakt, jullie goden die hen volgen, (namelijk) de groten’.
@trwy, betekenis onbekend.
Op wie slaat ‘zijn’?
Var. P. Gard. II: ‘Ik ben degene die de pijn van Osiris en Maät verloste; zijn hoofd is het zevende van Maät.’ Een duidelijk geval van corruptie.
P. Gard. II en III worden hier gevolgd; S1C en G2T zijn onbegrijpelijk.
DE PADEN NAAR DE HEMEL KENNEN.
Ik heb de paden in de hemel geopend, de zon scheen toen ze stroomafwaarts van het zuiden naar het noorden ging, een kamer is hun1 ingang en die is overdekt, het noorden is nabij de poorten van zijn … , het zuiden van de hemel is open naar de aarde en de mensen verdrijven … uit het westen en het oosten. Moge u afdalen op het westelijke pad, want het is breed en aangenaam, het oostelijke is moeilijk, want het is smal.
De paden.
Kennelijk een vervolg op Bezwering 129.
Wie? Misschien de overledene.
DE BEKRACHTIGING VAN EEN DECREET BETREFFENDE HET GEZIN, HET TERUGGEVEN VAN IEMANDS GEZIN IN HET RIJK DER DODEN.
Horus, de Grote en Machtige, Heer van het Rietveld1.
Geb, de oppergod, heeft bepaald dat mijn familie, mijn kinderen, mijn broers, mijn vader, mijn moeder en al mijn dienaren en afhankelingen mij zullen worden teruggegeven, omdat zij gered zijn van de daden van Seth en van de telling door Isis de Grote naast Osiris, Heer van het Westen.
Geb, de oppergod, heeft gesproken over het onmiddellijk vrijgeven van mijn familie, mijn kinderen, mijn broers, mijn vader, mijn moeder, al mijn dienaren en al mijn afhankelingen, omdat zij gered zijn van elke god of godin, van elke geest, mannelijk of vrouwelijk of van elke dode man of vrouw.
De Horus-naam van de goddelijke heerser die het decreet uitvaardigt, d.w.z. Geb.
Ik ben Atum, die de groten schiep, ik ben hij die Shu schiep en Tefenet vormde, ik ben hij die zijn gunsten (?) verdeelde in de tijd van Nu, ik ben deze die behoort tot de streken (?) van de dwergen, ik heb mijn plaats ingenomen om zo te rusten van het zoeken en heen en weer gaan en van het rondcirkelen.
Ik heb mijn zetels bereikt, ik ben mijn zetels, mijn staven (?), mijn werpstokken (?) en mijn … voorbijgegaan, ik ben sterk, mijn staf is naast me, mijn spraak is die van een Chaosgod, mijn gids is …, ik geef voedsel aan de goden en (de resultaten van) de slachting aan de Heren van On.
Ik zal bij hun touw zijn, want ik ben deze vriend (?) van Re, vermoeid door wonden, mij is kracht gegeven door wijsheid (?).
Ik heb met mijn rug naar Geb gezeten, want ik ben degene die zal oordelen in gezelschap van Hem wiens naam verborgen is op de dag dat de vorsten voorbijtrekken.
Dit is een herinnering dat ik de touwen heb gevonden die waren doorgesneden <in> de veerboot van het bloed, ik heb ze geknoopt en de veerboot vastgelegd.
Ik ben eropuit getrokken en mijn familie, mijn kinderen, mijn broers, mijn vader, mijn moeder en al mijn afhankelijken zijn mij teruggegeven, de gevangenen1 zijn aan mij vrijgelaten en ik gebruik mijn wapens2.
De hoorn is voor mij uitgetrokken en hij die onder mijn bevel zal staan, samen met mijn vader die in Sehseh is, is naar mij gebracht.
O jullie, wier hoofd blind is, die tot de Zes behoren, wees verheven in verhouding tot mijn verhevenheid en omgekeerd.
Jullie zullen tot mij komen, want Pe is van mij, Dep is van mij en van mij is de… die vooraanstaand is in Het-wer-ihut.
Mijn moeder is Nut, die de vezels (?) in de harten van Neith heeft gemaakt, die gekomen is opdat ik jullie mag zien.
Ik ben verschenen in lapis lazuli, Heer van Hoorns in On, ik ben de god van ‘Adja.
Welkom! Ik maak voor jullie degenen die zich in hun oerstaat bevinden, wier namen voor mij verborgen zijn.
Het schrift behoort mij toe en ik ben het die het zal maken, zo zegt Neith.
Ik heb brood gemaakt voor de groten, groene groenten voor de middelgroten en gebak voor de kleinen die het minst belangrijk zijn (?), wier gezichten voor mij verborgen zijn.
Letterlijk: ‘gebonden personen’.
Dat wil zeggen: de normale activiteiten hervatten.
O jullie die in jullie twee huizen verblijven, …, die door de Grote Vrouwe geschapen zijn, aan mij behoort de Grote Vrouwe1, aan mij behoort het oog van de Grote Vrouwe, ik heb op de hoofdhuid van %w gespuwd om die te genezen, mij is alles gegeven.
Ik heb als rechtvaardige plaatsgenomen, ik heb als rechtvaardige plaatsgenomen en mij is mijn hele familie gegeven waarover ik sprak.
Ik ben Re, vader van de zon.
Var. S2C: ‘het Oog van Horus’.
BEZWERING VOOR HET BEVESTIGEN VAN EEN DECREET BETREFFENDE DE FAMILIE VAN EEN MAN.
Ik ben tot u gekomen, heren der verschijningen, opdat u de Grote, die in het Tribunaal zetelt, opdracht zult geven een decreet te bekrachtigen betreffende mijn familie.
Ik ben hier gekomen van het Eiland van Vuur en er is mij een deel toegewezen in de monden van die machtigen die nemen.
Thoth heeft tegen mij gezegd: ‘Het decreet dat u gegeven is, is bezegeld.’
Zo sprak hij.
Hoe goed is dit decreet, dit goede document van de Vrouwe der Verschijningen, die mijn familie schenkt en die mijn landerijen bestuurt onder het gezag van mijn woning.
O jullie die verheven zijn, die boven het schavot staan, ik ben geen papyrusamulet1 dat voorbijgaat, ik ben de papyrusamulet die uit de mensheid is voortgekomen.
Klei is aan mij gegeven en het decreet is bezegeld.
RECITATIE VOOR HET BEKRACHTIGEN VAN EEN DECREET BETREFFENDE HET GEZIN EN VOOR HET TERUGGEVEN VAN IEMANDS GEZIN AAN HEM IN HET RIJK DER DODEN.
Of ‘groensteen’, maar de betekenis daarvan ontgaat me.
EEN FAMILIE SAMENSTELLEN IN HET RIJK DER DODEN.
Ik ben Atum, die de groten schiep, ik ben degene die Shu vormde, ik ben deze Twee, man en vrouw.
Ik ben degene die zijn offers ontvangt, ik heb mijn stuk land ontvangen op de plaats waar ik tevreden ben, mij behoren deze akkers van de dwergen toe, ook de omtrek van …
Ik heb Nwtk-nw bereikt, ik heb de twee werpstokken betreden en overgestoken …
Mijn staf is in mijn hand, ik geef mijn goede dingen aan de bezitters van dubbelen.
