Sarcofaagteksten – Bezweringen 1 t/m 75
36403
wp-singular,page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-36403,wp-theme-bridge,bridge-core-2.6.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-24.6,qode-theme-bridge,transparent_content,disabled_footer_top,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-8.6.1,vc_responsive

Sarcofaagteksten

 

 

Bezweringen 1 t/m 75

Klik op het Oog van Horus om een afbeelding te zien van de hiërogliefen,
die bij de desbetreffende bezwering horen.

Voor een overzicht van de gebruikte bronnen voor deze bezweringen, klik hier.

 

Voor een overzicht van alle teksten in hiërogliefen met dank aan Adriaan de Buck, klik hier.
(Bij elke bezwering staan deze ook afzonderlijk.)

 1

 

HIER BEGINT HET BOEK OVER HET RECHTVAARDIGEN VAN EEN MAN IN HET DODENRIJK.
O N! Jij bent de Leeuw, jij bent de Dubbele Leeuw, jij bent Horus, Beschermer van zijn vader, jij bent de vierde van deze vier goden!
Die machtig en sterk zijn, die water brengen en de Nijl maken door de kracht van hun vaders.
O N, richt je op je linkerzij, zet je op je rechterzij.

 2

 

Geb heeft bevolen en de Dubbele Leeuw heeft herhaald, dat je je ziel, die in de aarde is en je schaduw, die in de verborgen plaatsen is, wordt gegeven.
Ho N! Verhef jezelf, zodat je gerechtvaardigd kunt worden tegenover je vijanden.

 3

 

Ho N! Neem je staf, je lendendoek en je sandalen en ga naar de rechtbank, zodat je gerechtvaardigd kunt worden tegenover je vijanden, man of vrouw, tegenover hen die je kwaad willen doen en tegenover hen die op deze gelukkige dag in de rechtbank tegen je geoordeeld willen worden.

 4

 

O N, de aarde opent haar mond voor u, Geb werpt zijn kaken open voor u. Moge u uw brood eten en uw overvloed ontvangen, moge u de Grote Trap betreden, moge u de Grote Stad bereiken, moge u uw warmte op aarde1 ontsteken, moge u Osiris worden2.
O N, hun groten staan ​​voor u op, de schriftgeleerden die op hun matten liggen, beven voor u in uw aanwezigheid, en u hebt voor uzelf de koppen van de gevlekte slangen in On gedraaid.

1

Vermoedelijk de vroegere warmte van zijn levende lichaam.

2

De varianten breiden dit uit tot: ‘Moge je die mooie jonge god worden die daar is. Moge je macht hebben over je vijanden, man of vrouw, over hen die je kwaad willen doen, man of vrouw, over hen die je haten en over hen die vandaag een oordeel over je willen vellen.’

 5

 

Ho N!1 Neem de hemel in bezit, erf de aarde!
Wie zal deze hemel van je afnemen, “jij schone jonge god?”!
Je bent gerechtvaardigd tegenover je vijanden, man of vrouw, enz.

1

Deze bezwering ontbreekt in alle teksten behalve twee, wat erop wijst dat deze bezwering oorspronkelijk bedoeld was als een vervolg op bezwering 4.

 6

 

Hoe groot is het maandelijkse feest van de hoogte van de hemel, ja, het feest van de Nieuwe Maan!1
De vinger is van je afgenomen, je beven is weggenomen, omdat je de pluim aan de horizon hebt geplant, op de plaats waar zij zijn die je kennen.
Je zuigt aan je moeder Sothis als je voedster die aan de horizon is,’ Isis hurkt (?) naast je, ze maakt je stralend, ze maakt voor jou eerlijke wegen van rechtvaardiging tegen je vijanden, mannelijk en vrouwelijk, enz. en tegen degenen die op deze gelukkige dag een oordeel over je willen vellen in het dodenrijk.

1

Deze bezwering heeft te maken met de wedergeboorte van de overledene tijdens dit festival.

 7

 

De verdediging van een man tegen zijn vijanden vindt plaats in het dodenrijk.
De aarde werd in stukken gehakt toen de rivalen1 vochten, hun voeten werden uit de heilige poel in Ön gehaald.
Nu komt Thoth, getooid met zijn waardigheid, want Atum2 heeft hem veredeld met kracht en de Twee Grote Dames3 zijn tevreden met hem4.
Zo is het gevecht beëindigd, het tumult gestopt, het vuur dat ontbrandde geblust, de woede in de aanwezigheid van het Tribunaal van de God gekalmeerd5 en het zit daar om oordeel te vellen in de aanwezigheid van Geb.
Gegroet, magistraten van de goden!6 Is N voor u gerechtvaardigd? Op deze dag, net zoals Horus werd gerechtvaardigd tegen zijn vijanden op die dag7 van troonsbestijging.
Moge hij zich voor u8 verheugen, net zoals Isis zich verheugde op die gelukkige dag van muziekspelen toen haar zoon Horus in triomf bezit nam van zijn Twee Landen.

1

Horus en Seth.

2

Varianten: ‘Re-Atum’ of ‘Heer van Alles’. De eerstgenoemde variant is zo gangbaar dat deze voortaan normaal gesproken niet meer wordt genoteerd.

3

Vermoedelijk Isis en Nephthys.

4

Thoth, de traditionele vredestichter, is uitgerust om het gevecht te stoppen en zo de angsten van de godinnen, Isis en Nephthys, de respectievelijke echtgenotes van de strijdende partijen, te verlichten.

5

Letterlijk: ‘Bewierookt’.

6

Variatie: ‘magistraten van de hemel, magistraten van de aarde’.

7

Variant: ‘die gelukkige dag’.

8

Variant: ‘op deze dag’ en ‘voor je op deze dag’.

 8

 

Gegroet, Rechter van de God die mij zal beoordelen over wat ik heb gezegd, terwijl ik onwetend, gerust en zorgeloos ben.
O, u die mij omringt en mij steunt, moge ik gerechtvaardigd worden in de aanwezigheid van Geb, de opperste der goden, ‘Die god zal mij oordelen naar wat ik weet.’
Ik ben opgestaan ​​met mijn pluim op mijn hoofd en mijn gerechtigheid op mijn voorhoofd, mijn vijanden zijn in rouw en ik heb al mijn bezittingen in bezit genomen ter rechtvaardiging.

 9

 

Heil aan Thoth en zijn Tribunaal. Heil aan u, o Thoth, in wie1 is de vrede der goden en alle Tribunalen die met u zijn!
Beveel dat zij tevoorschijn zullen komen bij de nadering van N, zodat zij alles kunnen horen wat hij te zeggen heeft, dat goed is op deze dag, want aan u behoort deze pluim toe die opsteeg in Gods land, die Osiris naar Horus2 bracht zodat hij hem als beloning op zijn hoofd kon zetten, om gerechtvaardigd te worden tegen zijn vijanden, mannelijk en vrouwelijk.
Hij was het die de testikels van Seth afscheurde (?); hij is niet vergaan noch gestorven, want u3 bent die ster die het Westen droeg, die niet verging noch vernietigd werd, deze N zal niet vergaan noch vernietigd worden en geen kwaadaardige belemmering zal tegen N worden opgelegd – zo zegt Atum.
Wat betreft al het kwaad dat zij tegen N zeggen of doen in de aanwezigheid van Geb, zij zijn tegen hen en zij zullen tegen hen zijn.

1

Dus in plaats van de gebruikelijke ‘wie is erbij’, is Thoth, de grote vredestichter, verantwoordelijk voor de vrede onder de goden.
B2Bo laat deze woorden weg, terwijl T1 L bijna de hele spreuk weglaat.

2

Variatie: ‘aan zijn zoon Horus’; B4Bo laat ‘aan Horus’ weg.

3

Thoth?

 10

 

Ho N! De poort wordt voor je geopend door Seshat, eerlijke paden worden voor je geopend door Wepwawet en er is geen god die zich heeft omgedraaid over wat hij heeft gezegd1.
Dit is wat hij heeft gezegd2, N is gerechtvaardigd tegenover zijn vijanden, man of vrouw en tegenover degenen die vandaag tegen hem willen oordelen.3

1

Dat wil zeggen dat er geen herziening heeft plaatsgevonden van een eerder vonnis dat gunstig was voor de overledene. Zie JEA 35,93, n.I.

2

B4Bo laat weg; S10C had: ‘wat ze [hebben gezegd]’.

3

M.C. 105, S10C en T9C voegen ‘zij die hem haten of hem kwaad willen doen’ toe in min of meer onduidelijke vormen.

 11

 

Welkom, welkom! Het beeld (?) wordt u gebracht, zo zeg ik (?).
Welkom, welkom!! Het grote beeld (?) wordt u gebracht1, omring N,2 doe alles wat hij zegt, prijs hem, u goden.
Komt, u goden, opdat u hem ziet, hij is veilig tevoorschijn gekomen en heeft zich tegen zijn vijanden gerechtvaardigd, hij heeft de kroon in bezit genomen, hij heeft de tronen van Geb bestegen!3
Hij heeft de andere ingenomen en vernietigd.

1

Variant B1P: ‘het standbeeld (twt) wordt naar u gebracht, het standbeeld van de grote wordt naar u gebracht’; T9C heeft: ‘zijn standbeeld (tw) wordt naar hem gebracht.’

2

Een gebiedende wijs gericht aan de goden.

3

De vertaling is een gok, want er lijkt geen werkwoord met een passende betekenis bekend te zijn, zou de letterlijke betekenis ‘heeft de tronen geconfronteerd’ kunnen zijn? De oude kopiisten lijken deze moeilijkheid ook te hebben ondervonden, want vier van de zeven overgeleverde teksten hebben het boot-determinatief toegevoegd, alsof het werkwoord ‘stroomopwaarts varen’ betekende, wat in deze context geen betekenis heeft. M.C. 105 vervolgt met een fragmentarische passage die verwijst naar de rechtvaardiging en erfenis van de overledene.

 12

 

O N, ga groot en machtig voort, net zoals Re groot en machtig voortging aan de oostkant van de hemel.
De goden die namens Horus spraken en Seth voor hem versloegen1, zullen namens N spreken en zijn vijanden voor hem verslaan.

1

De context vereist duidelijk deze weergave in plaats van de gebiedende wijs van B3Bo en B4Bo.
Voor ‘Seth’ vervangt T9C: ‘zijn vijanden die hem haten’.

 13

 

Titel: Moet worden gereciteerd:
De spreuken om het graf van een geest te laten bloeien in de necropolis; de spreuk om het graf te openen (tut) voor de dubbelganger van de gezegende N.1

Ho N! Verlaat je huis, je zetel en elke plek waar je bent, zoals Horus werd gerechtvaardigd toen hij2 de erfenis erfde en macht had verkregen3, verlaat de aanwezigheid van dit Tribunaal van de goden van Pe, Dep en On, zoals Horus gerechtvaardigd tegen Seth vertrok uit de aanwezigheid van dit Tribunaal van de Heer van het Lijden(?).

1

Deze titel komt alleen voor in T2C, zie de noot van de Buck op p. 40, noot 4.

2

B4C gebruikt ten onrechte de tweede persoon, een voorbeeld van de niet ongebruikelijke verwarring van voornaamwoorden in de Coffin Texts.

3

Letterlijk: ‘had macht’; B4C gebruikt wederom ten onrechte de tweede persoon, net als T2C, dat hier stopt.

 14

 

Ga weg van de strijd, ga weg van de strijd, want het was Horus die wegging van de strijd.
Wees ver van N, o jij die ver van hem zou moeten zijn, nader hem niet, o jij die hem zou willen naderen, want hij zal over de Opzettelijke in On oordelen.

 15

 

O jij die de Stier verwekt, o jij die de Stier verwekt1, trek de honden van de Stier af en verschijn, zodat hij bevelen kan geven tegen zijn vijanden, man of vrouw, die N zouden beschimpen of iets kwaads tegen N zouden doen.

1

De stier is vermoedelijk Osiris, die door zijn zoon Horus gered moet worden.

 16 en 171

 

Ga zitten, 0 N, in de aanwezigheid van Geb, oppergod, want jij bent Horus met zijn Witte Kroon op zijn hoofd.2
Isis3 droeg hem, Khabet voedde hem op, de voedster van Horus voedde hem op, de krachten van Seth4 dienden hem boven zijn eigen krachten, zijn vader Osiris gaf hem deze twee staven van hem5.
N is gekomen en hij juicht erover in rechtvaardiging, er zijn hem gegeven6 deze twee grote en machtige Enneaden, hij woedt tegen de goden met zijn kracht, hij beheerst het leven van de goden.
In werkelijkheid is er een aanroepingsoffer voor Re en Horus die aan het hoofd staat van de levenden beschermt zijn vader Osiris, hij heeft de bewegingen gestopt7 van hem die zijn vader doodde8.
Wat betreft iedereen die een kwaadaardige roof tegen N pleegt, N zal een arm omhoog en omlaag9 gebruiken tegen hun groten in On in de aanwezigheid van de verrezen Osiris.
Deze N heeft zijn Twee Landen in bezit genomen ter verdediging; jij bent Horus, Heer van de Gerechtigheid.

1

Ondanks het scheidingsteken aan het einde van bezwering 16 in B1P, vormen deze twee bezweringen een doorlopende tekst.

2

Variatie ‘op hem’. B4Bo voegt ‘gerechtigheid op zijn voorhoofd’ toe; M.C. 105 en SIOC: ‘N is gaan zitten om te oordelen in de aanwezigheid van Geb als Horus met zijn witte kroon op hem’; B15C: ‘N is gaan zitten in de aanwezigheid van Geb; jij bent Horus’, enz.; B.H. 5C: ‘Ho N! Ik ga zitten voor N om te oordelen in de aanwezigheid van Geb, want jij bent Horus met zijn dubbele kroon op [zijn] hoofd’.

3

Variatie: ‘zijn moeder Isis’.

4

Blijkbaar kon zelfs Seth het niet laten om zijn krachten toe te voegen aan die van de jonge Horus, een zeer onverwacht fenomeen.

5

Variant S1OC: ‘zijn twee standaarden’ door een kennelijk misverstand. T2C lijkt een andere tekst te hebben gehad.

6

Bezwering 17 begint hier.

7

Letterlijk: ‘weggevoerd’.

8

Variaties BI5C en SIOC: ‘zij die gedood hebben’.

9

D.w.z. zullen een zware slag toebrengen.

 18

 

Ho N! Je zult de hemel oversteken en het firmament doorkruisen, zij die zich in de Kronkelende Waterweg bevinden zullen je aanbidden en je zien wanneer je oprijst aan de oostelijke horizon, zij die zich in de Onderwereld bevinden en je prachtige verschijning hebben toegestaan, je zult tevoorschijn komen uit het Nachtschip en aan boord gaan van het Dagschip zoals Horus, Heer der Patriciërs zelf, je beveelt.
Ho N! Je zult opstijgen naar de grote westkant van de hemel en afdalen naar de grote oostkant van de aarde1, te midden van die goden die zich in het gevolg van Osiris bevinden, in vrede, in vrede met Re die in de hemel is.

1

Deze onverwachte omkering van de windrichtingen is onbegrijpelijk. We zouden verwachten dat de overledene in het oosten omhoog en in het westen omlaag gaat, net als de zon. Misschien hebben we hier te maken met een fout in een vroege kopie die niemand heeft opgemerkt of in ieder geval heeft geprobeerd te corrigeren.

 19

 

Ho N! Jij bent een god en je zult een god zijn, je zult geen vijanden of tegenstanders hebben met Re die in de hemel is of met Osiris, de grote god die in Abydos is.

 20

 

Ho N!! Geb zal je blinde ogen voor je openen, hij zal je gebogen knieën voor je strekken, je hart (ib) dat je van je moeder had, je hart (hty) dat bij je lichaam hoort, je ziel die op aarde was, je lijk dat op de grond lag, zal aan je gegeven worden.
Er zal brood voor je lichaam zijn, water voor je keel en zoete lucht voor je neusgat.
De eigenaren van graven zullen vriendelijk voor je zijn, de eigenaren van doodskisten zullen naar je toe komen, ze zullen je ledematen die ver van je verwijderd waren, naar je toe brengen, wanneer je in je oorspronkelijke vorm hersteld bent.

 21

 

Ho N! Kom, zodat je naar de hemel kunt stijgen; de ladder aan de zijde van Re is voor jou gemaakt onder de goden, die de pest uit de stromen1 verwijderen, zodat je er water uit kunt drinken. Je zult op je voeten lopen2, je zult niet met je hoofd naar beneden lopen.

Zij die zich in het midden van de aarde bevinden, zullen naar je toe komen, maar er zal niemand bij u komen die uw poort of muur wil vernietigen en niemand zal uw hekken of uw graf, dat uw stadsgoden voor u hebben gemaakt, voor u omverwerpen of je graf! dat je stadsgoden voor je hebben gemaakt.
Je bent zuiver, je bent zuiver! Zoals Re leeft, ben je zuiver! Je voorkant is in zuiverheid, je achterkant is rein en je reinheid is door middel van natron en wierook, melk van de moeder van Apis en bier van de biergod.

1

Kleine variatie in M.C. 105 en B.H. 5C; deze zin laat zien dat de Egyptenaren enige kennis hadden van de gevolgen van het drinken van besmet water.

2

Vóór deze zin voegen vier teksten, ‘Ho N!’ in.

 22

 

Een beeld van was1 dat het kwaad verdrijft.
Tefënet, de dochter van Re, voedt je met wat haar vader Re haar gaf, de Vallei geeft je brood van de begrafenis van haar vader Osiris2, Re bijt op iets zoets en hij zal het je geven.
Jouw trio3 is in de hemel met Re, zij zijn van gedraaide gerst uit Beneden-Egypte4.
Jouw kwartet5 is op aarde met Geb, zij zijn van Beneden-Egyptische gerst van Ibw.6
Hun7 twee beschermvrouwen zijn de jouwe, zij hebben de offers opgestapeld die zij voor je neerleggen.
Ho N! Je zult de dag ingaan, je zult kracht in je benen hebben!8
’s Ochtends zul je kracht in je benen hebben, ’s avonds zul je kracht in je benen hebben bij het aansteken van de lamp, je zult kracht in je benen hebben op elk moment, op elk uur waarop je wilt uitgaan, je zult kracht in je benen hebben in elke rechtbank! in elk gerechtshof.
Je zult kracht in je benen hebben, overal waar je hart op elk moment naartoe verlangt.