Mijn spraak1 is die van een Chaosgod, mijn gedrag is dubbel goed, ik ben machtiger dan de machtigen en de machtigen varen stroomopwaarts naar mij2 toe in die nacht van de stroomopwaartse reis naar de grote antilopen( ?).
Ik voer de slachting uit voor hen die in On zijn, ik heb macht over hen, zij hebben geen macht over mij, zij verbergen mijn naam en zij verbergen mijn geslachtsdeel.
Ik zit met mijn rug naar Geb, ik oordeel hem met Hem wiens naam verborgen is in die nacht van de slachting van de groten.
Dit is een herinnering dat ik het touw heb gevonden dat was doorgesneden en ik heb het geknoopt.
Ik heb de veerboot gevonden die <in> het vloedwater was verdwaald en ik heb hem aan land gebracht.
Ik ben ermee uitgevaren en heb de overtocht gemaakt, ik heb de gevangenen gevangengenomen en vrijgelaten.
Ik heb mijn voeten goed gericht, ik heb mijn armen uitgestrekt, ik heb de hemel geregeerd, ik heb bezit genomen van de aarde en de Twee Enneaden zijn daar tevreden mee.
Aan mij zijn mijn menselijke verwanten gegeven over wie ik sprak, aan mij is mijn familie gegeven, mijn kinderen en mijn broeders met hun verwanten en mijn metgezellen, waar ze zich ook mogen bevinden en ik vertrap hen die in…3
Ik ben uit de hemel voortgekomen en ik zal in het water4 zijn, levend tot in eeuwigheid.
Of ‘mond’.
Variëteit Sq4C: ‘deze N gaat stroomopwaarts naar de machtigen’.
Ik kan de rest van deze zin niet vertalen.
Variëteit Sq3Sq: ‘in de lucht’. Sq4C: ‘in de aarde’.
O Re-Atum, aan mij behoren kuddes, ik leef van wat mijn familie wenst.
Als er iets wordt achtergehouden met betrekking tot de bezegeling van deze goede decreten voor mij…1 om mij mijn familie te geven, waar die zich ook moge bevinden, dan zal de staf (?) van Re worden weggenomen en het beste vee en gevogelte zullen niet in de slachting van de god terechtkomen.
Aan mij behoort alles, (zelfs) deze zoon en broer van mij, ik ben geboren en ik ben sterker dan hij.
De deurgrendel (?) sluit de …2 op zijn …3
Wat is mijn lot?: zo zeggen ze tegen mij.
Ik ben geschapen en vastgemaakt en mij is mijn familie gegeven.
Wat Re voor mij heeft gemaakt, is zijn bescherming voor iemand die in zijn lijkwade is gehuld.
De goden spreken over dit grote Oog van Horus en ik ben geschapen en stevig gemaakt en ik ben er blij mee, mijn familie is mij gegeven, waar die zich ook mag bevinden.
Als er iets wordt achtergehouden met betrekking tot het geven van mijn familie aan mij, waar die zich ook mag bevinden, (zelfs) aan hem die in Pe is en aan hem die in Dep is, dan zal deze staf (?) van Re worden afgenomen en zullen uitverkoren vee en gevogelte niet in de slachting terechtkomen van de god die in On en KheraaHa is, de staf (?) zal van Re worden afgenomen en uitverkoren vee en gevogelte zullen niet in de slachting terechtkomen van de god die in Khem en Abydos is —4 in ‘Abat en @et-wer; — in de Panopolitische en Thinitische nomen; — in Thinis; — in de Afgrond; — in hemel en aarde; — in de Wateren van het Westen; — in het Oosten en Zuiden; — in het Noorden; — in Pe en Dep.
(Als?) de staf(?) aan Re toebehoort, zullen er voortreffelijke runderen en pluimvee zijn voor de slachthuizen van de god die On en KheraaHa is; — in Khem en Abydos; — in ‘Abat en @et-wer; — in de Panopoliete en Thinitische nomen; — in Thinis; — in de Afgrond; — in hemel en aarde; — in de Wateren van het Westen; — in het Oosten en Zuiden; — in het Noorden; (als?) de staf(?) aan Re toebehoort, zullen er voortreffelijke runderen en pluimvee zijn voor de slachthuizen van de god.5
Ik ben hij met blauwzwart haar, Heer van On en mij is het brood van de Groten en de broden van de Kleinen gegeven, de oerwezens die aan de horizon zijn; de Groten zijn van mij en het Oog van de Grote is van mij – zo zeggen die Oerwezens die hun gezicht voor mij bedekken.
Het schrift is van mij.
Ik kan de rest van deze zin niet vertalen.
@rwdt, betekenis onbekend.
´Int, betekenis onbekend.
Dezelfde zinnen worden steeds opnieuw herhaald, met als enige verschil de verblijfplaats van de god die wordt aangeroepen.
Geen plaatsnaam vermeld.
Letterlijk ‘haar AxA erbij’, de betekenis van AxA is onbekend.
Als er iets de bekrachtiging van dit decreet vertraagt, namelijk het plaatsen van N bij een bijeenkomst van N’s familie en afhankelingen voor hem, waar ze zich ook mogen bevinden, dan zal deze staf (?) van Re worden afgenomen en zal het beste vee niet in de slachthuizen van de god terechtkomen.
Maar als dit decreet wordt bekrachtigd, waarbij N’s familie en afhankelingen aan hem worden gegeven, waar ze zich ook mogen bevinden, dan zal de staf (?) aan Re toebehoren en zal het beste vee in de slachthuizen van de god terechtkomen.
De afhankelingen en familie van N worden hem gegeven bij zijn begrafenis, die Re in zijn macht heeft gemaakt van hen die in zijn lijkwade liggen.
Hij oordeelt over hen (?), zo zegt zij, het grote Oog van Horus, de Grote Enneade.
Ik ben geschapen en vastgezet en ik ben er tevreden mee.
N’s familie wordt hem gegeven, N’s afhankelingen verzamelen zich voor hem…
HET VERZAMELEN VAN DE AFHANKELIJKEN VOOR N DIE ZICH IN HET RIJK DER DODEN BEVINDEN.
N is Re die uitging in de hnhnw-bark, N’s macht(?) is die van de Dubbele Leeuw, N heeft zijn plaats ingenomen, de god die in het Westen is, bij de Oudste God(?).
Hij opent de mond van de aarde voor N, hij opent de deuren van Geb voor N, hij verzamelt N’s afhankelingen voor hem en ook zijn familie.
N heeft …1 genomen, Osiris heeft gemaakt wat in […] ligt, bij de voedseloffers in de hnhnw-bark.
N stuurt de hnhnw-bark van Khopri, N eet van <dat wat de goden eten>, N leeft van <dat wat de goden leven>, <N ademt> van de lucht van <die de goden ademen>.
N heeft een geschrift voor de massa gemaakt, N heeft bezit genomen van hen die deel uitmaken van de Grote, N heeft geluisterd naar hen die zich in de heiligdommen bevinden, N heeft volgelingen bijeengebracht, zodat N’s familie hem kan aanbidden.
De massa heeft N gediend, N heeft een geschrift gemaakt <voor> deze geesten die verborgen zijn in de plaatsen van het Westen, zodat zij N een geest kunnen schenken, zodat zij N’s waardigheid kunnen herstellen, zodat zij N kunnen wekken wanneer hij slaapt.
N spreekt een bevel uit aan degene die woorden hoort en hij zorgt ervoor dat N binnenkomt wanneer Gahty spreekt, hij zorgt ervoor dat N de spelonken opent van hen die zich in de Afgrond bevinden.
N bevrijdt de bewegingen van de zonneschijn, N regeert over hen die zich in het avondlicht bevinden van de bemanning van Re, die … N’s scepter daardoor. Ze sturen N naar de Nachtbark, N is aan boord gegaan van de Dagbark, N beheerst deze winden, machtiger dan de aardgod en levend na de dood zoals Re elke dag.
Als jullie N’s volgelingen niet voor hem verzamelen met zijn familie in het Westen, zullen jullie afdalen naar … , jullie zullen opstijgen in het vuur, naar hen die in de Afgrond zijn en het zijn de rouwenden die het zullen blussen.
HET VERZAMELEN VAN N’S FAMILIE VOOR HEM IN HET DODENRIJK EN HET TERUGGEVEN VAN ZIJN FAMILIE AAN HEM IN HET DODENRIJK.
, tamelijk obscuur.
SPREUK VOOR HET VERZAMELEN VAN DE FAMILIE.
Ik ben hij die daarvandaan gekomen is, die door de Groten geschapen is, ik ben hij die gemaakt heeft […] hij komt binnen, zijn gaven liggen voor zijn offers, en ik ben tevreden, [mijn ?] hart […] dit veldperceel wordt naar mij gebracht.
Kruip(?) in vrede naar de plaats waar ik rust […]
Ik sta aan het hoofd van hen wier zetels vooraanstaand zijn […] Ik ben daarvandaan gekomen, ik heb het gebroken koord gevonden […], ik heb de veerboot in de stad afgemeerd […] mijn rug naar mijn zus de Enneade, ik heb mijn vader geplaatst […] hen allen, zij die in de Thinitische( ?) nome zijn, zij die in de Elephantine( ?) nome zijn, zij die in Djedu en KheraaHa zijn, zij die in On zijn, zij die in […] zijn.
HET VERZAMELEN VAN EEN MANS FAMILIE VOOR HEM IN HET RIJK DER DODEN.
O Re! O Atum! O Geb! O Nut! Zie, N daalt af naar de hemel, hij daalt af naar de aarde, hij daalt af naar het water, op zoek naar zijn familie, op zoek naar zijn vader en moeder, op zoek naar zijn kinderen en broers, op zoek naar zijn geliefden, op zoek naar zijn vrienden, op zoek naar zijn medewerkers en zijn dienaren die voor N op aarde hebben gewerkt en op zoek naar zijn bijvrouwen die hij gekend heeft, want N bent u, die de Grote geschapen heeft.
Voor N zijn kinderen en zijn bijvrouwen, die N’s hart heeft aanvaard, zijn bijeengekomen en voor N zijn dienaren die voor N op aarde hebben gewerkt.
Als de overgave van zijn vader aan N en de vrijlating van zijn moeder aan hem en de bijeenkomst1 voor N van zijn familie, zijn vader en moeder, zijn mannen en vrouwen wordt vertraagd, verhinderd of belemmerd als de bijeenkomst voor N van zijn kinderen en de bijeenkomst voor N van zijn broers, zijn geliefden, zijn vrienden, zijn medewerkers (en zijn dienaren) die voor N op aarde hebben gewerkt, wordt vertraagd, verhinderd of belemmerd, dan zal de staf van Re worden weggenomen, zullen de beste stukken vlees van de altaren van de goden worden weggenomen, pAq-koeken zullen niet worden gekneed, witte broden zullen niet worden gemengd, runderpoten zullen niet naar de slachtbank van de god worden gebracht, jullie (meervoud) zullen de touwen niet vastbinden,
U zult de veerboten niet gereedmaken, maar als N’s vader aan hem wordt gegeven als N’s moeder voor hem wordt vrijgelaten als voor N zijn familie bijeenkomt, zijn vaders, zijn moeders, zijn mannen en vrouwen, zijn kinderen, zijn geliefden, zijn vrienden en kennissen, zijn kinderen en zijn bijvrouwen die N’s hart heeft aanvaard en zijn dienaren die voor N op aarde hebben gewerkt als voor N zijn familie bijeenkomt die zich in de hemel en op aarde bevindt, die zich in de necropolis bevindt, die zich in de afgrond bevindt, die zich in de plaats van rouw bevindt (?), die zich in de Nijl en de vloed bevindt, die zich in het Huis van de Grootste der Stieren bevindt, die zich in Djedu bevindt, die zich in Djedet bevindt, die zich in On en Khem bevindt, die zich in Pe van de Grote2 bevindt, die zich in KheraaHa bevindt en die zich in Abydos bevindt, dan zullen pAq-koeken worden gekneed,
Witte broden zullen worden gemengd, runderpoten zullen naar de slachtplaats van de god worden gebracht, de touwen zullen worden vastgebonden, de veerboten zullen gereedgemaakt worden, deze bark van Re zal worden bestuurd door deze bemanning van Re die geen vermoeidheid3 kent.
Zijn naam is niet bekend en zal niet bekend worden, de sistrumspeler van Hathor is N’s beschermer voor het leven.
Wat betreft deze staf, die is van de zoon van N’s zus, de vrouw die de leiding heeft over het Grote Veld.
Nu heeft N’s zus, de vrouw die de leiding heeft over het Grote Veld, gezegd: “Zie, je bent vol vreugde en blijdschap gekomen”, zo zei ze tegen N.
Antwoord! Is er een decreet aan jou verleend voor deze familie van jou?
N is vol vreugde en blijdschap naar beneden gegaan, want zijn familie is hem gegeven.
De voorouders van N’s familie zijn vol vreugde naar beneden gegaan en hun harten zijn blij N te ontmoeten.
Ze hebben hun …4, hun …,5 hun schoffels en hun kommen in de aarde gestoken.
N heeft ze genomen van de heffing van Isis, van de volkstelling van Nut, van de grote heffing van de Dubbele Leeuw.
Wat betreft elke ziel of elke god die ervoor zorgt dat N’s familie hem wordt afgenomen, N zal zijn hoofd verbrijzelen op de …6 van Khnum.7
HET VERZAMELEN VAN DE FAMILIE, VADER, MOEDER, VRIENDEN, KENNISSEN, KINDEREN, VROUWEN, CONCUBINES, BEDIENDEN, WERKNEMERS EN ALLES WAT EEN MAN TOEBEHOORT VOOR HEM IN HET DODENRIJK.
EEN BEZWERING DIE EEN MILJOEN KEER JUIST IS.8
In navolging van B2L en zo overbodige herhalingen vermijdend.
Niet ‘Great Pe’; als plaatsnaam zou ‘Pe’ een vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord vereisen.
Alleen B1C: ‘die geen vernietiging of vermoeidheid kennen’.
@abw, betekenis onbekend.
@nkw, betekenis onbekend.
MaD, betekenis onbekend. ‘Aambeeld’ is wellicht een mogelijkheid.
Varianten: ‘Nephthys’, ‘Re’, en in B1C en B2P namen met een onzekere betekenis.
B2P voegt toe: ‘het wezen van de Grote Vrouwe duurt voort voor mij’.