1

Vermoedelijk van Tefenet, gezien wat volgt.

2

B.H. 5C laat deze clausule weg.

3

Kleine variatie in M.C. 105 en B.H. 5C; deze zin laat zien dat de Egyptenaren enige kennis hadden van de gevolgen van het drinken van besmet water.

4

Kleine variatie in M.C. 105 en B.H. 5C; deze zin laat zien dat de Egyptenaren enige kennis hadden van de gevolgen van het drinken van besmet water.

5

Variant T1C: ‘brood’ opnieuw.

6

‘Ibw is mij onduidelijk. Voor ‘gerst’ vervangt T1L opnieuw ‘emmer’. T1C heeft ‘Uw brood is op aarde bij Geb, het is van gedraaide gerst uit Neder-Egypte’; T9C is corrupt.

7

‘Hun’ verwijst vermoedelijk naar Re en Geb. Deze ‘beschermvrouwen’ zijn blijkbaar Tefenet en ‘de Vallei’, aangezien dit de enige twee vrouwelijke entiteiten zijn die tot nu toe genoemd worden. T1L en T9C hebben: ‘de beschermvrouwen beschermen hen voor jou’; B.H. 5C verwijst naar ‘de twee beschermvrouwen van Re’: de tekst is corrupt, maar lijkt oorspronkelijk T1L te hebben ondersteund.

8

Oftewel bewegingsvrijheid. Voor ‘benen’ heeft B.H. 5C ‘hart’. Op dit punt laat B6C een groot deel weg en loopt rechtstreeks door naar het midden van 68a.

 23

 

Ho N! Je zult niet ondervraagd worden, je zult niet gevangen gezet worden, je zult niet vastgehouden worden, je zult niet geboeid worden, je zult niet onder bewaking1 gesteld worden, je zult niet op de executieplaats gezet worden waar rebellen worden vastgehouden en er zal geen zand op je gezicht gesmeerd worden2.
Wees waakzaam, wees gewichtig3 en niemand zal je tegenwerken4.
Pas op dat je niet naar buiten gaat.5
Neem je staf6, je lendendoek, je sandalen en je pijlen7 mee voor de weg, zodat je de hoofden afhakt en de nekken afsnijdt van je vijanden, man en vrouw! die naderen wanneer je dood bent.
‘Haast8 je en kom’ zijn de woorden van de god die hem brengt op de dag van de beschuldiging.

1

Variant B6C: alleen ‘u zult niet geboeid worden’; T1L: ‘u zult niet geboeid worden, u zult niet gevangen worden gezet’; T1C: ‘u zult niet onder bewaking worden geplaatst, u zult niet geboeid worden’. T9C en B.H. 5C laten dit weg.

2

Dat wil zeggen: niet begraven in een gat in de woestijn.

3

Dit gebruik van ‘wees voorzichtig’ in de betekenis van ‘wees voorzichtig’ is in het moderne Egyptisch en Soedanees spreektaal Arabisch bewaard gebleven, zoals mij (R. Faulkner dus) is verteld door Dr. Haikal en Dr. A. J. Arkell.

4

Letterlijk: ‘niemand zal zich tegen je verzetten’.

5

Dat wil zeggen: onuitgerust, want in het vervolg wordt de dode man aangespoord zich adequaat voor de reis uit te rusten.

6

Variëteiten B4C, T1L: ‘neem je reistas en je staf’; T9C: ‘neem je reistas’; B.H. 5C: ‘neem je […], je reistas en je staf’; T1C laat deze clausule weg.

7

Varianten: B4C: ‘je lendendoek en sandalen’; T9C: ‘je lendendoek en je pijl’; T1L: ‘je boog, je lendendoek, je sandalen en je pijl’.

8

Van T9C tot T1C zijn alle teksten in zekere mate vervormd.

 24

 

Ho N! De Valk heeft om je geschreeuwd, de Gans heeft om je gekakeld.
Thoth strekte je een hand toe, de arm van je vijand werd voor je afgehakt, de Twee Vliegers, Isis en Nephthys, schreeuwen om je en slaan voor je op twee gongs in aanwezigheid van de goden.
Anubis1 is boven je2 als je bescherming, Wepwawet heeft mooie paden voor je geopend.
Ho N! De deuren van de hemel worden voor je geopend door Re, de deuren worden voor je opengegooid door Geb, de deuren worden voor je geopend in Abydos, de deuren van het firmament worden voor je opengegooid door je moeder Noet, omdat je macht zo groot3 is, de poorten op aarde worden voor je opengegooid door Geb, omdat de kennis van je naam zo effectief is.

1

Variatie: ‘de armen van Anubis’.

2

B4C laat ‘zijn op u als’ weg.

3

Zo ook B6C; variaties B1P, T9C: ‘het is de grootheid van uw macht’.

 25

 

Ho N! Er is je een stuk land in de Vallei1 gegeven en het voedsel van het Westen2 is macht, het is spraak3, het opent het Westen, wat het hart van Re behaagt en de harten van zijn rechtbank die over de mensen4 waakt, bevredigt.
‘Geef hem’, zegt Re ‘en leid hem’.5
Moge hij6 je genadig zijn bij de trap van elke rechtbank, in elke rechtbank en op elke plaats waar jouw god je genadig is.

1

Variant B6C: ‘bij de vallei’; B4C tot B.N. 5C: ‘van de vallei’; T1C is corrupt.

2

Variant B6C: ‘van de westerlingen’.

3

Variant B.H. 5C: ‘het is effectiviteit, het is spraak, het is macht’. Een lange weglating in T9C.

4

Een weglating in B6C.

5

Zo ook B1P en B4C. T1L laat ‘en hem leiden’ weg; T9C en B.H. 5C lezen: ‘Geef hem, o Re, opdat hij hem kan leiden’.

6

Re.

 26

 

Ho N! Ik heb je kracht onder de geesten1 geplaatst, want zo groot is je kracht, zodat de vrees voor jou eeuwig in hun lichaam2 zal zijn, ik heb ontzag voor jou in hun harten gelegd en het zonnevolk is verheugd vanwege N, want hij is gerechtvaardigd tegen zijn vijanden, mannelijk en vrouwelijk.
Ho N! Zeil over de meren van de onderwereld3, roei over de wateren van deze grote god die in On is, wiens ziel in Djedu is, wiens waardigheid in Ninsu is en wiens ontzag in Abydos is.

1

B4C laat aan deze uitspraak voorafgaan: ‘Ik heb ontzag voor u in hun harten geplant’, waarmee het vooruitloopt op 78c.

2

Twee teksten voegen onnodig in: ‘Ho Osiris N!’

3

Variatie B15C: ‘de aangename meren’.

 27

 

O Isdes, spreek tot N.
O N, het is jouw rechtschapenheid die jouw macht bepaalt, het is jouw karakter(?) dat jou nobel maakt1 en jij2 leeft van het voedsel van de valken.
Jij bent3 het zaad van de Grote die zijn vader beschermt aan het hoofd van de twee conclaven, de rechtvaardiging is aan jou op deze dag4, net als hij die bezit nam van het grote Tnnt-heiligdom5 om over te brengen(?)[.. .].6
Hij heeft je je ledematen7 laten opheffen, dus verhef jezelf, O N, want je bent niet gestorven.
O N, aan jou behoort de angst toe die van Isis naar Horus8 ging! toen [hij] gerechtvaardigd werd tegenover zijn vijanden die op die dag een oordeel over hem zouden hebben geveld.9

1

Hier is sprake van persoonsverwarring. M.C. 105 en T9C luiden: ‘het is haar (zijn) rechtvaardigheid die uw macht geeft’; S10C luidt: ‘het is uw rechtvaardigheid die uw macht geeft’; een soortgelijke verwarring ontstaat in de volgende zin, waar de vrouwelijke achtervoegsels van de tweede persoon enkelvoud in B4C suggereren dat beide zinnen oorspronkelijk naar de overledene verwezen en dat een vocatief ‘Osiris N’ door haplografie tussen 79a en b is weggelaten, zodat de achtervoegsels van de tweede persoon enkelvoud overal begrepen moeten worden, alleen door de passages op deze manier te vertalen kan een duidelijke betekenis worden verkregen: Isdes wordt geroepen om de dode man te laten spreken, omdat diens deugden dit voorrecht rechtvaardigen.

2

Variatie ‘N leeft’.

3

Drie van de vier teksten voegen, enigszins onnodig, de aanroeping ‘0 N’ in, vóór deze zin.

4

Hierop volgt in B4C een lange weglating en een lacune.

5

Volgens T9C; wat bewaard is gebleven in M.C. 105 lijkt een inferieure tekst te zijn.

6

Dus M.C. 105 en S10C; niet in T9C.

7

Dus S10C; T9C heeft ‘hij heeft hem zijn twee ledematen laten optillen’ enz., met een onduidelijke bepaling van ’twee ledematen’; M.C. 105 had mogelijk iets soortgelijks.

8

Dat wil zeggen, de ontzag en vrees die Isis aan Horus toekende; T9C heeft: ‘van de troon van Horus’.

9

Volgens S10C. B4C heeft: ‘de vrees voor (d.w.z. het respect dat wordt ingegeven door) zijn rechtvaardiging is de vrees voor Osiris N […]. M.C. 105 is verloren gegaan, behalve het eerste woord ‘vrees’; T9C heeft: ‘de vrees voor zijn rechtvaardiging’ en stopt.

 28

 

Recitatie:
Heil aan de Geest!1 Heil aan u, mijn Heer! Heil aan u, O N!2
Ik ben op deze dag tot u gekomen sinds de nacht, ik heb u Nwt.k-nw gegeven3, ik breng voor u uw hart in uw lichaam, net zoals Horus het hart van zijn moeder4 bracht, net zoals Isis het hart van haar zoon Horus bracht.

1

Alleen in M.C. 105.

2

Variatie T9C: ‘Gegroet aan deze N!’

3

Over de onduidelijke uitdrukking Nwt.k-nw zie Komm. Pyr. IV, 109 e.v. In een poging om deze te verbeteren, heeft M.C. 105: ‘Ik heb u toestemming gegeven om te jagen (nwt)’. Zie ook 282h.

4

Niet in T9C.

 29

 

Wees stil, wees stil, o mannen! Luister, luister, o mannen! Hoor het, dit grote woord gemaakt door Horus1 uitgesproken voor zijn vader Osiris.
Hij leeft daardoor2, hij heeft daardoor een ziel, hij heeft daardoor eer3.
Ho N! Je zult daardoor leven, een ziel zijn daardoor, eer hebben daardoor4, je zult kracht in je lichaam hebben, je zult opstijgen naar Re en woorden van rechtvaardiging horen5 in de aanwezigheid van Re, in de aanwezigheid van de grote god.
Je zult niet vergaan, je ledematen zullen niet vernietigd worden, je [ledematen] zullen niet lijden en je zult niet voor eeuwig en altijd worden uitgeroeid.
Moge je leven, oud worden, heerschappij hebben, bestendigheid hebben in je aanwezigheid en leven na de ouderdom door wat Horus zelf voor je heeft gekloond, (hij) de Heer der Patriciërs, wanneer je opstijgt naar Re aan de horizon.

1

T9C laat ‘gemaakt door Horus’ weg.

2

T9C: ‘hij wordt daardoor een geest’.

3

T9C laat ‘daardoor’ weg.

4

T9C laat 81f.g weg en gaat verder (vanaf 81h) in de derde persoon.

5

T9C laat de rest van deze spreuk weg, met uitzondering van de laatste woorden ‘in de horizon’, die het aan 81i toevoegt.

Titel van bezweringen 30 e.v.

RECITATIE:1 OM TE MAKEN DAT HET WESTEN VAN EEN MAN HOUDT EN OM TE MAKEN DAT HET WESTEN ZICH VERHEUGT OVER EEN MAN DOOR MIDDEL VAN ALLES WAT VOOR HEM WORDT GEDAAN IN ALLE SEIZOENSFESTIVALS VAN DE NECROPOLIS, IN ALLE JAARLIJKSE FESTIVALS EN OP ALLE DAGEN EN TIJDEN.

1

+d mdw alleen in S1C. De rubriek is afkomstig uit S1C en S2C; var. B1L: ‘de geest ertoe brengen zich van zijn linkerzijde naar zijn rechterzijde te verheffen’ (in zwart); T1L: ‘Recitatie: […] de Grote, en het Westen zal haar handen aan een man geven’ (in rood). Zie de noot van de Buck op p. 83, n.s.*

 30

 

Een kreet komt uit de monden van de groten, de heren van het volk en een schreeuw uit de monden van de degenen met scepters1, vanwege het donderende lawaai van de goden die aan de horizon2 staan ​​wanneer ze de angst op hun gezicht3 zien, die zoiets nog nooit hebben gezien wanneer ze N4 vredig zien voortgaan op de prachtige paden van het Westen5 in de gedaante van een goddelijke geest6, alle krachten hebben verworven toen de groten die over de horizon heersen tot hem spraken7.
De jonge god is geboren uit het prachtige Westen8, hier gekomen uit het land van de levenden, hij heeft zijn stof verwijderd9, hij heeft zijn lichaam gevuld met magie, hij heeft zijn dorst ermee gelest, degenen die naar hem uitkijken beven10 ervoor als een vogel11, zo zeggen de goden van de horizon over N die in het Westen12 is.
Zij zullen tot hem zeggen, “Ga, roei naar het Biezenveld tussen de Eilanden van de Hemel, vaar daarin naar Hem die op zijn plant is!
Zo zullen de goden tot N zeggen.13

1

S1C en S2C laten ‘uit de monden van’ weg. Voor nHbtt ‘degenen met scepters’, een fern. collectief, hebben alle teksten van de groep die beginnen met S6C Hbsw ‘de gesluierde’.

2

B3Bo en de volgende teksten laten ‘de goden’ weg.

3

Vermoedelijk merken de groten en de degenen met scepters de angst op de gezichten van de luidruchtige goden op, maar de tekst is enigszins dubbelzinnig.

4

B3Bo e.v. hebben: ‘N die in het Westen is’: S6C stopt hier.

5

Vier teksten laten ‘prachtig’ weg.

6

S2C laat n nAx ‘van een geest’ weg en leest ‘in zijn goddelijke gedaante’.

7

Sommige teksten laten de datief weg; B3L en L2Li zijn corrupt; S11C eindigt.

8

Varianten: ‘Welkom <in> het Westen, jonge god, geboren uit het prachtige Westen’; ‘Daar komt de jonge god…’. S10C en S12C eindigen hier.

9

Dat wil zeggen: van het graf. T1L vertaalt deze en volgende bijzinnen in de tweede persoon. R.f aan het einde van de bijzin is enclitisch.

10

Letterlijk: ‘zijn wachters zullen erdoor beven’.

11

S1C, S2C, S5C en M25C eindigen hier.

12

Variatie T1L: ‘de groten van de horizon met betrekking tot deze N’. De andere teksten laten de verwijzing naar de goden van de horizon weg. B4L, B12C en B13C voegen een lange formule in die steeds weer opduikt in deze groep teksten, maar die nauwelijks bij de huidige spreuk kan horen. De bron ervan lijkt Spreuk 38 te zijn, waar deze kennelijk oorspronkelijk vandaan komt, zie JEA 48,37, n.c. Hier luidt de formulering: ‘zo zeggen zij met betrekking tot mijn vader, mijn dienaar, mijn kampioen, degene naar wie ik in het Westen ben afgedaald’. De verwijzing naar de vader van de overledene is hier volkomen misplaatst, en deze formule is zeker een interpolatie.

13

Variatie ‘aan jou’.

 31

 

De volmaakte1 is verheugd over wat hem is aangedaan en over wat ze2 tegen hem hebben gezegd, daarom zal ik3 zorgen dat N ziet4 dat de de valken op hun nesten zijn5, ik zal N de geboorte van de Apis-stier laten zien in de stallen van het gevlekte vee6, ik zal N Osiris in Djedu laten zien in zijn waardigheid van Stier van het Westen.7

1

Verwijzend naar het herstel van het lichaam van de overledene door de magie van de begrafenisrituelen.

2

Mogelijk verwijzend naar de balsemers en andere functionarissen bij de uitvaartdienst.

3

Vermoedelijk de lector die de bezwering voorleest.

4

Zo ook in B1P; T1L staat ‘zij zeggen tegen hem: Daarom zul je zien…’. De andere teksten laten ‘zij zeiden tegen hem’ weg en variëren tussen ‘daarom zal ik deze N laten zien…’ en ‘daarom zul je zien…’. Alle andere teksten ontwijken de eerste zin van B1P; waarschijnlijk vonden de kopiisten die onbegrijpelijk.

5

Sommige teksten voegen toe: ‘de jonge god is zoals jij’.

6

Variatie: ‘de gevlekte slangen(!),’: ‘het witte vee’. Ook hier komt in enkele teksten de interpolatie van n.s. voor.

7

S10C laat de woorden na ‘Djedu’ weg.

 32

 

Heil u! Hij verzacht uw pijn1, o Osiris in Djedu, N2 is naar Uw Majesteit gekomen, hij zal uw pijn verzachten, hij zal uw vijanden doen beven, hij zal uw sieraden tot de rang van (?) zomer3 verheffen, U zult het prachtige Westen laten weten dat hij uw geliefde zoon is! die Maät baarde4 en zij omarmt hem en bemint hem als uw zoon5 als uw kind6 van uw gedaante dat u zelf hebt gemaakt.
Hoor dit met beide oren, zegt Osiris tot de Majesteit7 van het Westen.
Carne in vrede, opdat u goede reizen8 kunt maken en dat ik u kan omarmen zegt zij, het prachtige Westen, tot N9.
Ze is naar hem10 toe gekomen in haar kleed van snavelgewaad en haar kettingen van carneool(?).11
Haar offergaven zijn op haar hand uitgestrekt, haar proviand volgt haar en ze zegt tegen hem, Carne, wees welkom!12
Maak van uzelf een god in de gedaante van de Stier van het Westen13, ‘uw waardigheid is in overeenstemming met uw wens, want u bent de zoon van de Heer des Huises.’

1

Er is een kenmerkende verwarring van voornaamwoorden in de verschillende teksten van deze bezwering, maar de context laat zien dat Osiris wordt aangesproken in de zinnen tot en met 106c, waarbij de overledene de rol van Horus vervult die zijn vader bijstaat. Daarna spreekt Osiris tot het Westen en het Westen spreekt de overledene aan. L2Li is zoals gebruikelijk beschadigd en vervormd.

2

B4L, B12C (beide teksten) en B13C hebben ten onrechte de formule uit bezwering 30, nr. 15, in de plaats van de naam van de overledene gezet.

3

Betekenis onduidelijk. S10C, S11C en S12C eindigen hier.

4

Variatie: ‘die zij (het Westen) u baarde’. Maät wordt hier geïdentificeerd met Isis.

5

B2Bo e.v. hebben een kleine variant hiervan. T1La·b hebben ‘als deze zoon van u’ en T1La eindigt hier.

6

Variatie: T1L: ‘uw nageslacht’ (mswty). Alle teksten behalve B1P en L2Li laten ‘is’ na sDty weg.

7

T1L, S1C en S2C hebben een varianttekst: ‘”Luister hiernaar met beide oren, o prachtig Westen” – zo spreekt Osiris, Stier van het Westen’.

8

S1C, S2C en M25C eindigen hier.

9

T1L laat ‘aan deze Osiris N’ weg. De B4L-groep interpoleert opnieuw de formule waarnaar verwezen wordt in bezwering 30, noot 15.

10

T1L heeft ‘je ontmoeten’.

11

Alle teksten zijn tot op zekere hoogte verwarrend; B1L lijkt de beste te zijn.
De vertaling gaat ervan uit dat de oorspronkelijke lezing m Skrw. s n sndw m wAHw.s n Hrswt was.
De basisbetekenis voor sndw kan ‘doek’ zijn.
Voor wAHw. als ‘halsketting’ in plaats van ‘krans’ het koord als bepalend element en het materiaal, dat uit kralen moet hebben bestaan, niet uit bloemen. Zie voor Hrswt (et var.) ‘vleesachtig(?)’ T1L heeft THnw ‘faience’.

12

Variant B12C: ‘Kom in vrede, wees welkom’; T1L laat ‘wees welkom’ weg.

13

Variant T1L: ‘in zijn waardigheid als Stier van het Westen’.

De bezweringen 33 t/m 35 lijken oorspronkelijk een eenheid te zijn geweest en zijn hier ook als zodanig vertaald.
De overledene wordt geïdentificeerd met Horus, de zoon van Isis en Osiris en bij aankomst in het hiernamaals worden alle verschuldigde voordelen beloofd.

 33  34  35

 

O, jullie goden die in Chaos zijn, O1 jullie Negen Goden die zich in de Mysterieuze Plaatsen bevinden, zie hem2, jullie goden, deze goddelijke geest die Osiris tot zijn zoon3 heeft gemaakt, die Isis tot haar kind4 heeft gemaakt, aan wie de lof toekomt die de goden5 toekomt.
Kom, zie hem die in vrede is gekomen, gerechtvaardigd6.
Verheug je hem te ontmoeten, o jullie die naar haar toe zullen reizen, de Majesteit van het Westen zelf ontmoet N en zij zegt tegen hem: “Welkom, mijn zoon, jij ziel met de blinkende hoorn7, reis in vrede, opdat ik je kan omhelzen”. Zo heeft Osiris bevolen.

Heil u, o schone Westen!8 Zie, N is naar u9 gekomen, opdat hij u dagelijks moge begroeten als uw zoon, uw kind dat u aan Osiris hebt gebaard.
Hij is gekomen om u te begroeten op het Vuureiland, hij heeft het stof dat op hem zat verwijderd, hij heeft zijn lichaam met magie gevuld, hij heeft er zijn dorst mee gelest, zij die hem in de gaten houden, beven ervoor als een vogel, hij heeft het land overmeesterd door middel van wat hij wist, zoals zij tot wie hij is afgedaald10 en tot haar zeggend: “Heil u, o schone Westen in het gevolg van Osiris, en omgekeerd. Ik ben hier11 gekomen zoals ik wenste, ik heb de kwetsuur van Osiris12 weggenomen, ik laat zijn vijanden beven13.”

Reis in vrede, opdat ik u kan omhelzen – zegt het prachtige Westen tegen N14.
Ze is inderdaad verheugd hem te ontmoeten en zegt tegen hem:
Welkom! Uw zoon die op aarde is, heeft u gezonden, u ziel […] Ik verlos u van uw klacht, ik hoor de woorden van mijn goddelijk toegeruste zoon, ik doe uw zaken in overeenstemming met wat hij heeft gezegd.
Osiris heeft […] voor u bevolen.
Ik zal u Osiris in Djedu laten zien15 en u zult met hem naar Abydos reizen, want de jonge god is zoals u.16
Ik zal u de God van de Wijnpers laten zien met zijn messen in zijn gedaante van ‘Slachter’, want de jonge god is zoals u.
Ik zal je de Eendenvelden laten zien, want de jonge god is zoals jij.17
Ik zal je de magiër18 laten zien, gekleed in zijn waardigheid van ‘Hij beheert de offers voor de gezegenden’, want de jonge god is zoals jij.
Ik zal je Noet laten zien, zodat zij offers kan instellen, verantwoordelijk voor de zaken, want de jonge god is zoals jij.
Welkom, o jij die Osiris heeft gezonden, zie deze goden op het woord van het prachtige Westen aan N.
Ik zal zorgen dat hij zuiver wordt in het Meer van de Jakhals19 onder de gezegenden20.
Ik zal zorgen dat hij gereinigd wordt in de Meren van de Bewoners in de Onderwereld onder de gezegenden.
Ik zal zorgen dat de Twee machtigen in magie hem onder de gezegenden laten bewieroken21.
Ik zal zorgen dat hij het Grote Heiligdom onder de gezegenden zal binnengaan.
Ik zal zorgen dat hij de Mysterieuze Plaatsen onder de gezegenden zal binnengaan.
Ik zal zorgen dat hij de Plaats van Overtocht onder de gezegenden zal binnengaan.

1

D.w.z. de overledene.

2

De B4L-tekstengroep laat het aanwijzend voornaamwoord weg, L2Li spelt het verkeerd, B12 heeft het meervoud ‘geesten’, T1L (beide teksten) laat de aanroeping ’tot de goden’ weg en leest ‘deze jonge god, een Godachtige geest’.

3

Variant B3L: ‘die Osiris tot zijn geliefde zoon heeft gemaakt’; B12C: ‘die Osiris heeft gemaakt’ en eindigt.

4

B3Bo en B4L ff. is corrupt: ‘zijn kind’. L2Li voegt sDty.f toe aan de voorafgaande zin.

5

T1L (beide teksten) en L2Li: ‘aan wie lof wordt gegeven’; B4L e.v. ‘de zeeman (van de boot van de zon) aan wie lof wordt gegeven’.

6

Zeven teksten laten deze bijzin weg.

7

B3Bo heeft: ‘mijn dochter, Pilaar van zijn moeder, stralend van hoorn’, terwijl B2Bo heeft: ‘mijn zoon, Pilaar stralend van hoorn’ en B12C e.v. hebben: ‘mijn zoon, stralend van hoorn’.

8

B4L laat ‘mooi’ weg.

9

Variatie B1L: ‘is in vrede tot u gekomen’. De B4L-groep interpoleert de formule van bezwering 30, noot 15.

10

Variatie S1C, S2C: ‘zoals wat hij heeft gedaan voor degenen tot wie hij is afgedaald’.

11

Dus vier teksten, die de redevoering van de overledene voortzetten: De eerste persoon is hier superieur aan de derde persoon van de meeste teksten.

12

S1C, S2C en M25C eindigen hier. B1P variatie: ‘uw verwonding, o Osiris’.

13

Lees ‘zijn vijanden’ zoals B2Bo en B4L e.v. L2Li interpoleert: ‘zo zegt deze N’.

14

Variatie: ‘aan (deze) N die in het Westen is’. B4L en de verwante teksten vervangen de formule van Spreuk 30, noot I5. Alle teksten behalve B1P eindigen Spreuk 33 hier.

15

Hier begint bezwering 34, die de redevoering van het Westen voortzet.

16

L2Li heeft: ‘deze N is zoals jij, deze jonge god die komt als kinderen die jij hebt gezonden’. De jonge god waarnaar verwezen wordt, is Horus, wiens rol de overledene vervult; B12C laat deze zin hier en verderop weg.

17

L2Li heeft: ‘Ik laat je de valkuil zien van […], want de jonge god, die komt als kinderen die Osiris heeft gezonden, is zoals jij’.

18

Variatie L2Li: ‘de Nijlgod’.

19

Bezwering 35 begint hier, duidelijk als een voortzetting van bezwering 34. De B4L-groep heeft: ‘Osiris heeft hem bevolen rein te zijn’ en op dezelfde manier door de hele bezwering heen.

20

Hier begint een reeks van zes beloften, elk beginnend met: ‘Ik zal ervoor zorgen dat…’. Aan elk van deze beloften is een refrein toegevoegd waarvan de vertaling en betekenis twijfelachtig zijn en dat alle schijn wekt een interpolatie uit een andere bron te zijn; let op de abrupte verandering van persoon en het feit dat, terwijl de beloften in kwestie door het Westen ten gunste van de overledene worden uitgesproken, de spreker in dit refrein de levende vertegenwoordiger van de overledene op aarde lijkt te zijn, die verantwoordelijk is voor
zijn begrafenisoffers. Het refrein is daarom weggelaten uit de lopende vertaling.

De minst onduidelijke versie is die van B1P-B1L, die luidt: ‘uw kwartet dat op mij rust, behoort tot het leven en de eeuwigheid. Ik ben uw gezelschap op aarde, ik ben uw ziel die op aarde leeft, die voor u smeekbeden op aarde brengt in uw huis dat zich bevindt op het Eiland van Vuur’.

Hier is de derde persoon van B1P en B3Bo duidelijk onjuist, aangezien de spreker op aarde zich tot de overledene richt. De B4L-groep heeft een variant die luidt: ‘Zie, zijn kwartet voor het leven en de eeuwigheid rust op zijn vee door mij, zij leven; ik ben zijn ziel die op aarde leeft’. L2Li heeft een beschadigde versie.

21

Variatie L2Li: ‘Osiris heeft bevolen dat de Twee machtigen in magie hem onderzoeken’.

 36

 

O Osiris, Stier der Groten1, heerser over de levenden, zie, N is naar u2 gekomen, om uw schoonheid3 te aanschouwen, om u te aanbidden, om u te dienen, om uw onrecht te verdrijven en uw bewegingen in orde te brengen! in de gedaante van een goddelijke geest.
Hij is hier gekomen uit het land der levenden4, hij heeft het stof dat op hem zat verwijderd, hij heeft zijn lichaam met magie gevuld, hij heeft zijn dorst ermee gelest, degenen die naar hem uitkijken, beven ervoor als een vogel, hij heeft het land beheerst door wat hij kende, zoals zij die voor zichzelf naar hem toe gingen, hij heeft alle macht5 in zijn hand gebracht van6 het Eiland van Vuur7.
Hij kent die twee zinnen waar Ha tegen sprak!
Op hem is de ramskop(?).
Hij heeft (iets) in zijn hand gebracht om uw hoofd eraan te bevestigen8 en om uw nek ermee stevig te maken.
Hij heeft je de pruik van je waardigheid van Stier van het Westen gebracht.
Hij heeft je het levende water gebracht dat in de handen van God is, hij heeft Hekes en Hephep laten weten wat hij je daarover heeft voorspeld.

Ontvang hem9, laat hem binnengaan in Meso, zegt Osiris tegen het mooie Westen10.
Verzorg hem, verkondig hem11, want u hebt hem in uw armen gelegd sinds hij van12 het Vuureiland is gekomen.
Leid hem naar mij toe, onthul voor hem mijn gewonde intieme delen, ik laat hem mijn wonden zien, zegt Osiris.
Op welke manier zal hij komen, deze vernieuwde geest? – zegt het mooie Westen.
Hij zal binnengaan13 in zijn waardigheid van een goddelijke geest, hij zal veredeld14 worden in het Huis van Sothis, hij zal gezoogd worden in het Huis van de Grote Stieren, hij zal de goddelijke staat ontvangen in het Huis van de Witte Stier, dat zich in de necropolis bevindt, wanneer zij de woorden van de goden horen.
Het zijn de Twee machtigen van magie die hem reinigen en hij zal binnengaan wanneer u zijn klacht hebt weggenomen door middel van zijn vee dat op aarde is.
Laat hem niet schreeuwen15, maar laat hem zich herinneren wat ik verafschuw, want mijn verafschuw is de schreeuwer, hij zal mijn Huis niet binnengaan, zegt Osiris.
Hier komt de god die de aarde bewaakt, reis gelukkig in vrede, opdat ik je mag omarmen, zegt het prachtige Westen tegen N die in het Westen is16.

1

Variatie B3L: ‘Osiris, Stier van het Westen en de Groten’.

2

De B4L-groep heeft: ‘zie, deze vader van mij (enz.) is tot u gekomen’. Vgl. bezwering 30, noot 12.

3

Vier teksten voegen toe: ‘die toebehoort aan de grote god die in het Westen is’.

4

L2Li voegt toe: ‘met zijn ware gelaat’.

5

De B4L-groep heeft: ‘hij bracht alle macht – en er bleef niets (van) over – in zijn hand als macht van (of ‘in’) het Eiland van Vuur’.

6

Of ‘in’.

7

B1P, B1L en B3L eindigen hier.

8

Variatie L2Li: ‘de ogen van Osiris erop gericht’.

9

De overledene; Osiris spreekt.

10

L2Li voegt toe: ‘betreffende deze N’, waarbij de datief voor ‘West’ wordt weggelaten.

11

Alleen B3Bo gebruikt de reflexieve datief na de imperatief.

12

Of ‘in’.

13

Variatie B3Bo: ‘is binnengegaan’.

14

De B4L-groep gebruikt ten onrechte de tweede persoon, zoals ook in de volgende zinnen.

15

B4L eindigt hier.

16

Dus B3Bo; B12C en B16C hebben ‘aan die vader van mij’, enz., zie bezwering 30, noot 12.

 371

 

O mijn vader N! U bent veredeld in het Huis van Sothis en gezoogd in het Huis van de Grote Stieren, zodat u de goddelijke staat kunt ontvangen in het Huis van de Witte Stier.
De Twee machtigen van magie reinigen u2.
Wanneer u spreekt en ‘schreeuwt’, wordt het voor u weggenomen, zodat u kunt doen wat u hebt gezegd.
Zie, Uwe Majesteit is gekomen, u hebt alle macht verworven en niets is door u achtergelaten op het Vuureiland.
U hebt uw lichaam gevuld met magie, u hebt uw dorst ermee gelest, zij die naar u uitkijken, beven ervoor!
Als een vogel hebt u3 het land overmeesterd met wat u weet, zoals degenen naar wie u bent afgedaald.
Schreeuw niet, want de afschuw van Osiris is een schreeuwer en hij zal nooit naar hem toegaan4.

Heil u, Osiris in Djedu, in uw waardigheid als Stier van het Westen.
Zie, N5 is in uw aanwezigheid.
Bevorder zijn positie, vestig zijn waardigheid, luister is zijn woord, ontdoe u van zijn klacht6, rechtvaardig hem tegen zijn vijanden, moge zijn arm sterk zijn in uw rechtbank, nu hij zich heeft afgescheiden van zijn metgezellen op aarde.
Machtig is Osiris, zullen de mensen daarover zeggen?
De hond die zijn meester dwarsboomt, wordt geslagen.
Ziet u, die vijand die zich onder mensen, goden en de bewoners van de necropolis bevindt, is gekomen?
Om uw huis te vernielen, uw poort te verwoesten en uw vijanden te laten juichen! over u die zich op het Vuureiland bevindt.
O Osiris, zie, die vijand die zich onder mensen en in de necropolis bevindt, is gekomen, zich bij Seth7 voegend.
Hij verstoorde uw vermoeidheid8, hij heeft gezegd dat uw wonden verborgen9 zijn, hij heeft gezegd, ‘Zwaar zijn de pijnen van uw lijden die u treffen.’ Moge uw ziel sterk zijn tegen hem, zie de anderen die opstandig van hart zijn, opdat zij uw macht tonen en uw majesteit bekendmaken.
Moge u uw vijanden10 breken en verslaan en hen11 onder uw sandalen plaatsen.

OM UITGESPROKEN12 TE WORDEN OVER EEN FIGUUR VAN DE VIJAND! GEMAAKT VAN WAS EN MET DE NAAM VAN DIE VIJAND OP ZIJN BORST GESCHREVEN MET HET BOT(?)13 VAN EEN SYNODONTIS VIS, OM IN DE GROND TE WORDEN GEPLAATST IN HETVERBLIJF VAN OSIRIS.14

1

Gedeeltelijk een alternatieve versie van bezwering 36.

2

De teksten van de B4L-groep voegen toe: ‘er is binnengebracht wat behoort tot het interieur van het grote heiligdom, de mysterieuze plaatsen, de plaats van de overtocht’. Vgl. I, 132 e.v

3

Een abrupte verandering van persoon in de tekst; bij het kopiëren van een origineel zoals 138a is de kopiist vergeten zijn voornaamwoorden in de tweede persoon te veranderen, passend bij de huidige context.

4

Variatie: ‘in zijn landhuis’. B3Bo laat 150c weg.

5

Variatie: ‘zie deze vader van mij’, enz., zie bezwering 30, noot 12. Voor de openingszinnen van dit gedeelte vervangt L2Li: ‘zo zegt het mooie Westen tegen N’, en eindigt.

6

Alleen in B3Bo en B2Bo.

7

Voor de naam Seth vervangt B16C de onbegrijpelijke omschrijving door de Buck, p. 144, noot 2.

8

B3Bo en B2Bo voegen toe: ‘voor Seth’.

9

Of ‘duurzaam’?

10

Of ‘duurzaam’?

11

De B4L-groep heeft: ‘moge je hem breken en omverwerpen, die vijand, enz.’

12

Deze rubriek komt alleen voor in B4L, B12C en B20C; in de laatste is hij bijna volledig verdwenen.

13

Een tot nu toe onbekend woord voor een deel van een vis; aangezien het gebruikt moet worden om op was te schrijven, zijn een scherp gepunt bot of een ruggengraat de enige mogelijkheden.

14

Vermoedelijk betekent dit dat de figuur in het stof moet worden gelegd om vertrapt te worden. Zie voor deze manier om vijandige wezens te vernietigen Bremner-Rhind 22,5; 23,5; 28,16; 29,14.