EEN VALK WORDEN.
O Itn-ib die aan de horizon en in jullie plaatsen zijn! O Itn-ib die in de Twee Offervelden zijn!
Oordeel met Hem wiens naam verborgen is vanwege (?) hen die vooraanstaand zijn in het Huis van Osiris, maak een weg voor mij, want ik ben Hij die zijn oog inslikte voor de wolken van de hemel, ik ben gekomen en ik heb de Grote1 geopend, ik heb mijn stortvloed losgelaten, ik heb de poorten van de Blauwe1 geopend en lof klinkt uit de monden van de deurgrendels2 van de goden die oprijzen vanaf de westelijke horizon van de hemel.
Oftewel de hemel.
‘De deurgrendels van de goden’ is mogelijk een term voor regenwolken die aan de horizon oprijzen.
DE VORM VAN EEN VALK AANNEMEN.
De bliksemflits slaat in, de goden zijn bang, Isis ontwaakt, zwanger van het zaad van haar broer Osiris.
Ze is verheven, (zelfs zij) de weduwe en haar hart is blij met het zaad van haar broer Osiris.
Ze zegt: ‘O goden, ik ben Isis, de zus van Osiris, die huilde om de vader der goden, (zelfs) Osiris die oordeelde over de slachtingen in de Twee Landen.
Zijn zaad is in mijn schoot, ik heb de vorm van de god in het ei geboetseerd als mijn zoon die aan het hoofd staat van de Enneade.’
Hij zal heersen over dit land, het erfgoed van zijn (groot)vader Geb; hij zal spreken over zijn vader; hij zal Seth doden, de vijand van zijn vader Osiris.
Kom, goden, bescherm hem in mijn schoot, want hij is bekend in jullie harten.
Hij is jullie heer, deze god die in zijn ei is, met blauw haar, heer der goden en groot en prachtig zijn de bladen1 van de twee blauwe pluimen.’
‘O!’ zegt Atum, ‘bewaak je hart, o vrouw!’
‘Hoe weet je dat?2 Hij is de god, heer en erfgenaam van de Enneade, die jou in het ei heeft geschapen.
Ik ben Isis, een die geestelijker en verhevener is dan de goden, de god is in mij, in mijn schoot en hij is het zaad van Osiris.’
Dan zegt Atum: ‘Je bent zwanger en je bent verborgen3, o meisje! Je zult een kind baren, zwanger van de goden, aangezien hij het zaad van Osiris is.
Moge die schurk die zijn vader heeft gedood niet komen, opdat hij het ei niet in een vroeg stadium breekt, ik, de Grote der Magie, zal hem beschermen.’
Zo spreekt Isis:
‘Luister hiernaar, goden, wat Atum, Heer van het Huis van de Heilige Beelden, gezegd heeft.
Hij heeft voor mij bescherming voor mijn zoon in mijn schoot geschapen, hij heeft een gevolg om hem heen verzameld in deze schoot van mij, want hij4 weet dat hij5 de erfgenaam van Osiris is en Atum, Heer der goden, heeft een bewaker aangesteld over de Valk die zich in deze schoot van mij bevindt.
Ga op naar de aarde, opdat ik u lof kan brengen.6
De dienaren van uw vader Osiris zullen u dienen, ik zal uw naam vestigen, ik heb voor u de horizon bereikt, voorbij de kantelen van het Huis van Hem wiens naam verborgen is.
Kracht is in mijn vlees gestegen, macht heeft mijn vlees bereikt, macht heeft bereikt…’7
… die de Zonnegod draagt en hij heeft zijn eigen plaats voorbereid, zittend aan het hoofd van de goden in het gevolg van de Bevrijder(?),8
‘O Valk9, mijn zoon Horus, verblijf in dit land van uw vader Osiris in deze naam van Valk, die zich bevindt op de kantelen van het Huis van Hem wiens naam verborgen is.
Ik vraag dat u altijd zult zijn in het gevolg van de horizon, in de boeg van de oerboot, voor eeuwig en altijd.’
Isis daalt af naar de Bevrijder(?) die Horus brengt, want Isis heeft gevraagd of hij de Bevrijder(?) mag zijn als leider van de eeuwigheid.
‘Ik zie Horus, jullie goden!10 Ik ben Horus, de Valk I die op de kantelen staat van het Huis van Hem wiens naam verborgen is.’
Mijn vlucht door de lucht heeft de horizon bereikt, ik heb de goden van de hemel overtroffen, ik heb mijn positie prominenter gemaakt dan die van de Oergoden.
De Uitdager11 heeft mijn eerste vlucht niet bereikt, mijn plaats is ver van Seth, de vijand van mijn vader Osiris.
Ik heb de wegen van de eeuwigheid gebruikt tot aan de dageraad, ik stijg op in mijn vlucht en er is geen god die kan doen wat ik heb gedaan.
Ik ben agressief tegen de vijand van mijn vader Osiris, die onder mijn sandalen is geplaatst in deze mijn naam van Admw.
Ik ben Horus, geboren uit Isis, wiens bescherming in het ei werd geschapen, de vurige uitbarsting van jullie monden treft mij niet en wat jullie ook tegen mij zeggen, bereikt mij niet.
Ik ben Horus, verder weg dan mensen of goden, ik ben Horus, zoon van Isis.
Het vederachtige deel van een pluim, te onderscheiden van de steel.
Isis spreekt.
Een toespeling op de zwangere Isis die zich schuilhoudt in de moerassen van Chemmis.
Atoem.
Horus.
Dit werd gezegd tegen de nog ongeboren Horus.
Een aanzienlijke tekstuele omissie.
De spreker is onbekend, waarschijnlijk Isis of Atum.
Isis spreekt, zich richtend tot haar zojuist geboren zoon.
Horus verkondigt zijn macht.
Seth.
EEN MENSELIJKE VALK WORDEN, EEN MAN TOT GEEST MAKEN IN HET RIJK DER DODEN, EEN MAN MACHT GEVEN OVER ZIJN VIJANDEN, EN TEGEN EEN MAN ZEGGEN: DRAAG WITTE SANDALEN <EN KLEDING> IN EEN KILT EN EEN SJAAL(?) VAN ROOD LINNEN.
Mij behoort een menselijk lichaam toe, de Spt-vis komt van het Eiland van Vuur, mannen openen zich voor mij in het Tribunaal1 vanwege wat mijn vijanden mij op oneerlijke wijze hebben aangedaan.
Ik heb de gedaante van een menselijke valk geëist, zodat ik als een mens kan wandelen en van daaruit kan voortgaan2, zonder dat een god mij in de weg staat.
Ik ben een menselijke valk die als een mens wandelt en die niet wordt tegengewerkt, want ik ben op het pad van Horus, zodat ik op mijn menselijke vijanden kan schieten.
Ik ging naar het tribunaal van de Voornaamste der Westerlingen en in de nacht werd ik door hem berecht in aanwezigheid van zijn leden uit het dodenrijk. Zijn bewaker, die in het tribunaal aanwezig is, is opgestaan met zijn handen voor zich en heeft mijn rechtvaardiging gezien.
Het is mij verleend dat ik macht heb over die vijand van mij, zodat ik hem kan overwinnen in het bijzijn van de mensen die gekomen zijn om met mij te strijden door middel van de magische spreuken die op hun lippen waren.