 381

 

Hij die zich in het rijk van de doden bevindt, zal vriendelijk zijn tegen een man.
De pas overleden zoon spreekt:
O jij van het Grote Gordijn, o jij van het Grote Westen, jij wezens van de Brede Hal2, ik spreek voor je.
Zie mijn vader, mijn dienaar, mijn beschermer, mijn kampioen, degene tot wie ik ben afgedaald, hij die zich in het Westen bevindt, hij die zich in het rijk van de doden bevindt3.
Hij heeft mij voor het Tribunaal aangekondigd, hij heeft gezegd dat jouw woorden mij zullen halen, want mijn dagen zijn ten einde in dit land van de levenden waar ik was.
Hij heeft gezegd dat ik zijn zetel mag overnemen en zijn waardigheid mag aannemen in dat heilige land waar hij is.

Heeft u gezegd dat ik naar u toe gebracht mag worden, zodat die vader van mij plaats aan mij kan afstaan, zodat ik zijn zetel kan erven en zijn waardigheid kan aannemen?
Zegt u dat ik u zijn woorden mag brengen?
De toespraak van de eerder overleden vader:
‘Hoewel hij uw verblijfplaats kent en op de hoogte is van alles wat u hebt gekloond, heb ik toch de kist van Sia gezien en weet ik wat erin zit4, ik heb scherpe messen gemaakt die de vijand in het Grote Huis zullen vernietigen, namens haar die in Kedemso is, zegt die vader van mij die zich in het dodenrijk bevindt.
De zoon spreekt:
“Zegt u dat ik naar dit heilige land gebracht moet worden waar u bent, uw zetel in het dodenrijk, zodat ik uw waardigheid kan erven?
Draag uw macht aan mij over! Dan kan ik uw ambt overnemen en zeggen, mijn macht is gelijk aan die van u.”

De vader spreekt:
“Mijn zoon is naar het Vuureiland gekomen om mij te storen, om het binnenste van de schemering te openen, om een ​​poort naar de onderwereld te maken, om de zetel van zijn vader in bezit te nemen, om zijn waardigheid te erven, om zijn macht te evenaren en om zijn ambten over te nemen, zodat zijn vijanden die op het Vuureiland zijn, over hem zullen juichen, zelfs zij die zich in het heilige land bevinden waar hij is, die zijn huis willen afbreken, zijn poort willen vernielen en zijn erfenis op aarde en op het Vuureiland willen plunderen, zo zegt mijn vader die in het Westen is.”

De zoon spreekt:
Goddelijke macht is over u in het Westen, in dit heilige land waar u zich bevindt.
U hebt uw ziel, uw macht is met u, want u hebt uw ziel van mij op aarde verlangd.
Zegt u dat ik inderdaad naar het heilige land ben gebracht waar u zich bevindt om uw huis te verwoesten, uw poort omver te werpen en uw erfdeel te plunderen!
Zodat uw vijanden zich over u zullen verheugen?
Zie, ik ben hier in dit land, uw zetel innemend en uw zwakheid bijeenbrengend.
Zie, ik …5 uw metgezellen, uw wezen opvoedend, uw poort versterkend, uw naam op aarde bestendigend in de monden van de levenden en uw deur en uw graf oprichtend bij uw trap.
Wees vriendelijk, wees goddelijk, wees goddelijk, in dit heilige land waar u bent, in uw ambt en in deze bezittingen van u in dit heilige! land waar u bent.
Toen ik in dit land van de levenden was, heb ik uw altaren gebouwd en uw aanroepingen en offers in uw dodenrijk, op het Vuureiland, gevestigd..
Ik hoorde het woord van de Wilskrachtige (?) op het Eiland der Levenden, tegenover de kleedkamer van de Zuiveren.
Ik zal niet vergaan, ik zal niet heengaan, ik zal niet sterven vanwege hen, ik zal niet plotseling sterven.
O, u Vriendelijken, wier taal niet bekend is, die in ere wordt gehouden, gebied mij dat ik op aarde blijf zoals ik wil (?), want ik ben iemand die zijn maaltijden eet in dit land der levenden6.

1

Voor een volledige bespreking van deze en de twee daaropvolgende spreuken, zie het artikel in JEA 48, 36 e.v.

Ze zijn opmerkelijk omdat de dode enerzijds verwacht dat zijn eerder overleden vader hem voor het dodentribunaal zal voorzitten en de vader daarmee instemt, maar anderzijds eist de zoon het recht op om zijn vader in het hiernamaals van zijn rang en waardigheid te beroven en deze voor zichzelf toe te eigenen.

2

De hier aangeroepen wezens zijn de rechters van de doden.

3

Al deze epitheta zijn van toepassing op de vader van de dode. Dit is de steeds terugkerende formule die wordt genoemd in bezwering 30, nr. 12; hier lijkt hij origineel en op zijn plaats.

4

De vader doet een beroep op de goden vanwege zijn dreigende verdrijving door zijn zoon; Sia was de vergoddelijkte intelligentie, en door de inhoud van zijn borst te kennen, wordt de vader zelf alwijs.

5

Een uitdrukking die ik niet kan vertalen.

6

Dat wil zeggen dat de overledene terugkeert naar de huidige wereld om de offers te nuttigen die bij zijn graf zijn gebracht.

 39

 

De matten van Thoth liggen neergelegd in het Huis van de Prins, dat zich in On bevindt, zo zeggen alle goden, Maät is in het Grote Paleis om de oergod te begroeten die superieur is aan de oergoden, die op hun buik liggen en groeten, nadat ze is teruggekeerd en naar het Vuureiland is gegaan.
Mijn dubbelganger is daar bij hen aangetroffen, levend tussen hen die op aarde hebben geleefd en die zich op het Vuureiland bevinden.
Uit de monden van degenen die rituelen uitvoeren is vernomen dat mijn vader, die in het Westen is, mij heeft opgewekt bij de voltooiing van mijn dagen in dit land van de levenden toen ik mijn eieren nog niet had uitgebroed,
voordat ik mijn leeftijd had bereikt, voordat ik het brood van mijn ‘voedster’ had gegeten, voordat ik mijn gepaste hoeveelheid melk had gedronken, voordat ik mijn huis van de levenden op het Vuureiland had ingericht.

Zegt u dat ik naar de plaats van mijn vader, mijn dienaar, mijn beschermer, mijn kampioen, degene naar wie ik ben afgedaald, zal worden gebracht?!
Ja, ik ken uw aard, ik heb uw verblijfplaats gezien.
Wat Hem betreft die mij ter wereld bracht, Hij heeft mij tot een lichaam van Zijn eigen vlees gemaakt, het zaad dat uit Zijn fallus voortkwam.
U hebt gezegd dat ik Zijn waardigheid zal ontvangen en Zijn zetel zal innemen, zodat Zijn vijanden over Hem zullen juichen wanneer Hij van het Vuureiland naar dat heilige land wordt gezien komen waar Hij is.

U hebt gezegd dat zijn verblijfplaats op het Vuureiland omvergeworpen zal worden.
Zie, aan mij behoort zijn hbnnt-brood dat op aarde is en de hnnfw-broden die gemaakt zijn(?).
Zie, ik zal handelen, zodat ik zijn zetel in het land van de levenden op het Vuureiland kan innemen, moge het niet op aarde vernietigd worden.
Ik heb het woord van de Wilskrachtige(?) gehoord op het Eiland van de Levenden, te midden van de kleedkamer van de Zuiveren, vanwege wie ik niet een langzame dood sterf, ik verga niet vanwege hen, ik verga niet plotseling.
Zie, mijn wezen is geschapen in dit land van de levenden vanwege wat geschapen is(?), daar zijn voor mij de offers aan de goden en de aanroepingsoffers aan de geesten gevestigd, want ik ben hun overlevende, ik ben het inderdaad die zal bestaan ​​in dit land van de levenden, mijn wil zal mijn ledematen scheppen.
Mijn vlees gehoorzaamt mij, het verheft mij, want ik ben de Oude.
Ik kom naar u toe, want ik heb u liefgehad, o u die zo ver weg bent, terwijl die vader van mij die in het Westen is, mijn beschermer is die in het Tribunaal van God is of het nu gaat om zijn ambt, zijn jaarlijks inkomen, zijn waardigheid, zijn zaken, of waar hij zich ook bevindt in het rijk van de leiding, in dat heilige land waar hij zich bevindt.
De vader spreekt:
Zolang ik in dit heilige land van de levenden ben, zal ik er zijn als uw beschermer die in het Tribunaal van de Mensen is.

 40

 

De zoon spreekt:
“Ik ben het die geschapen is, hij is geschapen en blijft in dit land zoals hij wil.
Er is geen getuigenis tegen mij, er is geen klacht tegen mij, ik heb geen leugen, ik heb geen oneerlijkheid, ik heb geen onrecht.
Ik heb geen vijand, ik heb geen aanklager, ik heb niets tegen hem gezonden, ik heb geen obstakel met kwade bedoelingen tegen hem ingelegd, zodat hij kwaad over mij zou spreken in het Tribunaal.
Ik ben de Oude en ik verafschuw de dood totdat ik oud ben geworden, totdat ik de gezegende staat bereik.
Mijn brood is in mijn hand en de erfenis die mijn vader had, zal mij niet worden afgenomen, want ik ben het die op zijn troon zit en Re heeft bevolen dat ik het leven ten einde breng! in dit land van de levenden, te midden van de gezegenden die voedseloffers verkrijgen, totdat ik naar u kom zoals ik heb verlangd.
Terwijl ik in dit land van de levenden was, bouwde ik een schuilplaats in het rijk van Re, uit angst dat hij het onrecht zou zien dat werd gekloond op het Vuureiland.
Ik ben de Oude die zijn gezegende staat heeft bereikt, ik groet mijn vader die in het Tribunaal is, naar wie ik ben afgedaald.
Zie1, er wordt gezegd dat ik naar u toe ben gebracht om bij u te zijn in dit heilige land waar u bent, er wordt inderdaad een woord tot u zelf gesproken om mij ertoe te brengen uw plaats in te nemen, zodat ik uw waardigheid mag ontvangen, zodat ik u kan verdrijven uit uw plaats in dit heilige land waar u bent en zodat de geesten die bij u zijn, tegen u kunnen spreken.
De zoon komt om zijn vader uit zijn plaats en zijn waardigheid te verdrijven […] nadat hij […] heeft bevolen totdat ik oud word, [totdat ik] naar u kom, want ik heb de zeer verre zielen lief.
Zie, u bent in dit land tevreden als mijn beschermer die in [het Tribunaal van de God] is.”

De Vader spreekt:

“Zie, ik ben hier als [uw] spreker die in het Tribunaal der Mensen is, ik vestig uw baken, ik verzamel uw zwakheid […] zodat de geesten die uw gelijken zijn over u kunnen zeggen […] het rijk van de doden […].
Uw beeld is voor u op aarde gemaakt, uw metgezellen hebben bevelen gegeven! naar(?) het land voor u, uw poort is voor u versterkt door middel van wat ik heb gekloond, ik ben […] de gezegende staat.
U bent hier in dit heilige land waarin u bent door mijn spreker die in het Tribunaal van de [God] is.”

De Zoon spreekt:

“Voorwaar, ik ben hier in dit land van de levenden [door] uw [spreker] die in het Tribunaal der Mensen is totdat ik bij u kom, want ik heb de zeer verre zielen lief.
[Hinder?] of verzet u niet […] toen ik mijn jongen nog niet had grootgebracht, toen ik mijn eieren nog niet had uitgebroed, toen ik het merg nog niet had uitgeperst van [. . .] op het Vuureiland [. . .] zijn geesten die namens mij spreken, die namens mij zijn gezonden, ik ben de Oude, DE GELIJKE VAN [ •.]”2

1

De exacte woorden die de zoon tegen zijn vader sprak.

2

In het rood geschreven. (Zie PDF)

 41

 

Nu […] Ik neem [uw zetel]1 in die op aarde is, Ik breng uw [wezen] groot, Ik versterk uw poort, Ik richt uw [deuren .. .Ik] bouw [uw altaren], Ik vestig [uw] gezangoffers [van brood en bier], runderen en gevogelte […] uw huis dat op het Eiland [van Vuur] is.

1

Voor de restauraties zie de aantekeningen van de Buck. Deze bezwering is vergelijkbaar met de bezweringen 38-40.

 42 431

 

AAN, help je dubbelganger zodat het2 daar blij mee kan zijn.
Jij bent de oudste zoon van Geb, zijn eerstgeborene en de Negen Goden hebben je vijanden onder je geplaatst.
Hij3 heeft gezegd:
“Hij (leeft) langer dan ik in deze naam van hem, van Osiris.
Horus heeft ervoor gezorgd dat jouw magie groter is dan de zijne in deze naam van jou, van Groot van Magie.
Horus heeft je omhoog gedragen in de hnw-bark4, hij heeft je verheven tot Sokar, want hij is deze zoon die mijn (sic) vader heeft verheven.
Wees machtig5 in het Hn-water als deze Horus, je zult er kracht doorheen hebben zodat je jezelf kunt beschermen tegen je vijanden.
Ho N! Het Witte Kroon Oog van Horus6 gaat omhoog vanuit je hoofd7.
Horus heeft je zijn Oog gegeven en het Chemmis-kroonoog van Horus gaat omhoog vanuit je hoofd en je verschijnt als Koning van Boven- en Beneden-Egypte.
O N, moge je machtig zijn en je vijanden verpletteren.

O Thoth8, wees vriendelijk tegen de koning van Boven- en Beneden-Egypte.
Moge jij9 machtig zijn en je vijanden verpletteren, moge je vrede hebben, heeft Osiris je gegeven zodat je er tevreden mee kunt zijn?
Horus heeft je zijn Oog gegeven zodat je ermee kunt zien.
Jij bent de grote god, Heer van Abydos10, die de gezegenden voor zichzelf regeert11, aan wie eer wordt verleend op het Vuureiland, aan wie de heerschappij over het heilige land is gegeven, Thoth die hem de tronen van Geb heeft gegeven, terwijl Horus erfgenaam is.
Horus is bezig met de rechtvaardiging van zijn vader N12, moge hij tevreden zijn, tevreden! O Osiris, zoon van Noet, Stier van het Westen, Voornaamste van de Grote Enneade.
Ho N! Ik heb je respect gegeven als Horus van de goden en de bewoners van de onderwereld hebben ontzag voor je, ik heb je scepter geplaatst onder hen die… op aarde, ik heb de vrees voor je gelegd bij de slechtgezinden.
Ho N! De patriciërs en het plebs komen neergebogen naar je toe en het zonnevolk kruipend en zij zien N gerechtvaardigd13.
O Osiris die op zijn vijanden schiet, voor wie in de hemel lof wordt gezwaaid, het zijn de Onvermoeibare Sterren die N’s kracht zullen zien wanneer hij als de god zelf die daar is, de aarde ingaat14.

1

Deze spreuken lijken oorspronkelijk een eenheid te zijn geweest, ze wekken de indruk dat ze fysiek zijn overgenomen uit de kroningsrituelen, met enige latere aanpassingen voor begrafenisdoeleinden. In ieder geval wordt de overledene onmiskenbaar bevorderd tot koninklijke rang.

2

Voor ‘het’ heeft B2Bo ‘jij’.

3

Geb.

4

De bark van Sokar.

5

Optatief oud perfectief 2e persoon enkelvoud.

6

Let op de schrijfwijze van ‘Horus’ in B2Bo.

7

D.w.z. torent op het hoofd van de koning; beide kronen zijn hoog.

8

Bezwering 43 begint hier.

9

Het feit dat het voornaamwoord van geslacht verandert, laat zien dat de overledene als koning wordt beschouwd, ongeacht of het een man of een vrouw is.

10

De overledene als koning wordt geïdentificeerd met Osiris, de belichaming van het koningschap.

11

B2Bo laat weg.

12

De naam van de overledene is hier waarschijnlijk niet op zijn plaats.

13

B2Bo laat weg.

14

Dus B2Bo; B3Bo vervangt dit door ‘haar vijanden zijn gevallen’.

 44

 

De deuren van de hemel worden geopend vanwege uw goedheid1, moge u opstijgen en Hathor zien, moge uw klacht worden weggenomen2, moge uw zonde worden uitgewist door degenen die op de dag van de afrekening de karakters wegen, moge het u worden toegestaan ​​u te voegen bij degenen die in de Bark zijn door degenen die in de Suite3 zijn, zij die geestachtig4 zijn gemaakt met een glans5 zoals Re, verschijnen als de Eenzame Ster.
Het leven is van u, er zal [water voor] u zijn, zodat het goed met uw ledematen mag gaan.
Waak over uw lijk, want u zult niet worden tegengehouden door de … die in … zijn, moge uw ziel een hart hebben, zodat het zich uw lijk kan herinneren, zodat het het ei dat u schept, gelukkig kan maken6.

Begeef je naar mij, kom dichterbij, blijf niet ver van je graf, keer je tot mij, want ik ben je zoon, o jij die zo slaperig en doodmoe bent7, die zijn vader, Heer van het Westen, begroef.
Mogen Isis en Nephthys jou begunstigen wanneer je verschijnt8 in de kroon, Machtig van magie, wrijf, zodat je de koorden rood kunt maken, want je hoofd behoort toe aan de Meesteres van Imet.

Jouw belemmering zal door Hathor worden weggenomen, want jij bent de zoon van Geb.
De aarde wordt voor jou verlicht, de hemel schittert voor jou, de Ouden die aan de horizon staan, zullen naar je toe komen en de Groten zullen hun armen naar je toe buigen en zeggen:
Hekes! Hephep! Moge je zuidwaarts varen in de Nachtboot en noordwaarts in de Dagboot, moge je je ziel herkennen in de hoge hemel, terwijl je vlees, je lijk, in On is.
Moge Nephthys je gunstig gezind zijn, moge zij je roep vervullen zoals haar roep, moge zij de angst voor jou in de geesten brengen zoals wanneer Re opstijgt uit de Dubbele Poorten9.
Oho Nt-kroon! Oho in-kroon! Oho Machtig-van-magie! Oho Vurige Slang!, zelfs jij die N vormde en uit wie hij is voortgekomen – en vice versa.
Ho N! De Slangengodin heeft je thuis, de Grote Godin heeft je gevormd.

Ho N! Sta op en ga zitten bij je duizend broden, je duizend bier, je duizend ossen en gevogelte, zodat je blij kunt zijn en degene die je kwaad heeft gedaan, zich zorgen kan maken.
Sta op, zodat je Maät kunt zien, zie ze is voor je als de dagelijkse zonsopgang.

Ho N! Ga naar beneden en baad met Re in de lotusbassins(?), trek het schone gewaad aan op de schuilplaats met hem die in zijn lijkwade leeft.
Moge N omringd worden door Orion, door Sothis en door de Morgenster, mogen ze je in de armen van je moeder Noet plaatsen, mogen ze je redden van de woede van de doden die met hun hoofd naar beneden gaan, want jij bent er niet bij en [jij] zult er niet bij zijn, je zult niet afdalen naar de slachting van de eerste van het decennium te midden van hen die lijden onder de klaagzangen van het Westen.
Ik vecht voor je met deze staf van mij, want ik ben je zoon, o jij die zo slaperig en enorm vermoeid bent, ja, je erfgenaam die onder de goden is.
Ho N! Je bent levend heengegaan, je bent niet dood heengegaan.

U bent verschenen als Heer van het Westen, nadat u over de Egyptenaren op aarde hebt geregeerd.
Sta op tot leven, want u bent niet gestorven10.
Richt u op uw linkerzij, plaats u op uw rechterzij, ontvang deze waardigheid die uw vader Geb u heeft gegeven.
Hathor heeft u kleding gegeven, neem uw toevlucht tot mij, kom dichter bij mij, blijf niet ver van mij <in>11 uw graf, keer u tot mij, want ik ben uw zoon Horus12 en ik sluit u in de armen van uw moeder Noet – moge u eeuwig leven!13

1

Of ‘schoonheid’.

2

B12C heeft ten onrechte nDr ‘grijpen’ in plaats van dr ‘verwijderen’.

3

Van Re.

4

Kennelijk oude perfectieve derde persoon meervoud, wat zou moeten verwijzen naar de Suite. %At van B12C is zeker een verbastering.

5

Letterlijk ‘gieten’ (van water). Zie voor rituele reiniging de artikelen van Blackman in JEA 5,117 e.v. 148 e.v.

6

Een toespeling op de ziel die het lichaam opnieuw bezoekt en de daaruit voortvloeiende wedergeboorte na de dood?

7

B12C lijkt de beste tekst te hebben. De toespeling is kennelijk op de dode man.

8

Variatie B13C: ‘verheug je’.

9

Variatie ‘in het oosten van de hemel’.

10

B12C en B13C voegen hier, nogal tautologisch, toe: ‘wek jezelf tot leven, want je bent niet gestorven’.

11

Een voorzetsel, waarschijnlijk m, is in alle teksten weggelaten vóór is.k.

12

B1OC laat ‘Horus’ weg.

13

Deze koninklijke toeschrijving, die de bezwering afsluit, suggereert dat deze oorspronkelijk geschreven is voor een koningsbegrafenis.

 45

 

Val en beef1 aan de oostelijke horizon2, toon3 de paden in de heilige plaatsen aan N, hij verschenen! als Re en verheven als Atum.
Hathor heeft hem gezalfd, zij heeft hem dagelijks leven gegeven in het Westen4 zoals Re.
Ho N! Er is geen god of godin die woede op u zal uiten op de dag des oordeels in de aanwezigheid van de Grote, de Heer van het Westen5.
Moge je brood eten van de altaren van Re, samen met de Groten die in de Poorten6 zijn.
Ik open uw pad! en velde uw vijand voor u, ik sneed voor u zijn bondgenoten af ​​die tegen u opkomen, tegen uw maaltijden en tegen uw waardigheden.
Ik heb mijn hand naar je uitgestrekt op de dag waarop jouw dubbelganger en jouw ziel te ruste gingen.
Ik open de paden, (zelfs Ik) de erfgenaam van de Twee7, de zoon van Osiris.

O N, moge je gerechtvaardigd worden door je bescherming8, want de macht van Isis is je kracht, zie, je bent meer geest- en zielachtig dan de zuidelijke of noordelijke goden.
De Groten die aan de horizon verschijnen, de Volgelingen van de Heer van Allen verheugen zich, de bemanningen en dienaren van de Bark zijn blij en zij die aan de horizon verschijnen zijn gelukkig wanneer ze je in deze waardigheid van jou zien9.
Je vader Geb heeft je geholpen, hij heeft je vijanden die tegen je in opstand kwamen in de werkplaats van de balsemster geplaatst, Anubis maakt je geur zoet voor je zetel, in de Heilige Hut10 geeft hij je wierook te allen tijde en daar is geen aftrek van tijdens het feest van de Nieuwe Maan.
Ze11 redden je van de mstyw, de boodschappers van de mysterieuze executieplaats.
Je bent verschenen aan de boeg van de Bark?
En je hebt autoriteit over de stuurboordzijde.
Niemand heeft macht over je ziel, niemand neemt je hart af, niemand laat je afdalen in de Grote Leegte te midden van hen die godslastering12 plegen, wanneer is het wangedrag (?) van hem die het doet (?) gebroken?
Je zult niet naar degenen worden gebracht die op de executieplaats zijn.
Je bent de zoon van de koning, de erfgenaam, je ziel13 zal inderdaad bestaan, zodat je hart bij je mag zijn en Anubis je in Djedu mag herinneren.
Moge je ziel zich verheugen in Abydos en je lijk dat zich op het woestijnplateau14 bevindt, blij zijn, moge de gebalsemde15 zich verheugen waar hij ook is.
Moge je onderzocht en heel gemaakt worden in deze mummie van jou die in mijn aanwezigheid is!16
Moge Anubis blij zijn met wat zich onder zijn handen bevindt, moge hij die de Heilige Hut voorzit blij zijn wanneer hij deze goede god ziet, heer van hen die bestaan, heerser van hen die niet bestaan.17
Ik ben uw zoon Horus18, ik heb u in het Tribunaal gerechtvaardigd.
Re heeft mij bevolen u uw hoofd te geven, zodat uw ruggengraat voor u veilig kan worden gemaakt en uw vijanden voor u kunnen worden geveld.
Ik ben uw zoon19, uw zoölogische nakomeling op aarde20, alle goden hebben zich verzameld en allen die op aarde zijn, zijn gekomen om u te volgen21, om u te aanbidden.
Ik ben de sJ-mrf priester22, de luisteraar die hoort; ik ben uw zoon en ik wou dat u elke dag gezien werd!

1

Kennelijk bevelen gericht aan de bewoners van het Hiernamaals door de dienstdoende priester.

2

B13C voegt toe: ‘van de hemel’.

3

De verschillende geschriften van sr suggereren hier dat de schrijvers twijfelden over de betekenis; ‘voorspellen’ slaat nergens op.

4

B1Y laat ‘het Westen’ en ‘dagelijks’ weg.

5

Een duidelijke verwijzing naar het Laatste Oordeel.

6

Mogelijk de bewakers van de poorten van de Onderwereld.

7

De ‘Twee’ zijn waarschijnlijk Osiris en Seth en de ‘erfgenaam’ is de ambtenaar in zijn rol als Horus, zoon van Isis.

8

Dus B1OC; B10C en B12C hebben: ‘O jij hebt N gerechtvaardigd, ik heb mijn wapens ter bescherming van jou opgesteld’: voor ‘mijn wapens’ leest B1Y ‘magie’.

9

Variatie B10C en B1Y: ‘wanneer zij je zien komen in deze waardigheid van jou’.

10

Een toespeling op het balsemen van de overledene.

11

Vermoedelijk Geb en Anubis.

12

Letterlijk: ‘die God beschimpen (of ruzie met Hem maken)’.

13

Variant B12C: ‘uw zoon’, een schrijffout.

14

Dat wil zeggen: dat deel van de woestijn waar graven werden gegraven, vgl. GNS 30.

15

Dus niet ‘balsemer’; de tekst verwijst naar de overledene.

16

De begrafenispriester spreekt de mummie van de overledene toe, over wie hij de begrafenisrituelen uitvoert.

17

Deze hoogdravende epitheta verwijzen naar de overledene, die in handen is gekomen van Anubis van de Heilige Hut voor balseming.

18

De begrafenispriester die Horus imiteert, spreekt.

19

Drie teksten laten ‘uw zoon’ weg.

20

Variant B10C: ‘Ik ben uw nakomeling die u overleefd heeft’

21

Mogelijk een toespeling op de begrafenisstoet.

22

D.w.z. de voornaamste voorganger bij de plechtigheid; ofwel de zoon van de overledene, ofwel zijn vertegenwoordiger. Variatie B10C: ‘Ik ben uw zoon’.

 46

 

De volgelingen van de Heer van de Horizon verheugen zich1, zij die in de Bark zijn, zijn blij wanneer ze jou zien komen, gekroond als Horus, Beschermer van zijn vader, de nakomeling van zijn vader Osiris, aan wie ik op deze gelukkige dag2 rechtvaardiging heb gegeven aangaande zijn vijanden.
Ik ben degene die de jonge god voor altijd3 verlicht, ik breng hem de bries van de noordenwind, ik heb de Waarheid op zijn voorhoofd gelegd voor hem zoals Atum, ik heb hem aangesteld als Heer der Goden, ik heb met hem gesproken in de aanwezigheid van Thoth, ik heb vreugde in zijn hart gebracht en in het hart van Re(?)! wanneer hij mijn vader tot mij ziet spreken.4

1

Alle teksten zijn tot op zekere hoogte corrupt; B1Y is de meest betrouwbare.

2

B10Cb en B1Y laten ‘gelukkig’ weg; B10Ce laat de hele zin weg; B12C, B16C en B17C voegen onnodig toe: ‘wat ik die dag voor hem deed’.

3

‘Ik’ verwijst vermoedelijk weer naar de voorganger. B12C, B16C en B17C lezen: ‘de jonge god, Heer der Eeuwigheid’.

4

Drie teksten laten de laatste datief ‘aan mij’ weg.

 47

 

Hoe goed is het1 dat mijn vader brood en bier uit mijn hand ontvangt2, want hij heeft geen tegenstanders onder de goden!
Ho N! Ik heb je deze offers gegeven die Hathor, Vrouwe van Punt, je3 heeft gegeven, zij4 geeft je mirre in het Grote Huis te midden van hen die in de Schors van Vlees gaan.
U bent verschenen als Heer van het Westen, aan het hoofd van alle goden.
Offergaven worden aan u gebracht, net als aan Re.
Hij die de Heilige Hut voorzit, reinigt u en u stijgt op naar de hemel op de dag van het Zesde-dagfeest.
De horizon beeft voor u, net als bij Re.
Uw karakter wordt geprezen aan het Hof5, in aanwezigheid van de Potentaat6.
De goden juichen je toe wanneer je bij de begrafenis aankomt, de westerlingen7 spreken je lovend toe, zoals wanneer ze zien hoe deze god8 het bedenkt.9
Isis verheugt zich wanneer ze je ziet, ze is blij wanneer ze je verschijningen ziet, want je bent prachtig en opnieuw gemaakt zoals Re!
Je bent verschenen als Horus van de verre wezens.
Sta op, verhef jezelf tot leven, want je bent niet gestorven.
Ho N! Jij bent mijn10 vader en ik ben jouw zoon.
Wat betreft welke god, welke geest of welke dode persoon11 dan ook die zich tegen deze waardigheden van jou verzet, zij zullen… in de confederatie zijn van! Hem die gevaarlijk is.
O Thoth, zet je hand tegen hen en je mes in hen, drijf hen terug naar de wegen die… behoren tot de bezitters van gaven, mogen zij die in de onderwereld zijn hen vernietigen… onder de kwaaddoeners.
Deze god die aan de horizon is ontwaakt, hem wordt geprezen in de Twee Conclaven, de Volgelingen verschijnen!
“Binnen de Bark,” trekken de westerlingen aan hun touwen.
Ruim is je zetel binnen de Schijf, je weegt in de weegschaal zoals Thoth, je karakter wordt door Hem die in zijn Schijf is herkend als dat van een god die in zijn aanwezigheid is.
Je eet brood in het Hof, maaltijden worden je als Re gegeven door degenen die verantwoordelijk zijn voor de vestigingen van On, je hebt je hart en het zal niet gestolen worden door degenen die zich op de paden bevinden.
Ontvang offergaven in Djedu, moge je kwaad gezuiverd worden in Ninsu, moge Thoth je veredelen met zijn schoonheid, moge Wnwt je hoofd sterk maken, moge je een scepter ontvangen in de Bark van de Nacht, moge de wegen van de Heer van Alles je getoond worden.
Ho N! Verhef jezelf tot leven voor altijd.

1

De spreker is de zoon van de overledene en treedt op als begrafenispriester.

2

Variatie: ‘dit brood van mij’; ‘bier’ alleen in B10Cb.

3

B12C luidt: ‘deze offers die Hathor mij voor u gaf toen hij zijn vader zag spreken <tot> de Vrouwe van Punt’, een zinloze uitwerking van een volkomen duidelijke bewering.

4

B16C: ‘hij’; wederom verwarring van persoonlijke voornaamwoorden.

5

Variatie: B16C: ‘de horizon’.

6

Vermoedelijk Atoem of Re als voorzitter van het goddelijke tribunaal.

7

Variatie ’ter lof’.

8

Variatie ‘de god’, zonder aanwijzend voornaamwoord.

9

Vermoedelijk de komst van de overledene naar het Hiernamaals.

10

B12C, B16C en B17C hebben ‘zijn/mijn vader’, wederom een ​​voorbeeld van verwarde voornaamwoorden.

11

B10Cb heeft minder goed het meervoud ‘geesten’ en laat ‘iedere dode persoon’ weg.

12

B12C laat het laatste woord weg en B16C heeft Smsw ‘Volgers’ verkeerd geschreven.

13

D.w.z. om de zonneboot te slepen.

14

B1Y: ‘jouw schoonheid’.

15

De oude haasgodin van Hermopolis, vgl. Sethe, Amun, §§ 68 e.v.

 48

 

Heil aan jou, N! is wat Isis, Vrouwe van de Woestijnen, zegt.
Wees vooraanstaand in de Heilige Cabine, want zij spreekt uw goede naam uit in de Bark op de dag van de afrekening van de karakters.
Moge jij de hemel doorkruisen als iemand die op zijn troon zit en het hart betreden van hem die jou wil buitensluiten.
Je hebt je hart en het zal niet gegrepen worden door degenen die in strijd zijn.1
Ga naar beneden en baad in de lotustank, de Chaos-goden zullen je met hun handen oprichten, de onvergankelijke Sterren zullen bang voor je zijn, degenen die op hun stoelen zitten zullen naar je toe komen, Re zal je aanbidden (sic!) wanneer hij opstaat2 en toejuichingen zullen je in de Dubbele Poorten worden gegeven door degenen die in Rostau3 zijn.
Ho N! Verhef uzelf ten leven, want u bent niet gestorven.
Wat betreft hem die zich zal verzetten tegen de maaltijd van Hathor of die zich zal verzetten tegen hetgeen ik vandaag voor Non heb vastgelegd, namelijk een gunst die Geb aan zijn zoon N schenkt, neem (. .) want zuiverheid is van de koning en ik ben je zoon en erfgenaam.4

1

Variant B12C: ‘door hen die rovers zijn’; B17C is een verbastering.

2

B12C en B17C voegen toe: ‘aan de oostelijke horizon’.

3

Naam van de necropolis van Memphis, later veralgemeend als term voor de andere wereld.

4

B17C voegt in het rood toe: ‘Een gezegende is N.’

 49

 

Vallen en trillen aan de oostelijke horizon vanwege een geluid van rouw1 op de Grote Plaats, Isis kreunde enorm en Nephthys huilde om deze god, Heer van de goden2, omdat er een samenzwering was om hem op de Grote Plaats te zien door hem die hem kwaad zou doen, veranderde hij zichzelf in een luis en kroop3 onder zijn4 flank.
Wees waakzaam, jullie die op de Pure Plaats zijn!
Pas op, jullie die op de Grote Plaats zijn!
Kijk, de god zelf is bang voor de bozen…
Steek een fakkel aan, jullie bewakers van de kamers, jullie goden die in duisternis verkeren, zet je bescherming rond je heer, verdeel de uren5 voor de Heer van de Witte Kroon tot Horus6 komt van On, (zelfs hij) aan wie de grote kronen zijn gegeven.
De scepter van Hem die op de plaats van balseming is, verschijnt, de Bewakers van de Kamers zijn blij, de Groten hebben hun luipaardhuiden ontvangen, de staven staan ​​voor de Grote Plaats, want het is Anubis die in vrede komt, nadat hij als Vizier is verschenen.
Hij zegt:
Bewaak jezelf, jullie wiens gezichten… zijn, die de Zuivere Plaats zien, die in de navolging komen!’ van de Boze, die de uitgelezen plaatsen betreden(?), die hun adem7 creëren(?) <voor hem>, die de dagelijkse offers voorbereiden voor deze grote god, de Heer der goden, die de ncw-slangen wakker maken vanwege hun heren.
Ga, houd standvastig in het kasteel de grote …8 binnen de. . . vanwege deze god die in de tegenwoordigheid is, opdat hij angst mag zaaien in zijn kasteel, zegt Anubis.
Er is geen geluk in de harten van degenen die in de Aanwezigheid zijn.
Wat er in hun hart wordt gezegd: Er is hem in zijn kasteel letsel toegebracht door hem die hem kwaad wilde doen.
Grijp de Boze9 die in duisternis verkeert, voer het vonnis uit over zijn bondgenoten en het hart van Hem die de Heilige Loof presideert zal blij zijn als hij de vreugde ziet op de Grote Plaats door Isis, Vrouwe van de Woestijnen.
Zo zei Anubis tegen Osiris: Ontwaak tot leven, observeer uw troonsbestijging en voer het vonnis uit aan hem die u kwaad heeft gedaan.10

1

Voor ‘een geluid van rouw’, twee teksten hebben ‘grote rouw’.

2

Variatie: ‘deze oudste god, de Heer der goden’; vermoedelijk wordt Osiris bedoeld. B16C laat de woorden na ‘wenen’ weg; B10Cc en B17C zijn corrupt.

3

Een woord dat nergens anders voorkomt.

4

Het voornaamwoord verwijst naar de god tegen wie de luis kwade bedoelingen heeft.

5

D.w.z. een uurlijkse wacht instellen, verdeeld over de beschermgoden.

6

Variatie: B12C, B16C en B17C: ‘de Grote’.

7

Of ‘waaiers’.

8

Onbegrijpelijk en vrijwel zeker corrupt in alle teksten.