Ik ben verschenen als een grote valk, ik heb hem met mijn klauwen gegrepen, mijn lippen zijn op hem als een glimmend mes, mijn klauwen3 zijn op hem als de pijlen van Sakhmet, mijn hoorns zijn op hem als de Grote Wilde Stier, mijn vleugels zijn op hem als een HAw-vogel, mijn staart is op hem als een levende ziel, ik vlieg omhoog en land op zijn ruggengraat, ik snijd zijn keel door in het bijzijn van zijn familie, ik ruk zijn hart eruit zonder dat zij het weten4, want ik ben een menselijke valk, aan wie het bestaan als een valk is geschonken in het Huis van de Voornaamste der Westerlingen vanwege een ware uitspraak.
Ik heb dit gezegd vanwege wat die vijand van mij mij op een oneerlijke manier heeft aangedaan, want ik spreek vanuit mijn hart, de kracht van mijn ziel beschermt mij, zelfs datgene wat mij van zijn familie afkeert.
Ik heb het afgesneden van zijn … terwijl ik vanuit mijn hart spreek tot hen die in het Tribunaal in het Paleis van de Voornaamste der Westerlingen zijn.
Zie, ik ben gekomen en ik heb mijn vijand meegebracht, ik heb zijn familie verpletterd, ik heb zijn huis omvergeworpen, ik heb zijn overlevende5 verpletterd, ik heb zijn cultivator die op zijn veld is verpletterd.
De geesten zijn blij, Osiris is verheugd, wanneer hij mij als een valk ziet opstijgen, hoewel ik op mijn voeten liep toen ik sterfelijk was.
Ik ben de menselijke valk die spreekt in de grot van Osiris en ik spreek in de aanwezigheid van Osiris, net zoals ik sprak op het Eiland van Vuur.
Hoe geestachtig is hij, deze god – zo zegt de Voornaamste der Westerlingen.
Ik ben hier6 gekomen, ik heb geroepen vanwege die vijand en het is vastgesteld in het Tribunaal en herhaald in de aanwezigheid van Maät, die mij macht over mijn vijand heeft gegeven.
Zowel zij die er wel zijn als zij die er niet zijn, roepen het uit, (zelfs) zij die tegen je zouden vechten, zij die hem van je zouden eisen, zij die hem van je zouden afnemen, hoewel ik een menselijke valk ben – zo zegt de Voornaamste van de Westerlingen tegen mij.
Jij bent een [menselijke] valk.
Het Oog van Horus is mijn gids, mijn magische krachten zijn mijn sterkte, (zelfs) zij die mij volgen van het Eiland van Vuur naar het Huis van de Voornaamste der Westerlingen.
Ik verpletter hen die zijn, ik laat hen die niet zijn vergaan.
Er is niemand die mij komt tegenwerken, er is niemand die een hand tegen mij opheft in welke kwade zaak dan ook.
Ik ben een menselijke valk, ik daal af naar het Eiland [van Vuur].
Ik eet met mijn mond, ik ontlast me met mijn achterste, ik loop te voet naar het Eiland van Vuur, dit is mijn grot […] op het Eiland van Vuur.
Ik eet brood, ik neem het uitstromende water tot me, ik word naar de grot van de Voornaamste der Westerlingen gebracht, ik zit aan de oevers van de vloed, ik behoor tot de gelukkigen en mijn naam zal in dit land voor eeuwig niet worden uitgewist.
Variant: ‘Ik heb de aarde geopend in het bijzijn van het Tribunaal’, verwijzend naar het moment dat de dode uit zijn graf tevoorschijn komt.
Variant. ‘en uit de horizon voortgaan’; ‘want ik ben iemand die uit de horizon voortgaat’. Vgl. Heerma van Voss, Phoenix, 17 (197 1), 99.
Variant. ‘mijn vingers’.
Letterlijk: ‘zij weten het niet’.
Varianten: ‘zijn kinderen die op aarde zijn’ of ‘zijn overlevende kinderen’.
Of ‘vandaag’.
De bliksemflits slaat in, de goden zijn bang, zij die in hun heiligdommen zijn, zijn angstig, de goden beven hevig, de valken in de eieren liggen op zijn buik in het nest van hem1 die scherpzinnig is.
Ik ben inderdaad Horus in het ei, <iemand met scherpzinnig> zicht, die op zijn buik in het nest ligt.
Er is mij deze <iemand met een scherp(?)> gezichtsvermogen gebracht, alle hemelen zijn verenigd, stieren worden mij gegeven, de noordenwind leidt mij <naar> haar die over de valken van Shu heerst wanneer ik mijn [huis] verlaat.
Ik heb mijn macht getoond, ik stijg op tot aan de horizon, ik word gedragen door Geb, ik reis op het zonlicht, ik heb macht over hen, maar zij hebben geen macht over mij, ik heb hen uit hun paleizen verdreven, ik heb hen verstoord in hun holen, ik heb hen ten onder gebracht, (zelfs) degenen die gevoelloos zijn, de …2 die de ziel verslinden.
Mogen hun zielen die op aarde zijn, verslonden en vernietigd worden, terwijl ik voor eeuwig in de bark van Re verblijf.
Ik hoor wat mijn moeder Isis tegen mij zegt, want ik ben het kind van Re, de metgezel van Re, ik ben de wonderbaarlijke die zich in de poort van de eeuwigheid bevindt, mijn toegewezen tijd is de eeuwigheid en ik kom naar u3 toe wanneer ik wil.
De oudervalk?
@Atyw betekenis onbekend.
Aan wie? Blijkbaar is er nog een weglating geweest, want het voornaamwoord is meervoud.
Uit het graf in de necropolis komen.
De grot van hen die in de Afgrond zijn, wordt geopend, de bewegingen van hen die in het zonlicht zijn, zijn uitgebreid, het graf van de Enige1
wordt geopend.
Toen hij naar buiten ging, ging ik naar buiten <uit> het graf, ik ging naar buiten uit het Grote Meer, ik daalde af in de rituele bassins(?).
Mijn voet staat op de … , mijn hand is omhoog geheven, ik heb zijn zweep gegrepen die toebehoort aan @nty-mnyt.f, ik roei in mijn zetel die zich in de Bark van God bevindt, ik daal af naar mijn zetel die zich in de Bark van God bevindt, ik heb de controle overgenomen zonder mijn zetel in de Bark van de Bestuurder te verwaarlozen, mijn zetel die zich in de Bark van God bevindt, heeft mij niet in de steek gelaten.
Varianten: ‘het graf van de Leeuw(?)’, ‘het graf van Shu’.
Voortgaand in de dag en levend na de dood.
O U, Enige die oprijst in de maan, o U, Enige die schijnt in de maan, ik zal opstijgen naar de hemel te midden van een menigte anderen wanneer zij die in het zonlicht zijn, bevrijd worden, terwijl ik ben voortgegaan in deze dag om mijn vijand te verdrijven.
[. . .]1. Ik ben Atum, die uitging als de Grote van de hnhnw-bark, de geest in de Dubbele Leeuw, ik verkondig uw woorden, o u die er vroeger was.