9

Variatie: B12C: ‘de rebel’; B16C en B17C zijn wederom corrupt.

10

Zie de noot 221 van de Buck, noot 6*. De zinnen op p. 222 zijn niet vertaald.

 50

 

De hemel is opgeklaard, juichen de Horizonbewoners, wanneer Re opstaat uit de Dubbele Poorten.
De Volgelingen1 hebben hun handen aan de Chaosgoden gegeven.
Horus, de Beschermer van zijn vader, is blij, de paden naar de poorten zijn vrijgemaakt.
Anubis is in zijn kasteel in dienst van de Heilige Hut2, hij legt zijn handen op de Heer der goden, die verheugd is over zijn verschijningen op de tronen van Geb3 en die geprezen wordt in Djedu.
Horus, de uitblinker in Khem, verheugt zich over Osiris Onnophris die veilig in het Westen is aangekomen met alle goden in zijn gevolg.
Zie, je staat aan de boeg van de Bark, en een troon in het heiligdom is je gegeven, zie, je bent de koning van de hemel.4

Zij die op hun tronen zitten zullen komen!
Tot jou, want jij bent het die over hen heerst, aan jou behoort één van de twee Chaosgoden5, aan jouw dubbelganger behoren de rijkdommen in Ninsu, jouw ziel is gevestigd in Djedu6, magie en bescherming zijn om je heen verweven in de Heilige Hut, jouw waardigheid is in het Huis van de Tweelingzielen.7 Opnieuw8 verschijn je, je kwaad is gezuiverd en je wordt geprezen in het rijk der doden door hen die zich in het Offerveld bevinden, begeef je niet op de wegen van de Messendragers.
De stemmen van hen die zich zouden verzetten, worden verheven, maar hij die in de Schijf is, groet je, zelfs hij die heerschappij uitoefent onder de goden.
Zal ik hier alleen zijn??
Is mijn vader hier bij me??
Is er iemand die zijn broer wil meenemen na het Grote Aanmeren?9
Kijk, Seth is in zijn eigen gedaante gekomen en heeft gezegd, ik zal het lichaam van de god angst aanjagen, ik zal hem verwonden, ik zal hem afslachten.10
Aldus heeft Atum gezegd:
Ontwaak, o Anubis, Heer van Rokeret, vanwege deze god, zoon van de Heer der goden!
Isis heeft haar armen om u heen geslagen zoals ze dat deed voor de Heer van Allen.
Ontwaak, jullie paden! Sta vroeg op, jullie poorten!
De god verschijnt om de edelen te zien die lof brengen in de Heilige Hut, die de god aanschouwen die de rebel verdrijft en die degenen die zeiden hem bang te maken, voor zichzelf opsluit.
De volgelingen in het schip van de Nachtboot verheugen zich, de Oudere Horus is in vreugde, de kronen worden getoond in Pe en Dep wanneer de goden die aan de horizon zijn komen, zij verdrijven de makers van oproer en de kwaaddoeners naar deze god.
Ik ben de zoon van uw zoon, zaad van uw zaad.
O god die oordeelde tussen de strijders, die ik op deze grote hoogte heb geplaatst, zegt de Heer van de Enneade.
Hij heeft mij in de Schijf onderwezen, zodat ik u eer kan bewijzen en uw vijanden voor u kan vellen.
Ho N! Sta op, richt u op, zodat ik u kan zien.
Ik ben Thoth, [zoon van uw] zoon, de god die oordeelde tussen de strijders, houd u niet van mij af.
Ik ben Thoth, zoon van uw zoon, zaad van uw zaad, ik heb u in de Schijf onderwezen, zodat ik u geestachtig kan maken en uw vijanden voor u kan vellen, die in het slachthuis van Khemennu zijn geworpen.

1

Vermoedelijk van Re.

2

D.w.z. zijn balsemingshandelingen op Osiris.

3

Deze epitheton verwijst vermoedelijk naar de ‘Heer der goden’. B16C en B17C zijn corrupt.

4

Dus B10C, vermoedelijk gericht aan Osiris; de B12C-groep heeft: ‘O Osiris N, zie, uw zoon is aan de boeg van de Bark, en een troon in het heiligdom is hem gegeven; zie, u bent koning van de onderwereld’. Het is moeilijk te bepalen welke lezing beter is.

5

Letterlijk ‘een Chaosgod van de twee Chaosgoden’.

6

Aangezien de tekst over Osiris gaat, is ‘Djedu’ van de B12C-groep waarschijnlijker correct dan ‘Djedet’ van B10C.

7

Dus B10C; B12C laat ‘huis’ weg en B16C en B17C zijn corrupt. Over de tweelingzielen in Djedu, zie CT IV, 267 e.v.

8

B10C laat ‘opnieuw’ weg.

9

D.w.z. dood; misschien meer specifiek de dood van Osiris.

10

Letterlijk: ‘Ik zal zijn slachting bewerkstelligen’

51

 

Kreun voor de koning, want Geb heeft geen andere zoon1, er is geen opvolger, want zijn broer2 heeft hem onrecht aangedaan en hij verkeert3 in voortdurende ellende in zijn handen.
Ontwaak tot leven4, o N, want je bent niet gestorven!
Hef je hart op en zie de patriciërs, opdat je geprezen mag worden in de Twee Conclaven.
Verhef u van uw linkerzijde, ga op uw rechterzijde zitten en geniet van de briesjes van de rivieroever, eet brood met de levenden en reis in vrede naar het prachtige westen.
De westelijke woestijnen aanbidden u, verheugen zich u te ontmoeten en zeggen tegen u:
Welkom, o N, want u bent Heer van het westen!5
Ik ben blij vanwege u dat u zo vrolijk bent.6
Re verschijnt in het oosten van de hemel en hij ziet de schoonheid van uw schip7, jubel is in zijn boeg en achtersteven8 en de goden die zich daarin bevinden, zijn in vreugde wanneer ze deze grote god zien, de zoon van Geb, die zijn moeder Noet baarde.9
Ho N!! De leden van de Twee Conclaven in On zullen voor je knielen, de goden zullen naar je toe komen en zich met hun gezicht naar de aarde buigen uit angst voor jou in de armen van het Gelukkige Jaar10, wanneer je verschijnt als Re, Heer van de Horizon.
Horus, zoon van Osiris, staat op11, hij schept(?) de Sistrum-speler met gezag(?)12.
Je zult leven, o Heer van het Westen, jij zoon van Harakhti, Stier van zijn moeder Noet.
Ontwaak tot leven, want je bent niet gestorven!
Zie de patriciërs vroeg, want je bent verheven als heerser van de horizon, je zult leven ontvangen van Anubis, want je bent verheven in de Heilige Hut.
Begeef je naar mij, stijg op naar mij, blijf niet ver van mij, want Anubis is blij(?), Khnum is blij(?) daardoor(?).

1

Dit moet oorspronkelijk een koninklijke begrafenistekst zijn geweest. De afwijkingen van B17C vanaf nu zullen normaal gesproken niet worden opgemerkt.

2

Na ‘zijn broer’ heeft B10Cc mogelijk ‘die jonger is dan hij’ toegevoegd, maar de lezing is twijfelachtig.

3

Variatie: ‘Ik ben’, maar de eerste persoon lijkt hier ondergeschikt te zijn. De overledene wordt in 233e in de tweede persoon aangesproken.

4

Hortatief oud perfectief, behalve in B10Cc, dat de imperatief bevat.

5

Variatie: B10Cb: ‘Welkom, want u bent N’; B10Cc: ‘u bent N, Heer van het Westen’.

6

De spreker is mogelijk de begrafenispriester die Horus imiteert.

7

De begrafenisboot die de doden naar de necropolis vervoert?

8

B17C stopt hier.

9

Zo ook B10C; De B12C-groep heeft ten onrechte ‘mijn moeder’.

10

Gepersonifieerd als een beschermende godin.

11

B16C heeft deze clausule volledig verknoeid.

12

Variatie B10Cc: ‘met jubel’.

 52

 

O jullie goden, kom met deze verwanten van mij, wees waakzaam met betrekking tot deze god die onbewust1 is, maak voor hem de tevredenheid(?) van Re, spreek zijn naam uit in2 de Grote Hal, zodat degenen die in het Gevolg3 zijn, blij mogen zijn.
Oho! Oho! zeggen de blije en de bedroefde.
Zal ik mijn wapens, die op mij rusten, over deze god, de Heer der goden, leggen en gekreun en geschreeuw in de Grote Hal laten klinken vanwege deze Vernietiger die is binnengekomen?
Hij heeft tegen4 deze god opgetreden om de goden in de Zuivere Plaats bang te maken.
Ga weg, jij monster! Zie, de Zuivere Plaats wordt bewaakt.

1

Letterlijk: ‘die zichzelf niet kent’, vgl. Sin. B253; Sh. S. 76; hier een eufemisme voor ‘dood’.

2

Voor m van B10C hebben de andere teksten de minder geschikte tp.

3

Van Re of Osiris? Waarschijnlijk eerder de eerste.

4

Letterlijk: ‘hij heeft gebeurtenissen tegen hem veroorzaakt’.

  53

 

Ontwaak tot het leven; zie, de aarde is helder!
Nephthys heeft u begunstigd, u wordt dagelijks vernieuwd1 in de nacht2, terwijl u bent met de Onvermoeibare Sterren, de goden die in de hemel zijn, die voor eeuwig en altijd als3 volgelingen van uw schip zijn aangesteld.
Anubis is daarmee tevreden(?), Khnum is daarmee tevreden(?).
De hemel is in licht(?)4, de aarde juicht en alle goden zijn blij5 wanneer N in vrede in het prachtige westen is verschenen.
Nephthys heeft u begunstigd en u zult uw huis van vreugde niet verliezen.
Helaas, mijn echtgenoot, zelfs mijn broer!6 Hij heerst in het dodenrijk en ik ben niet bij hem.
Ik geef bevelen(?) (de vrouwen) die in de Grote Hal zijn, die verdrietig zijn vanwege hun echtgenoten: Kom, laten we Osiris betreuren, want hij is ver van ons! Sta op, sta ’s ochtends op!7 Nu je een mummie bent8, want je bent ver van je huis.9
Nephthys heeft je begunstigd en je zult je huis van leven, van leven, niet verliezen.

1

Alleen B10Cc heeft de correcte lezing mA.ty ‘u wordt vernieuwd’ behouden. De andere teksten lezen dit blijkbaar verkeerd als het homofone mA.ty ‘u wordt gezien’, wat weinig zin heeft gezien de verwijzing naar de nacht; dit is niettemin een veelvoorkomende verbastering. De overledene wordt vergeleken met de zon, die elke nacht wordt vernieuwd om de volgende dag op te komen.

2

De B12C-groep heeft: ‘u wordt dagelijks vernieuwd en verschijnt in de nacht’, wat een minder goede betekenis oplevert.

3

Zo ook B12C en B16C; B10C laat m weg. De overige teksten zijn gebrekkig.

4

mA.ty van B10Cb en B16C wordt verondersteld de oude perfectieve vorm te zijn van een werkwoord met dezelfde stam als mA.wt ‘lichtstralen’, Concise Diet. 103 pt m mAty van B12C en pt mm mAty van B10Cc kunnen wellicht een zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘licht’ belichamen.

5

B16C is corrupt.

6

B16C is wederom corrupt. Uit het vervolg blijkt dat Isis hier spreekt over haar overleden echtgenoot Osiris, maar het verband met de voorgaande context is niet duidelijk.

7

De weduwe Isis roept haar overleden echtgenoot aan.

8

Variatie: ‘je bent in je mummievorm’.

9

Variatie: B10Cc: ‘wees niet ver van je huis’.

 54

 

I k ben tevreden(?)1 in de hutten, ik roep het uit in [de Heilige Hut] vanwege deze god, de Heer der goden:
Sta vroeg op in de ochtend, want de edele2 verschijnt, de erfgenaam van de Twee Landen.
Daar is gegeven […] alles van, de tronen van Geb in […]. Oho!(?) […] volhardend in spraak(?).
Zie, je bent zielsgelijkender, effectiever en machtiger dan alle goden.
[Nephthys]3 heeft je begunstigd, en Anubis is tevreden(?), Khnum is tevreden(?) [daardoor(?)]. […] goden, de zon leidt ons, en luid is onze kreet4:
Helaas, zal ik inderdaad alleen zijn?
Ik heb geen broer of zoon, geen [. . .] Osiris. O N, verhef uzelf tot leven, want u bent niet gestorven, ontvang het offer van de god(?) […] vernieuwd en verjongd5 […] goed zijn(?) de beschermers(?).
Verhef uw hart, aanschouw uw schoonheid, verschenen als Horus […] de Twee Dames van Pe en Dep […] westelijke […] ontmoeting met N, die verscheen als Heer van de Riem, de Heer van het Leven binnenin <…>6.
De goden van Pe zijn blij in de Suite [, .. Anubis is tevreden(?),]
Khnum is tevreden(?) daarmee(?)

1

Een zwaar beschadigde spreuk die grotendeels in slechts één tekst voorkomt, maar die door de Hnm-formule met Anubis en Khnum aan de voorgaande spreuken is gekoppeld.
De spreker is blijkbaar een ambtenaar aanwezig in de balsemcabine die de dode oproept tot ontwaken.

2

De verwijzing naar de ‘erfgenaam van de Twee Landen’ in de volgende zin suggereert dat hier Osiris als erfgenaam van Geb wordt bedoeld.

3

Zie de Bucks noot 2*.

4

Ook hier lijkt het weer om weduwen te gaan.

5

Rnpty-‘verjongd’ geeft aan dat mA.ty niet moet worden opgevat als ‘gezien’ maar als ‘vernieuwd’, vgl. Spell 53, n.I.

6

Een of meer woorden weggelaten na m-xnw.

 55

 

Pijn in de hemel, gekreun in de onderwereld, omdat [. . .] ik [. . .] in de Nacht-bark, ik ben [opgeheven(?)] in de Dag-bark […] in de armen van Anubis in de Zuivere Plaats, ik heb de rebel in de honden van de bewaker( ?) geplaatst [… Anubis is tevreden(?), Khnum is tevreden(?)] daarmee(?).

 56

 

Deze inerte heeft zichzelf verheven en ik verheug me [wanneer ik ?] zie […] als iemand die in vrede wordt aanbeden in het prachtige Westen, omdat(?) ik mijn visie1 heb verhelderd.
Kom met je naar me toe […] zodat je Heer van het Westen zult zijn.
O N, sta op ten leven, want [je bent] niet [gestorven], zie […] [de hemel oversteken met Re, door de hemel reizen( ?)] met de god die uit zichzelf tot bestaan ​​is gekomen.
Anubis is tevreden(?), Khnum is daarmee tevreden(?).

1

Letterlijk: ‘Ik heb het gezicht geopend’.

 57

 

[…] Tot ziens… gezondheid en uithoudingsvermogen van het spreken(?). O mijn heer, ik klaag over u met gekreun1, want er is niemand(?) […] na u […] als(?) iemand die de hemel doorkruist.
Oho! U bent Horus, Heer van Allen2, zie, u… gezondheid [. . . ] zie, u… gezondheid.

1

Nog een weduwenklaagzang.

2

Verwrongen tot een betekenisloze ‘Heer van de Slee’.

 58

 

O mijn heer, [sta op] ten leven, zie, de aarde is helder […] zie […].

 59

 

[…] De Grote Zaal […] in de duisternis […].

 60

 

De god verschijnt in zijn heiligdom, hij hoort het slaan op twee gongs, ‘bescherming wordt voor hem geboden onder de goden, onder de Kinderen van Horus, Beschermer van zijn Vader.
Geb is daar als jouw (sic) bescherming, want hij is je vader bij wie je geboren bent.
De armen van Nut, die je baarde, omringen je, zodat je schoonheid kan worden opgeheven, (zelfs) je levende ziel die in Djedet is.
De kwaadwilligen worden voor jou afgeweerd, Seth is bang wanneer hij je1 ziet, hij geeft zijn strijd op aarde op, want de angst voor hem is op zijn eigen lichaam gevallen.
O, jullie die mooi van gezicht zijn, die onder de goden zijn, (zelfs) Ptah-Sokar in de boog van je boot, hun armen dragen het zegel van de god.
Bastet, de dochter van Atum, de eerstgeboren dochter van de Heer van Allen, zij is je bescherming tot de dag aanbreekt, totdat je afdaalt naar het rijk van de doden.
Het Oog van Horus werpt een blik op je, het gaat met je mee naar het rijk van de doden.
Moge je in hun harten leven, (zelfs van) degenen die in het voetspoor van je broer Seth zijn.
Wat werd er gezegd tegen Hem die in zijn heiligdom is!2
Re zelf is de Heer van Alles, hij zorgt ervoor dat de goden hem volgen wanneer de boot reist, het wordt rechtdoor gesleept.
Wanneer de god3 afdaalt naar het dodenrijk, is hij gelukkig, want Horus is koning, die voor hem als ‘liefhebbende zoon’ heeft gehandeld.
De rebel is stil wanneer hij ziet dat jij, de sem-priester, (die ook) lector! en balsemer is, een van jullie bent, vijanden overwint.
De voedster van de Zielen van On heeft de Heer van Allen voorzien van voedsel, Anubis, die de Heilige Hut voorzit, biedt de lector bij zonsopgang een maaltijd aan, de dag schijnt en de god is ver van de Grote Hal4.
Jouw Grote Hal bevindt zich in de tempels en is wat Re voor jouw bescherming heeft gemaakt, zodat jij er bij zonsopgang kunt zijn.
De horizon is afgesloten, de pilaren5 zijn gebroken(?)6, (zelfs) dat wat de bescherming van Osiris was, de pilaren zijn…, de balken zijn de armen van Nüt wanneer zij over Osiris waakt, het gordijn is de mantel7 van Ptah die Tayt zelf heeft geweven.
Moge de dag opkomen in het oosten van de hemel, moge hij daar over je borst schijnen, de nacht behoort je toe en de dag is van jou, o Osiris.
O Horus, Heer van het Leven, vaar stroomafwaarts en stroomopwaarts van ‘Andjety, inspecteer degenen die in Djedu zijn, ga naar Rostau en verhelder het zicht van degenen die zich in de Onderwereld bevinden.
Vaar stroomopwaarts ervan8 naar Abydos, de oerplaats van de Heer van Alles.

1

Variatie: ‘hem’.

2

Of: ‘wat hij die in zijn heiligdom is zei’.

3

Vermoedelijk Osiris, vgl. 251f.