Zij die in hun kronkels2 zijn, komen naar mij toe, zij brengen mij offers van brood en bier van de hnhnw-bark, de hnhnw-bark verheft mij tot de twee barken van Khopri, het opent voor mij de mond van de aarde, het werpt voor mij de deuren open die in de zonneschijn zijn en ’s avonds worden bevelen gegeven aan de bemanning van Re opdat ik na de dood mag leven zoals Re elke dag leeft.
Het is de geboorte van Re van gisteren die mij vormt, de goden verheugen zich over mij wanneer ik leef zoals zij zich verheugden over Ptah, toen hij uit het Huis van de Prins in On vertrok.
Rubriek ontbreekt, evenals een openingszin, zie de aantekeningen van de Buck 1* en 4*. (Zie de PDF-bijlage)
Slangengeesten.
DE ZIELEN VAN ON KENNEN, WETEN WAT THOTH WEET OVER BESCHERMENDE SPREUKEN, ELKE TEMPEL KENNEN, MACHT HEBBEN IN HET RIJK DER DODEN, DE ZIELEN VAN ON BINNENTREDEN.
Ik ben de grootste der groten geworden, ik ben ontstaan onder de wezens die het zicht van zijn1 enige Oog verhelderen, ik heb het gewonde Oog geopend en hersteld, want ik ben een van hen.
Ik ken de Enneade van On, waarin de grootste der zieners niet werd ingewijd, het zwijgen van de mond tijdens het %nwt-feest, de vijandige daden2 van de Vernietiger tegen de erfgenaam van On, ik weet waarom een gevlochten haarlok voor een man gemaakt is.
Het gebeurde dat Re met de slang Imy-whm.f twistte over de verdeling van On en zijn bek raakte gewond en zo ontstond de reductie van het maandelijkse festival.
Toen zei Imy-whm.f: ‘Ik neem mijn harpoen en ik zal deze stad erven’ en zo ontstond de Harpoen.
Toen zei Re: ‘Ik zal mijn vlaggenmasten3 tegen hem oprichten, ik zal hem verdrijven’ en zo ontstond het %nwt-festival.
Het gebeurde dat Re Hem ontmoette, die een felrood gewaad droeg, voordat hij zijn hand tegen hem kon richten en hij zette een val voor hem op, namelijk een vrouw met gevlochten haar en zo ontstond de man met gevlochten haar in On.
Een man zonder haar had macht in de twee tempels – en zo is de man zonder haar ontstaan – totdat de Erfgenaam ontstond, (zelfs) de Grote die zijn vader ziet en zo werd de man zonder haar de Grootste der Zieners als een zoon die namens zijn vader handelt.
KEN DE ZIELEN VAN ON, HET ZIJN RE, SHU EN TEFENET. ZE LEVEN LANG OP AARDE, HEBBEN MACHT IN HET RIJK DER DODEN, BETREDEN DE HEREN VAN ON, STIJGEN OP NAAR DE HEMEL EN OPENEN DE ONDERWERELD.
De zonnegod.
Letterlijk: ‘het uitstrekken van de arm’.
Nauwelijks ‘broeders’ zoals Sethe, Re had geen broers. Dergelijke palen, versierd met wimpels en bevestigd aan een tempelpylon, lijken te hebben gediend ter bescherming tegen de machten van het kwaad.
Een meer waarschijnlijke verklaring is dat het een festival was ter ere van de inwijding of her-inwijding van de beschermende vlaggenmasten.
DE ZIELEN VAN DE NIEUWE MAAN KENNEN, HET HUIS VAN OSIRIS VAN DJEDU BINNENTREDEN.
Wie is hij die binnentreedt, waar komt hij vandaan die tevoorschijn komt vanwege deze ziel, op wie de aarde verheven is? Zoiets is onbekend.
Open voor mij, want ik ben een redder, ik ben degene die geheimen bewaart en ik behoor tot het Huis van Osiris.
Ik ben de god die de verantwoordelijkheid draagt voor de documentenkast in de kamer met de rituele gewaden.
Ik weet wat er ontbrak aan het Oog van &b op de dag van de telling van de delen toen de dageraad sterker was dan de duisternis.
Het vijfde deel van één Oog en een volledige helft zijn (beschikbaar) voor de verdeling van de delen tussen het complete Oog en het beschadigde Oog.
Open je voor mij, zielen van de nieuwe maan, want ik ben degene die het vollediger voltooit dan de balsemer die in de tempel verblijft weet.
Ik weet wat er ontbreekt aan het lijk in de hand van Anubis in die nacht van het bedekken van zijn testikels (?) en op die dag van het verbinden van wat er in zijn mond zit.
Het is iets dat niet uit Osiris kwam, wiens voorhoofd met zijn achterhoofd verbonden was door middel van houten planken.1
Open je voor mij, want ik ken zijn bezwering, ik ben ingewijd in balsemmaterialen (?) en ik zal de ontevredenen nooit imiteren (?).2
Open je voor mij, jullie die in de Nieuwe Maan zijn, want ik heb de beul gezien die uit het slachthuis van de Grote kwam.
IK KEN DE ZIELEN VAN DE NIEUWE MAAN: HET ZIJN OSIRIS, ANUBIS EN ISDES3.
Een verwijzing naar een houten doodskist die los lijkt te staan van de context. Mogelijk dat er na ‘Osiris’ een of meerdere zinnen zijn weggelaten.
Letterlijk: ‘herhalen’.
D.w.z. Thoth.
IK KEN DE ZIELEN VAN KHEMENNU. HET BETREDEN VAN DE BEWONERS VAN KHEMENNU, HET BEVINDEN VAN ONDER DE VOLGERS VAN OSIRIS VAN DJEDU, HET HEBBEN VAN MACHT OVER WATER, HET NIET VOOROVER LOPEN, IK STERF NIET NOG EEN KEER.
De zielen van Khemennu kennen.
De pluim is in de schouder van Osiris gestoken, de Rode Kroon schittert in de kom, het Oog wordt opgegeten en hij die het zocht, wordt gehaald.
Ik weet het, want ik ben erin ingewijd door de sem-priester en ik heb nooit met de goden gesproken of hun woorden herhaald.
Ik ben gekomen met een opdracht voor Re om de pluim te laten groeien tot op de schouder van Osiris, om de Rode Kroon in de kom te voltooien1 en om het Oog te sussen voor hem die het geteld heeft.
Ik ben als een Macht gekomen vanwege wat ik weet, ik heb niet met mensen gesproken, ik heb niet herhaald wat gezegd is.
Gegroet, zielen van Khemennu!
Weet dat Re verlangt naar de pluim die groeit en de Rode Kroon die voltooid is in deze tempel en verheug je over de toewijzing van wat toegewezen zal worden.
IK KEN DE ZIELEN VAN KHEMENNU. WAT KLEIN IS IN DE VOLLE MAAND EN GROOT IN DE HALVE MAAND2, DAT IS THOTH.
Sethe heeft ‘zwartmaken’, maar wat zou er bedoeld kunnen worden met het ‘zwartmaken’ van de Rode Kroon?
De volle maan. Sethe’s toewijzing van de halve maand en de volle maand aan respectievelijk de 15e en de 2e dag van de maand is correct in termen van de 360-dagenkalender.
TOEGEWEZEN ZIJN AAN VOORZIENINGEN IN HET DODENRIJK, BEVOORRECHT EN GELIEFD ZIJN OP AARDE, DEEL UITMAKEN VAN HET GEVOLG VAN HORUS EN ZIJN VOLGELINGEN, EEN MYSTERIE DAT MEN IN HET HUIS KENT. DE ZIELEN VAN PE KENNEN.
O jullie Zielen van de Nacht, Moerasbewoners, Mendesiërs, jullie van de Vis-nome, jullie van het Huis van IApw, Zonneschermdragers van de Aanbidding1, die Nubisch bier bereiden, weten jullie waarom Pe aan Horus werd gegeven?
Jullie weten het niet, maar ik weet het.
Het was Re die het hem gaf als compensatie voor de verminking van zijn Oog, dat weet ik.
Het gebeurde dat Re tegen Horus zei: ‘Laat me je Oog eens zien, nu dit ermee gebeurd is.’
Hij keek ernaar en zei: ‘Kijk naar die (zwarte) streep waarmee je hand het gezonde Oog bedekt.’
Horus keek naar die streep en zei: ‘Zie, ik zie het helemaal wit.’ En zo ontstond de oryx.
En Re zei: ‘Kijk nog eens naar dat zwarte varken daar.’
En Horus keek naar dit zwarte varken en Horus schreeuwde het uit vanwege de toestand van zijn gewonde oog, zeggende: ‘Zie, mijn oog is als die eerste wond die Seth mijn oog heeft toegebracht’ en Horus raakte bewusteloos in zijn2 bijzijn.
En Re zei: ‘Leg hem op zijn bed tot hij beter is’.
Het gebeurde dat Seth zichzelf in een varken3 had veranderd en een wond in zijn oog had geworpen.
En Re zei: ‘Het varken is een gruwel voor Horus’.
‘Was hij maar beter’, zeiden de goden.
Zo ontstond de afkeer van het varken, omwille van Horus, door de goden die in de suite aanwezig zijn.
Toen hij nog een kind was, was zijn offerdier een varken, voordat zijn Oog had geleden – Imsety, Hapy, Duamutef, Qebehsenoef, wiens vader de oudere Horus is en wiens moeder Isis4 – en hij zei tegen Re: ‘Geef mij twee in Pe en twee in Nekhen uit deze tweede groep. Moge ik in eigen recht een toewijzer van de eeuwigheid zijn, een opener van het eeuwige, een bedwinger van strijd in deze mijn naam van ‘Horus die op zijn pilaar staat’.
IK KEN DE ZIELEN VAN PE, HET ZIJN HORUS, IMSETY EN HAPY.
Er wordt gesproken tot groepen vrouwelijke geesten.
Re’s.
De meeste parallelle teksten voegen het bijvoeglijk naamwoord ‘zwart’ toe.
Deze vermelding van Imsety, enz., is ofwel misplaatst ofwel zeer onhandig erin gesleept en Sethe zou het verwijzen naar ‘de goden die in de reeks voorkomen’ van 344a.
DE ZIELEN VAN NEKHEN KENNEN.
Ik ken het mysterie van Nekhen, het zijn de handen van Horus, gemaakt door zijn moeder, die in het water werden geworpen, terwijl zij zei: ‘Jullie zullen de twee afgescheiden delen van Horus zijn nadat jullie zijn gevonden’.
En Re zei: ‘Deze zoon van Isis is gewond geraakt door wat zijn moeder hem heeft aangedaan, mochten wij Sobek uit de diepte van het water halen, zodat hij ze eruit kan vissen en zodat zijn moeder Isis ze weer op hun juiste plaats kan laten groeien.’
En Sobek zei vanuit de oevers: ‘Ik heb gevist en gezocht, ze glipten uit mijn hand op de oevers, maar uiteindelijk heb ik ze met een visval gevangen.’
ZO IS DE VISVAL ONTSTAAN.
HET MYSTERIE VAN NEKHEN KENNEN.
Zo zei Re: ‘Heeft Sobek naast het vinden van Horus’ handen ook nog vis gevangen?’
ZO IS TR-RMW-STAD ONTSTAAN.
Toen zei Re: ‘Verborgen zijn de mysteries rondom deze visval die ons Horus’ handen bracht, het zicht wordt erdoor verbeterd tijdens het maandelijkse en het halfmaandelijkse festival in deze Tr-rmw‘.
En Re zei: ‘Nekhen is in zijn omhelzing geplaatst en het zicht is vrijgemaakt door zijn handen in deze Nekhen die ik hem heb gegeven en wat daarin is, is opgesloten tijdens het halfmaandelijkse feest1.’
Toen zei Horus: ‘Voorwaar, ik heb Duamutef en Qebehsenoef bij mij geplaatst, zodat ik over hen kan waken, want zij zijn een twistziek gezelschap, bovendien moeten zij daar blijven zolang Nekhen onder mijn heerschappij staat, volgens het woord van Re: “Plaats hen in de gevangenis van Nekhen, want <zij> hebben gedaan wat vroeger gedaan werd door Haar die in de Brede Hal verblijft”.
“Zij zijn bij mij”, zul je zeggen en zij zullen bij jou blijven totdat Seth weet dat zij bij jou zijn en klaagt.’2
O jullie die in Nekhen zijn, macht is mij gegeven en ik ken het mysterie van Nekhen, het zijn de handen van Horus en wat daarin is, want ik ben ingeleid bij de Zielen van Nekhen.
Open voor mij, opdat ik mij met Horus mag verenigen.
IK KEN DE ZIELEN VAN NEKHEN, ZIJ ATEN HORUS, DUAMUTEF EN QEBEHSENOEF. NIET TE ZEGGEN BIJ HET ETEN VAN VARKENSVLEES.
Variatie: ‘op het maandelijkse festival en het halfmaandelijkse festival’.
De toespraak van Horus eindigt hier.
GAANDE IN EN UIT DE OOSTELIJKE POORTEN VAN DE HEMEL, TE MIDDEN VAN DE VOLGERS VAN RE.
DE ZIELEN VAN DE OOSTERLIJKEN KENNEN.
Ik ken die middelste poort waardoor Re in het oosten uitkomt, het zuiden ervan ligt in het Meer van Watervogels, het noorden in de Wateren van Ganzen, op de plaats waar Re zich voortbeweegt door te roeien of door de wind.
Ik ben degene die de tuigage van de Godsboot beheert, ik ben hij die roeit en niet moe wordt in de Bark van Re.
Ik ken die twee platanen, die turkooizen zijn, waartussen Re zich voortbeweegt, die schaduw strooien bij elke oostelijke poort waaruit Re straalt.
Ik ken dat rietveld dat toebehoort aan Re, waarvan de muur van ijzer is, de hoogte van de gerst is vier el, de aar één el, de stengel drie el, de emmer is zeven el, de aar twee el, de stengel vijf el.
Het zijn de bewoners van de horizon die het oogsten, 9 ellen lang in de aanwezigheid van de Zielen van de Oosterlingen, die Harakhti zijn, het …1 kalf en de Morgenster.
$wrr, betekenis is onduidelijk.
LANG LEVEN OP AARDE, GEEN VUIL ETEN IN HET DODENRIJK, NIET STERVEN DOOR EEN SLANG, GEZOND ZIJN OP AARDE, DOOR DE OOSTELIJKE POORTEN VAN DE HEMEL GAAN, DE ZIELEN VAN DE WESTERLINGEN KENNEN.