4

De betekenis van deze zin is onduidelijk.

5

Variatie: B10C: ‘de pilaren van het huis’, hoewel kennelijk de steunpilaren van de horizon bedoeld worden.

6

Of ‘opgeteld’.

7

B4C volgend ; de rest van de teksten lijkt corrupt te zijn.

8

Van Rostau.

 61

 

Elke god aan de monding van zijn meer begeeft zich op het water van jouw boot1, dat Orion optilt, jouw achterste delen zijn in de …, Noet legt haar handen op je, je zit op de mat van Osiris en Re maakt je zetels preëminent.
Je wordt gereinigd in het Meer van Koud Water, Anubis brandt wierook voor je, je opent de ramen naar de Enneade, je ziet de mysteries die erin verborgen liggen, je schittert in de pluimen van Sopd, je hebt de kronen van Horus2 aangenomen, de Witte Kroon wordt voor je vastgezet op het podium, net zoals Re dat voor Horus deed bij zijn kroning.
Mannen dienen u als Horus, leider van de Twee Landen, de valkenheiligdommen worden voor u geopend en de jonge goden spreken tot u, er wordt tegen u gezegd:
‘Welkom in de tempels!’ door de Groten van On, u bent gekleed in het zuivere gewaad van Ptah, in de mantel van Hathor.
Ruim is uw zetel in de Bark als u in het Schip van God zit en u harpoeneert het nijlpaard in de Kronkelende Waterweg, waarbij elke god uw harpoenier is.
De oude vrouwen van Cusae die in het gevolg van Hathor zijn, verheerlijken u, er wordt u een kist met natron gebracht door de priester die maandelijks dienst heeft.
Re is zijn3 naam, Horus is zijn gedaante, kronen zijn gezet met zijn titel, Shu en Tefenet, de goden die de Oerwezens schiepen, verheerlijken u4.
De ziel van de Grote verheugt zich u te ontmoeten wanneer(?) u Horus van Shedet aait(?).
U zit op de mat(?) van turkoois aan de boeg van de Schors van Re.
Uw opkomst is als de opkomst van Re, u schittert als Hathor5, Osiris verlangt u te zien in uw opkomsten van de zuilenhal, wanneer de zilveren blokken voor u worden gesleept naar de sokkels van turkoois, Hathor, Vrouwe van Byblos, maakt de stuurknuppel van uw schors.
De sterren ontsteken een licht voor u, de tweelingkinderen van Noet verheerlijken u, Geb en Noet verheerlijken u, zelfs de goden die het volk omvatten(?). Mag ik u het sn-brood eten dat voortkwam uit Khem6, het zuivere brood dat voortkwam uit On.
Moge u de schaal met melk drinken die op de dag van het zesde-dagfeest uit het altaar kwam, moge er tegen u gezegd worden:
‘Welkom!’ in de Brede Hal door de Groten van de tempel, mogen de steunen van de hemel voor u onthuld worden, moge u de mysteries die erin verborgen liggen zien, moge uw benen uitstrekken over de steunen van de hemel.7
Een zoete bries in uw neus! Orion zegt tegen de Grote Beer:
‘Neem uit uw meer wat ik uit mijn meer neem, zodat we een plaats voor N kunnen bereiden’.
Ga op een Dt-kleed staan, een zesvoudig geweven doek op uw schouder, en geef de kraanvogel toegang tot de hemel.8

1

Mogelijk betekent dit dat elke god de boot volgt over de hemelse wateren.

2

Variatie: ‘de grote kronen’.

3

Het voornaamwoord moet zeker verwijzen naar de overledene en niet naar de priester. Er lijkt een abrupte persoonswisseling te zijn; de overledene, tot wie gesproken is, wordt nu in een soort tussenwerpsel genoemd.

4

We keren terug naar de tweede persoon.

5

Op dit punt voegt B4C in: ‘Osiris verlangt ernaar u te zien (varen, vrouwenkist); de Vrouwe van Byblos maakt de roeispanen van uw boot’; deze laatste zin loopt vooruit op 262b.

6

Letopolis.

7

Deze twee laatste bijzinnen komen alleen voor in B4C en B1Y, hoewel ze in de laatste grotendeels zijn verdwenen.

8

D.w.z. naar de overledene, opdat hij naar de hemel mag vliegen.

 62

 

Gegroet, mijn vader Osiris1, zie, ik ben gekomen.
Ik ben Horus die, met Ptah, je mond openspleet, ik maak je geestachtig in gezelschap van Thoth, ik leg je hart in je lichaam voor je, zodat je je kunt herinneren wat je vergeten bent.
Ik laat je brood eten naar je wens, naast wat voor jou op aarde bestemd was, ik geef je je voeten zodat je kunt lopen en je sandalen zich kunnen haasten.
Ik laat je een zending doen in gezelschap van de zuidenwind en rennen met de noordenwind.
Je kruist om het gezicht te zien2 van hem die je in een oogwenk verhaast en Ik laat je vorm aannemen met de Dwyt-vogel.
Ik laat je de Waterweg van de Hemelvensters oversteken, het meer oversteken en de zee doorkruisen met je voetzool alsof je op het land handelt, je beheerst de stromen met de reiger en er is niemand die je tegenwerkt in het Watergebied.
Ik laat je als stuurman optreden met een peilstok van 40 el, van geplant hout! van ceder van Byblos, staand in de Schors van Re.
Je bent het ^n-rHyt-water overgestoken, je bent gerechtvaardigd op de Dag des Oordeels in het tribunaal van de Heer van het Lijden(?).
Hij die de aarde omhakte, is voor jou weggenomen, de rebel die ’s nachts rondzwierf, de dief van het gazon, die duisternis in aantocht maakte, de Grote Plunderaar(?)! van de afhankelijken van het Huis van Isis.
Moge u met Re door de woestijnen trekken, moge hij u de plaatsen laten zien van hen die hun verlangens volgen, moge u de valleien vol water vinden voor uw wasbeurten in3 uw koele water, moge u papyrusplanten, biezen, lotussen en lotusknoppen plukken.
Er zullen duizenden watervogels op uw pad komen liggen, u werpt uw ​​werpstok naar hen4 en het betekent dat er duizenden neervallen op het geluid van de wind5, namelijk r-ganzen, groene frontganzen, vrp-ganzen en de mannetjes van st-ganzen.
Er zullen jonge gazellen, korthoorns en witte stieren voor u worden gebracht6, er zullen mannetjes (?) steenbokken en gemeste rammen van het Barbarijse schaap voor u worden gebracht.
Er zal een ladder naar de hemel voor u worden gemaakt en Noet zal haar handen naar u uitstrekken, u zult varen op de Kronkelende Waterweg en zeilen in de achtsloep.
Deze twee bemanningen van de Onvergankelijke Sterren en de Onvermoeibare Sterren zullen u navigeren, zij zullen u loodsen en slepen over het Waterdistrict met ijzeren touwen.

1

Dus B10Cc en oorspronkelijk B10Ca; de andere teksten voegen de naam van de overledene toe.

2

Of: ‘uw oversteek is om te kijken ….’, afhankelijk van of we nmt als werkwoord of zelfstandig naamwoord beschouwen.

3

Letterlijk ‘van’.

4

Variatie: ‘hebben geworpen’, ‘zal voor u geworpen worden’.

5

D.w.z. terwijl de werpstok door de lucht jankt.

6

Variatie: ‘Ik zal ervoor zorgen dat het gebracht wordt’.

 63

 

Hier komt de Grote Plunderaar(?), bescherm jezelf, bescherm jezelf, ga naar beneden naar …, zwaai met de handen.
Word in elkaar gezet, word in elkaar gezet, o jij die in elkaar gezet moet worden(?)
Je ledematen worden losgelaten, je honden worden losgelaten zoals Seth die in @nt is.
Isis heeft je geroepen, Nephthys heeft je geroepen, de geesten worden aan je gegeven, ze komen buigend naar je toe.
Ga het huis van je ziel openen.
Als je ze1 aantreft terwijl ze spelen2, zul je tussen hen gaan zitten.
Als je de goden zittend aantreft, zul je bij hen gaan zitten.
Ontvang deze scepter van jou, die aan de voeten van Re ligt en je staf die aan de voeten van de Morgenster ligt, je zult opstijgen naar de hemel tussen de sterren die niet vergaan, je zult slaan met de scepter en regeren met de staf.

1

Isis en Nephthys.

2

@ab wordt normaal gesproken gebruikt voor het spelen van een bordspel, maar de details in T1C en T9C lijken meer op een soort handklapspel.

 64

 

Water geven aan een geest.
Dit is jouw koude water, o mijn vader! Dit is jouw koude water, o Osiris!
Kom naar je zoon, kom naar Horus; zie, ik breng het je, zodat je hart erdoor verblijd kan worden, ik breng je het Oog van Horus, zodat je hart erdoor verblijd kan worden.
Wat je ook betreedt onder jouw sandalen, ik zal je gids zijn en ik zal je water geven op het wAg-feest en het feest van Thoth.

 65

 

Plaats water en brood in een echte […]1
Ik haal je, mijn vader, ik haal je, ik, mijn vader, ga2 naar de Heuvels van Pe, doorkruis de Heuvels van Nekhen.
O mijn vader, Horus is uw schrijver, Seth is uw …3  en uw beide handen zijn op uw bezittingen.
Stijg op naar de hemel en geef hun niets, maar beweeg u voort.4
Horus gaat op zoek naar zijn vader Osiris.
Ho N! Je dragers gaan, je koeriers die op aarde zijn, rennen, ze vertellen Re, wiens hand5 in het oosten is geheven, dat je bent opgestegen als een god, je bent gegaan als een god, je bent afgedaald als een god, gewikkeld! in jouw naam Sopd, Anubis, Wepwawet en de Ogenloze zijn degenen die je erg blij maken.
Je hebt hem bij je kalveren6 geplaatst en hij is het die ze voor je op aarde bewaakt.
Je voorpootoffer is in de Thinite-nome, je achterpootoffer is in Zety-land.
Je ziel is achter je, je kracht! is voor je, geplaatst op je hoofd en ik ben je erfgenaam, ik ben je overlevende.7

1

De titel van de bezwering staat alleen aan het begin in B10C (beschadigd); een variant: ‘Water en brood geven aan een echte geest’ verschijnt in rode inkt aan het einde van de bezwering in Sq3C.

2

Hortatieve oude perfectief.

3

Onbekend woord, dat, afgaande op de varianten in de spelling, zeker verbasterd is. Hierop volgt een lange weglating in T1C.

4

Letterlijk: ‘ga deze gangen van jou’.

5

Variant T2C: ‘wenkbrauw’.

6

Sq3C voegt toe: ‘die in de tuin zijn’.

7

Sq3C eindigt met de rubriek: ‘Water en brood geven aan een echte geest’, zie noot 1.

 66

 

Verheerlijkingen1 presenteren.
O N, wees groot, wees machtig! Ga naar de Grote Trap, reis naar de Grote Stad, want de aardgoden kunnen je niet tegenhouden.2
O muren van Shu, bevrijd(?) wat hij heeft ingesloten(?)3, Horus de Opstijger(?) heeft je uitgerust, de aarde is voor je verwijderd4 in de ogen van Ixt-wtt die uit On is voortgekomen, zegt Isis.
Zij zal je zogen, Nephthys zal je haar borst geven, de Twee Dames van Dep zullen hun haar voor je laten vallen, je twee moeders die in Nekheb zijn, zullen naar je toe komen, ze zullen hun borsten naar je mond brengen, ze zullen je optillen5 en je dragen.
Reciteer vier keer.

1

Alleen B10C. In Sq3C verschijnt deze titel, in de vorm van ‘Een geest presenteren’, in het rood aan het einde van bezwering 68.

2

Variatie: ‘jij die de aardgoden niet kunnen vasthouden’.

3

Vrijwel onbegrijpelijk. De vertaling van de passage is speculatief, maar er lijkt een verwijzing te zijn naar het geven van bewegingsvrijheid aan de dode.

4

Een toespeling op de opstanding uit het graf.

5

T9C en Sq3C laten ‘viermaal reciteren’ voorafgaan aan deze zin (alleen B10C met ‘viermaal’). In T2C en T1C verschijnt deze zin aan het einde van de bezweringen.

 67

 

Ontwaak, ontwaak, O N! Ontwaak, Osiris, ontwaak, Anubis, bij zijn dood!
Je vlieger(s) zijn Isis en Nephthys1, dit is jouw koude water2, o mijn vader3, wat uit Elephantine4 kwam, je witte broden zijn Anubis; je xnfw-broden zijn Osiris; je xbnnt-brood is Nwt.k-nw.
O N, word wakker voor dit warme brood dat Ik voor u heb bereid, uw duizend broden, uw duizend bier, uw duizend ossen, uw duizend pluimvee, uw duizend vijgen, uw duizend aardamandelen, uw duizend druiven, uw duizend albast, uw duizend linnen, uw stukken vlees op uw slachtblok, uw brood dat in de Brede Zaal is.
O N, ik heb jullie voorraadschuren gevuld, ik heb jullie kruikenstandaards binnengebracht, ik heb jullie je brood gegeven dat niet beschimmeld raakt en je bier5 dat niet zuur wordt.
O N, de bewaker van het Grote Meer zal jullie bewaken, wat de dood betreft, jullie zullen eraan ontsnappen, jullie zullen de weg ernaartoe vermijden, zij zullen jullie niet meevoeren naar het huis van jullie Ziel, zij zullen jullie geen tegenstand bieden in hun naam van Tegenstanders’.
O N, sluit je aan bij de groten, want de armen gaan neer voor jullie6, de dansers van Horus, Beschermer van zijn vader, dansen voor jullie.
O Oudste, de geur van de Grote is op u, wat de neus behaagt is de geur van ‘Ibt-wtt
.
O N, Ik heb gerst voor u gedorst, Ik heb emmer voor u geoogst, Ik heb daarginds uw jaarlijkse feesten gevierd, Ik heb daarginds uw maandelijkse feesten gevierd, Ik heb daarginds uw halfmaandelijkse feesten gevierd.
O N, dit zijn jouw bewegingen, jij die geestachtig en machtig bent als de Voornaamste van de Westerlingen7 als de opvolger van Min.
O N, je bent niet gestorven, je hebt de dag wakker doorgebracht, o grote die hier8 ooit de dag slapend doorbracht.
Verwek jij? in jouw naam van ‘Heron’ en ik laat je verwekken in jouw naam van ‘Heron’.
Verhef jezelf in jouw naam van ‘Verwekker’, sta op in jouw naam van ‘Staande’, ontvang je hoofd en wees blij.
Je bent gezuiverd met deze vier aangename kruiken waarmee de twee Horussen werden gezuiverd, ze weven hun… tegen de goden, weven dus jouw… tegen de levenden, weven jouw… tegen de doden.
Beoordeel jouw behoeften als Horus die in zijn huis is9, mogen jouw banden zich om Seth van @nt winden.
Jouw gedaante is als die van een jakhals op zijn schouders, de stekels van Thoth, zijn gazellen(?) die over de daken heen reiken10.

1

Deze en de volgende clausules 282C-h zijn hier vertaald als zinnen met een nominaal predicaat in directe juxtapositie (Gardiner, Eg. Gramm. 3 § 125, einde), omdat het vertalen ervan als uitroepen, bijvoorbeeld ‘uw vlieger, o Isis en Nephthys’, weinig betekenis heeft.

2

Opgevat als een mannelijk meervoud zoals in 275b.

3

De zoon, handelend als Horus, spreekt zijn overleden vader aan in zijn rol als Osiris. T1C laat deze aanroeping weg; de andere drie teksten vervangen deze door ‘o N’.

4

Het gebied van de Eerste Cataract, mythologisch gezien de plaats van de grotten waaruit de Nijl ontspringt, is de traditionele bron van het water dat in rituelen wordt gebruikt.

5

Opgevat als meervoud.

6

In het gebaar van eerbied.

7

Sq3C voegt toe: ‘als Osiris’.

8

Sq3C voegt toe: ‘Ik zal je niet de dood laten sterven.’

9

In T9C wordt dit op onverklaarbare wijze gevolgd door de figuur van een varken.

10

Vgl. Concise Dict. 231; maar het einde van deze spreuk is voor mij onbegrijpelijk.

 68

 

O N, sta bij de deuren die het gepeupel1 buiten houden!
Daar komt de bewaker van de twee woningen van Khentymentef2 naar je toe, een eenzame ster zonder metgezel.
O N, sta bij de Twee Conclaven!
Je moeder Seshat kleedt je, de Grote Meerpaal3 spreekt tot je, er is een trap voor je uit de zee, de Slachters vallen op hun gezicht voor je neer en de Onvergankelijke Sterren buigen voor je.
O N, sta tegen hen op, je scepter op je schouder4, sla je hand tegen hen en ze zullen voor je in het Grote Meer vallen, terwijl je brood is binnengestroomd, je bier is binnengestroomd, zelfs de uitstroom die uit Osiris is gekomen.
O N, richt je op en sta op.5

1

Dit gebod staat reeds in Pyr. § 655.

2

Voor deze godheid zie Pyr. Transl. Indexes, p. 324

3

Een epitheton van Isis, zie ibid. p. 321.

4

Voor ‘schouder’ hebben Sq3C en B10C ‘arm(en)’.

5

Sq3C voegt de rubriek ‘een geest presenteren’ toe, zie bezwering 63, noot 1.

 69

 

De Grote valt op zijn zij, hij die in Nedit is, beeft.
O N, hef je hoofd op, zegt Re.
Verafschuw slaap, haat traagheid, wees ver van hen als Horus, opdat je mag leven, wees bereidwilliger dan zij als Sopd, opdat je mag leven; wees meer ziel dan zij als de Twee Zielen, opdat je mag leven.
Verslind hun harten, drink hun bloed, want jij bent de rechter naast hem in On.
Leef op zijn broeders, weef(?) je … tegen hen voor de doden, zet je naam tegen hen op voor de levenden, want jij bent Geb, die aan het hoofd staat van het lichaam van de Negen Goden.
O jij Oudere, de geur van de Grote is op jou, de neusgaten van de goden zijn verrukt, ze snuiven de geur van ‘Iht-wtt op, en N is er een van.
Ho N! Sta op voor dit linkeroog van het Huis van de Knots, want de goden worden erdoor beschermd.
Je zult niet uitgeroeid of vernietigd worden, je zult geen uitvloeiing hebben, je zult geen verrotting hebben, want het zal je ontbreken dankzij de volledige kracht van Osiris.
Sta op aan het hoofd van de Twee Conclaven zoals Horus aan het hoofd van de Twee Conclaven, sta op aan het hoofd van de geesten zoals Wepwawet aan het hoofd van de goden.
O N! Ik ben je zoon, ik ben Horus, ik ben gekomen om deze verheerlijkingen voor je te verrichten.
Je bent beschermd(?)… mijn naam is door jou gered(?), zeg het niet, o Shu, wanneer je spreekt.