Ik ken die berg van Bakhu waarop de hemel rust, hij is van kristal(?), 300 roeden lang en 120 roeden breed.
Sobek, Heer van Bakhu, bevindt zich ten oosten van deze berg, zijn tempel is van carneool, zijn slang bevindt zich op de top van die berg, 30 ellen lang en 3 ellen van zijn voorste deel zijn van vuursteen.
Ik ken de naam van deze slang die op de berg is, zijn naam is Whn.f.
Nu, tegen de avond, zal hij zijn blik op Re richten en er zal een stilstand in de bemanning1 ontstaan en een grote verbazing (?) op de reis en Seth zal hem met zijn hand buigen.
Een bezwering die hij2 als magie uitspreekt: ‘Ik kom tegen jullie in opstand en de reis3 zal de goede kant opgaan. O jullie die ik van verre heb gezien, sluit je ogen, want ik heb jullie gebonden.
Ik ben de Man, dus bedek je hoofd, ik ben vijandig.
Ik ben iemand met grote magische krachten die ik tegen jullie heb uitgezonden.’
‘Wat is het, deze macht?’4
‘O jij die op je buik kruipt, jouw kracht behoort aan jouw berg.
Zie, ik ga weg met jouw kracht in mijn hand, want ik ben degene die kracht toont.
Ik ben gekomen om voor de aardgoden te zorgen, o Re, moge Hij die in de avond is en Zij die rond de hemel reizen mij genadig zijn.
Jij5 bent in boeien, zoals in de tegenwoordigheid over jou is bepaald en Re zal in het leven gaan rusten.’
IK KEN DE ZIELEN VAN DE WESTERLINGEN, HET ZIJN RE6, SOBEK, HEER [VAN BAKHU] EN SETH, DE HEER VAN HET LEVEN7.
ZE HEBBEN MACHT DOOR AANROEPINGSOFFERS DIE DE ERFGENAAM OP AARDE VOOR ZIJN VADER BRENGT8.
Van de zonnebark
Vermoedelijk de overledene, die blijkbaar optreedt als Seth de verdediger.
Van de zonnebark
Variatie: ‘Wat is deze kracht?’ De slang stelt deze vraag.
De slang.
Var. B4Bo: ‘Atum’.
Zo ook S2P. De andere teksten hebben ‘Sobek, Heer van Bakhu, en Hathor, Vrouwe van de Avond’, waarbij de verwijzing naar Seth wordt weggelaten. B2Bo voegt toe: ‘Het betreden van de poort van het westen van de hemel’.
B2Bo voegt toe: ‘behoren tot de suite van Re’.
N kent het Rietveld, het is de stad van Re […] de aar (van het graan) is twee ellen lang, de stengel zeven ellen lang, het blad vier ellen lang, de mannen oogsten het in de aanwezigheid van Re zelf.
N kent die middelste poort van het Rietveld waaruit Re tevoorschijn komt in het oosten van de hemel, het zuidelijke deel ervan bevindt zich in het Watervogelmeer, het noordelijke deel in de Ganzenwateren op de plaats waar Re navigeert.
Het is N die roeit en niet moe wordt in de Bark van Re, N kent die twee platanen van turkooizen, waartussen Re tevoorschijn komt, die schaduw werpen bij de poort aan de oostkant van de hemel, op de plaats waar Re opkomt. N kent het Rietveld.
Vermoedelijk de overledene.
MACHT OVER DE VIER HEMELWINDEN.1
Deze winden zijn mij door deze maagden geschonken.
Zo is de noordenwind die rond de eilanden waait, die zijn armen opent tot aan de uiteinden van de aarde en die rust wanneer hij mij de dingen heeft gebracht die ik dagelijks verlang.
De noordenwind is de levensadem en wat hij mij heeft geschonken, is dat ik erdoor kan leven.
Deze winden zijn mij geschonken door deze maagden.
Zo is de oostenwind die de hemelse vensters opent; de oostenwind opent zich en er wordt een effen pad gemaakt voor Re, zodat hij daarop kan voortgaan.
Re grijpt mijn hand en zet mij in dit veld van hem, te midden van het riet en ik bloei er op zoals Apis en Seth2.
De oostenwind is de levensadem, en wat hij mij heeft geschonken, is dat ik erdoor kan leven.
Deze winden zijn mij door deze maagden geschonken. Zo is de westenwind, de broer van @A, het nageslacht van IAAw, die in één lichaam leeft, het tweede in dit land van de noord-, zuid-, west- en oostenwinden, en wat hij mij heeft geschonken is dat ik erdoor kan leven.
Deze winden zijn mij geschonken door deze meisjes.
Zo is de zuidenwind, afkomstig uit het Zuiden, die water, groei en leven brengt; de zuidenwind is de adem van het leven en wat hij mij heeft gegeven, is dat ik erdoor kan leven.
Gegroet, jullie vier winden van de hemel, de stieren van de hemel!
Ik vertel jullie3 jullie namen, de namen die ik jullie geef.
Ik weet dat jullie geboren zijn en dat jullie bestonden voordat mensen geboren werden of goden bestonden, voordat vogels gevangen werden of vee met lasso’s werd gevangen, voordat de kaken van MATrt, dochter van de Morgenster,4 werden vastgebonden, voordat er behoefte was aan een steenhouwer van hemel of aarde.
Ik heb ze gevraagd aan de Heer der Machten, en hij is het die ze mij heeft gegeven.
Kom, ga met mij mee, zodat ik je de boot kan laten zien, zodat je aan boord kunt gaan en erin kunt varen zonder mij (?).
Ik heb mijn eigen boot gebouwd, en ik vaar ermee naar de lotusvijver en ik zal daarin een boot van duizend ellen5 uithakken, ik zal ermee naar de Trap van het Bakken varen, net zoals Re naar de Trap van het Bakken voer en ik zal brood6 hebben buiten &nt.7
Varianten M22C: ‘macht hebben over de winden in het dodenrijk’; G1T: ‘Evenzo macht hebben over de winden’; B2Bo: ‘macht hebben over de vier winden van de hemel door een man in het dodenrijk’.
Voor de naam Seth vervangen de meeste teksten wDa door ‘de Verstotene’.
Enkelvoud, alsof de winden collectief als één wezen werden aangeroepen.
Varianten ‘de grote god’, ‘de god’.
Letterlijk ‘naar zijn twee hoofden’, d.w.z. tussen de opstaande delen van boeg en achtersteven.
Variant B1Bo: ‘brood en bier’.
Locatie onbekend.
DE MEANDERENDE WATERWEG OVERSTEKEN.
Deze winden zijn door deze maagden aan N gegeven, namelijk deze noordenwind en het is de zoete levensadem; het heeft N zijn leven1 geschonken door middel van zichzelf.
Deze winden [zijn] door deze maagden aan N gegeven.
De westenwind [is( ?)] het nageslacht van Hem die in de ramskop is( ?), die voortkwam uit tussen de dijen van het Westen, die een slachting aanricht van de kuddes (bewaard) voor het offer.
De goden zijn tevreden met de goede en zoete levensadem van N die hij voor N heeft genomen, opdat N daardoor kan leven.
Letterlijk: ‘het heeft N het leven van N gegeven’.