1

‘Hen’, ‘zij’ in het vervolg kunnen alleen verwijzen naar ‘slaap’ en ‘inertie’ als gepersonifieerde aspecten van de dood.

2

Sq6C voegt toe: ‘opdat u mag leven’; zo ook in 293e.

3

Vermoedelijk Re, gezien de vermelding van On, hoewel er geen antecedent is voor dit achtervoegsel, dat T1C weglaat.

4

T2C gaat hier verder.

 70

 

O N, neem dit brood, uw brood dat u wordt gegeven voor uw levensonderhoud, dat Horus, de vooraanstaande figuur in Opper-Egypte, u heeft gegeven; wees verzadigd, want men brengt het u.
Ik voorkom dat u verdrinkt, en mijn hart is niet moe totdat hij het u geeft.
BROOD EN BIER GEVEN AAN EEN GEEST.

1

Letterlijk ‘die uitgaat vanwege uw broden’; voor het laatste woord vervangt T2C het onbegrijpelijke nxnmw.k.

2

De voorganger.

 71

 

Geef brood aan een geest. Neem het Oog van Horus, waarmee je jezelf hebt verfrist.

 72

 

O N, uw water is van u, uw vloed is van u, overvloedig.
Verhef u, ontvang deze vier aangename randvolle kruiken.
Veeg u af, veeg u af voor mij, pleng uw pleng uw pleng uw pleng, pleng uw pleng uw pleng, zwijg uw pleng uw pleng, luister, luister voor mij, opdat ik het mag horen, dat grote woord dat Horus voor zijn vader Osiris sprak, opdat hij daardoor een geest zou worden en opdat hij daardoor groot1 zou worden in de aanwezigheid van de Enneade2.
O mijn vader Osiris3, verhef uzelf4, o Anubis, verhef uzelf (en) uw vliegers Isis en Nephthys.
Moge u tevreden zijn door de hand van Re, moge u oversteken naar het Offerveld te midden van uw broeders die zich te midden van hen bevinden, die mensen van wie gezegd is, ‘U bent niet gestorven’ en ik zal u niet de dood laten sterven5, (zelfs) u die zwaar slaperig en zeer vermoeid6 bent.
Gerst wordt voor u verbouwd, emmer wordt voor u geoogst, waarmee ik uw jaarlijkse levensonderhoud heb verzorgd.
Ik heb uw halfmaandelijkse feesten gevierd en ik heb uw maandelijkse feesten gevierd, uw duizend vijgen, uw duizend broden, uw duizend albast7, uw duizend Trp-ganzen, uw duizend r-ganzen op de offertafel van de Voornaamste der Westerlingen.
De goden komen buigend naar u toe, de Morgenster verheugt zich over u, hij brengt u wat zich in de Afgrond bevindt, u slaat met de scepter en heerst met de staf.
U steekt het meer over, u doorkruist de Waterweg van de Twee Schapen.
Zeg niet: Ik ben het die dit zegt8. Het zijn Geb en Osiris die dit tegen u zeggen.

1

T9C keert de volgorde van de werkwoorden om.

2

T1C voegt toe: ‘opdat hij daardoor sterk zou zijn, opdat hij daardoor gereed zou zijn, opdat hij daardoor Vooraanstaande onder de Westerlingen zou worden, opdat hij daardoor zou kunnen zitten’. Deze laatste zin komt in alle teksten voor, behalve in T2C.

3

De voorganger spreekt.

4

Zo ook Sq3C; de andere teksten variëren op dit thema.

5

Sq3C en B10C voegen een onnodige n mt in.

6

Sq3C volgend; zowel T1C als B10C hebben bAg verknoeid.

7

T1C volgend.

8

De voorganger wijst persoonlijke verantwoordelijkheid af voor de voorgaande toespraak tot de overledene, die hij in het vervolg toeschrijft aan Geb en Osiris. T9C en Sq3C zetten deze afwijzing ten onrechte in de negatieve vorm, waardoor deze onzinnig wordt.

 73

 

De Dd-pilaar1 van de Dagboot wordt vrijgelaten voor zijn2 heer, de Dd-pilaar van de Dagboot wordt vrijgelaten voor zijn beschermer3.
Isis komt en Nephthys komt, één van hen uit het westen en één van hen uit het oosten, één van hen als een vlieger en één van hen als een krijser, zij voorkomen dat je rot in jouw naam Anubis, zij voorkomen dat je verrotting op de grond druipt in jouw naam Jakhals van Boven-Egypte, zij voorkomen dat de geur van je lijk vies is in jouw naam Horus van Khati, zij voorkomen dat Horus van het Oosten vergaat, zij voorkomen dat Horus van de Onderwereld vergaat, zij voorkomen dat Horus, Heer der Patriciërs, vergaat, zij voorkomen dat Horus, Heer der Twee Landen, vergaat.
Geb hoort jouw woorden, Atum neemt het obstakel voor je weg, de Enneade4 vrijwaart je en zij zullen Seth niet toestaan ​​om je in de hemel voor altijd te horen, 0 Osiris.

1

B10C begint met sAx ‘geestachtig maken’, gevolgd door een lacune, blijkbaar onderdeel van een titel voor de spreuk, die een variant is van Pyr. Utt. 532.

2

D.w.z. van de bark.

3

Letterlijk ‘degene erachter’, d.w.z. het ondersteunend.

4

Variatie B10C: ‘de Enneaden’.

 74

 

Keer om, keer om,1 o slaper, keer om op deze plaats die jij niet kent, maar ik ken die.
Zie nu, ik heb je (liggend) op je zij gevonden, o Grote Inerte.
Mijn zuster, zegt Isis tegen Nephthys, dit is onze broer2.
Kom, dat we zijn hoofd kunnen optillen. Kom, dat we zijn beenderen kunnen hergroeperen. Kom, dat we zijn ledematen kunnen herschikken. Kom, dat we een dam in zijn zijde kunnen maken.
Laat deze niet slap zijn in onze handen, daar druppelt de uitstroming die uit deze geest3 is voortgekomen.
De poelen worden voor u gevuld, de namen van de stromen zijn voor u gemaakt.4
O Osiris, leef, o Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde.
Ik ben Isis, ik ben Nephthys; Horus heeft je toegesproken, Thoth heeft je beschermd en je twee zonen zijn Heren van de wrrt-kroon, wat je hebt gedaan, zul je doen.
Geb heeft gezien en de Negen Goden hebben gehoord dat je macht tegen de hemel zal zijn en je angst onder de goden zal aanjagen.
Je zoon Horus heeft bezit genomen van de wrrt-kroon, die is afgenomen van degene die je kwaad wilde doen.
Leef, Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde.
Ik ben Isis, ik ben Nephthys; richt u op, o mijn broeder, zodat uw hart leeft en dat Seth zich niet over u verheugt5, zelfs niet over hem die aan deze hindernis van u onderworpen is, wanneer u voor hem op zijn rug wordt gelegd en hij onder uw voeten doorloopt, terwijl hij u op zijn schouders ondersteunde, zoals uw vader Geb voor u deed.
Leef, Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde.
Ik ben Isis, ik ben Nephthys… ik ben Isis, word wakker bij de stem(?)6.
Ik ben Nephthys, word wakker! Word wakker, plaats jezelf aan jouw zijde, o Grote Inerte, doorkruis het water, steek de vloed over, bescherm je bezit tegen de goden die op hun gezicht zijn gevallen vanwege jou… dit. Sta op, o Osiris!
Leef, Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde.
Ik ben Isis, ik ben Nephthys, Horus komt treurend over je, o Osiris.
Je bent voor hem op zijn schouders7 gezet en je bent daar standvastig door je kracht.
O Horus van de Onderwereld8, je bent naar Pe gezwommen en de goden die je door Atum zijn gegeven, zijn na je gezwommen, de mannen die je zijn gevolgd(?), de vrouwen die zich onder hen bevinden, zijn flauwgevallen door jou9 en door je zaad, o Osiris; (zo zegt(?))10 Sothis die in Pe is.
Leef, Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde.
Ik ben Isis, ik ben Nephthys; Horus komt je bewenen, Osiris11.
Je wordt op zijn12 rug gelegd en hij rent onder je voeten door, zoals (je) vader Geb voor je deed.
Leef, Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde.
Ik ben Isis, ik ben Nephthys, je bent nu gelukkig dat je vandaag bent opgestaan ​​als Horus van de Onderwereld, nu je vandaag bent opgestaan ​​en bent opgestegen naar de Hemelse wateren.
Het zuiveringswater is van jou door middel van deze vier aangename nmst-kruiken waarmee de Enneade je hebben gezuiverd.
Ik heb namens jou gesproken wat Geb zei, het obstakel is geplant, je moeder Nut hoort… wat er op je afkomt13.
Horus heeft je gezuiverd, Thoth heeft je tot een geest gemaakt, je twee zonen zijn de twee Heren van de wrrt-kroon en de kwade haat(?) tegen jou is weggenomen.
Sta op je intacte voeten, zodat je de weg naar de goden kunt openen, zodat je tot hen kunt behoren als Wepwawet.
Daar is voor jou je macht over je vijanden geschapen en ik heb het huilen opgegeven.
Leef, Osiris! De Grote Inerte staat op van zijn zijde. Ik ben Isis, ik ben Nephthys.

1

T2C begint met: ‘O slappe, je bent slap’, en herhaalt vervolgens 305e e.v. in 306g-i. Inn  van de andere teksten wordt verondersteld identiek te zijn aan ‘inn‘ ‘omdraaien, omkeren, terugdraaien’ van Pyr. §§ 214; 218; 1491; 2060. De overledene, geïdentificeerd met Osiris, wordt opgeroepen om uit zijn slaap in het graf te ontwaken.

2

Zo ook Sq3C en misschien B10C; de andere teksten laten het achtervoegsel weg.

3

Sq3C eindigt in een lacune en een gebroken rubriek.

4

Een verwijzing naar Osiris als god van het water.

5

Letterlijk ‘onder’.

6

De betekenis van sxsf xrw is twijfelachtig, maar het lijkt een aansporing aan Osiris te zijn; misschien ‘opwekken bij(?) de stem’ of iets dergelijks.

7

D.w.z. de schouders van Seth.

8

Hier gebruikt als epithet van Osiris, zie 311g.

9

Zie de Buck’s noot 4*.

10

Een of meerdere woorden zijn weggelaten voor de naam van Sothis, die in de huidige tekst in een vacuüm lijkt te staan; de meest waarschijnlijke correctie is wellicht om ‘zo zegt’ voor de naam van de godin te plaatsen.

11

T2C heeft alleen 3IIa-c van deze bezwering, die het heeft toegevoegd aan bezwering 73. T9C en B10C hebben 3IIa-g.

12

D.w.z. die van Seth.

13

De betekenis van 312a-c is vrij onduidelijk; ik heb de Egyptische woorden vertaald, maar ze geven geen betekenis. Het lijkt erop dat er een grove kopieerfout is gemaakt in een ouder manuscript, die in de huidige teksten is overgenomen. Deze opvatting wordt ondersteund door het voornaamwoord Tw in sDmmwt.k Tw Hrt-tp; afgezien van de verkeerde woordvolgorde kan dit voornaamwoord niet het lijdend voorwerp van sDm zijn, aangezien dat werkwoord als lijdend voorwerp de woorden of het geluid heeft die worden gehoord en de datief van de persoon naar wie geluisterd wordt; er is duidelijk iets weggelaten na mwt.k, terwijl Hrt-tp.k volledig los lijkt te staan ​​van wat eraan voorafgaat.

 75

 

BETOVERING VOOR DE ZIEL VAN SHU EN OM SHU TE WORDEN.1
Ik ben de ziel van Shu, de zelfgeschapen god2, ik ben ontstaan ​​uit de hel van de zelfgeschapen god.
Ik ben de ziel van Shu, de god onzichtbaar van vorm, ik ben ontstaan ​​uit het vlees van de zelfgeschapen god, ik ben opgegaan in de god3, ik ben hem geworden.
Ik ben hij die de hemel voor zichzelf kalmeerde, ik ben hij die de Twee Landen voor zichzelf tot orde bracht, ik ben sterker en woedender dan alle Enneaden.
Ik ben het die hem4 voorspelt wanneer hij opstijgt vanaf de horizon, ik ben het die de vrees voor hem inboezemt bij iedereen die zijn naam zoekt.
Ik ben het die zich onder de Chaosgoden5 bevindt en die de woorden van de Chaosgoden hoort.
Ik ben het die het woord van de Zelfgeschapene naar de menigten zendt, ik ben het die de kapitein is van de Bark6 en zijn bemanning, ik ben sterker en woedender dan alle Enneaden.
Ik heb de woorden herhaald van de voorouderlijke goden en van hen die na mij zijn ontstaan.
Zij vragen naar mijn schepping vanuit de afgrond.
Zij zien mij sterk en woedend in de bark die de Zelfgeschapene bevaart.
Ik heb tussen hen gestaan7.
Ik toon pracht overeenkomstig mijn aard.
Ik spreek en de Enneaden zwijgen wanneer de goden berispt worden.
Ik zeg u dat ik in mijn eigen gedaante tot bestaan ​​kom.8
Vraag niet naar mijn schepping vanuit de afgrond.
Nu zag mij toen ik tot bestaan ​​kwam en ik ken zijn naam, ik ken de plaats waar ik tot bestaan ​​kwam, maar hij zag mij niet tot bestaan ​​komen met zijn eigen ogen, want ik kwam tot bestaan ​​uit het vlees van de zelfgeschapen god.
Hij schiep mij door zijn wens, hij maakte mij door zijn kracht, hij ademde mij uit uit zijn neusgat9 en ik ben hij wiens gedaante werd uitgeademd, die deze verheven god schiep, die de hemel bestrooit met zijn schoonheid, wiens naam de goden niet kennen, die het zonnevolk dient.
Ik ben gegroeid aan zijn voeten, ik ben tot bestaan ​​gekomen in zijn armen, ik ben opgestegen door middel van zijn ledematen, hij schiep mij in zijn hart, hij maakte mij met zijn kracht toen ik nog niet geboren was.
Er werd voor mij gras gemaakt in de velden van Azië, ik ben hij die de broden van de goden maakte, ik ben hij die te midden van zijn kring is, heer van de groene velden ‘in de Onderwereld.
0 Re-Atum-Nu, ik ben het die voorzie in voedsel, die het voedsel van Osiris10 nieuw maakt, omdat ik ben ontstaan ​​uit het vlees van deze verheven, zelfgeschapen god die de hemel met zijn schoonheid bestrooit en de vormen van de goden samenstelt, de Heer der Gerechtigheid die de rover opsluit, die vormen samenstelt.
Ik ben het wiens gedaante werd uitgeademd, hij vormde mij niet met zijn greep, hij verzon mij niet met zijn greep.
Hij blies mij uit zijn neusgat, hij schiep mij te midden van zijn schoonheid, zij die in hun poorten zijn, verheugen zich wanneer zij zijn licht zien.
Ik ben het11 wiens gedaante werd uitgeademd voor zijn velden12, die oordeelt over de geheime zaken die zich in het Huis der Zes bevinden.
Ik heb mijn ziel geschapen die achter mij is, haar vlam zal niet op mijn lijk zijn, mijn ziel zal niet worden bedwongen door de bewakers van de leden van Osiris.
Ik verwek, mijn ziel verwekt, mijn ziel bevrucht de mensen die op het Vuureiland zijn, Ik bevrucht zelf de godinnen, daar is mijn kroon te zien die toebehoort aan hem die in zijn grot is en het is hij die in zijn grot is die verheft!
Mijn kroon voor mij, het is hij die in zijn gedaante is die mij veredelt en die mijn waardigheid verheft.
Ik neem de waardigheid aan van hen die in hun grotten zijn, ik gehoorzaam geen magie, want ik ben al tot bestaan ​​gekomen.13
Ik ben voor de zelfgeschapen god uitgegaan die in het alleen-zijn is gekomen, ouder dan de goden.14
Ik ben hij die de hoogte van de hemel heeft doorboord, ik ben hij die voor zichzelf zijn macht heeft gebruikt, ik ben hij die voor zichzelf zijn myriaden van zielen verenigde die onder zijn metgezellen waren geplaatst.
Ik heb het vuur gedoofd, ik heb de ziel van haar die brandt gekalmeerd, ik heb haar die te midden van haar woede is tot rust gebracht.15
Hij die door de vlam van vuur wordt verbrand, maar zijn vurige uitbarsting is niet tegen mij16, (ik ben hij) die de ziel van haar die brandt laat reizen en die de pijn van de vlam van haar die te midden van haar woede is, (zelfs zij) de vurige die de lokken van de goden heeft afgesneden.
Jullie harten hebben tot mij gesproken, jullie goden, zonder dat er iets uit jullie monden is gekomen, omdat door mij het doen van alles tot stand is gekomen,
omdat uit de mond van de Verhevene17, de Zelfgeschapene, is voortgekomen, die nooit terugkomt op wat hij heeft gezegd, omdat ik het ben die alles doet overeenkomstig wat hem is bevolen.
Ik heb respect getoond aan18 de leeuwen19, degenen die zich rond het heiligdom bevinden zijn bang voor mij, degenen die het graf omsingelen staan ​​op vanwege mij, ik ga in en uit het heiligdom van de Zelfgeschapene, ik heb mijn Nt-kroon op mijn hoofd gezet en de Rode Kroon verheugt zich wanneer hij de Nt-kroon ziet.
Mijn Nt-kroon is op mijn hoofd en de Rode Kroon is op het hoofd van de Zelfgeschapene, de Nt-kroon verheugt zich wanneer hij de Rode Kroon ziet, zo zeggen de goden die zijn stem horen.
De god is broederlijk voor de god die uit zijn vlees is ontstaan, toen ze hem zagen, riepen de naw-slangen me toe in bijval, ze bereiden een eerlijk pad voor me wanneer ze me uit het heiligdom zien komen.
Ik oordeel over de entourage die zich rond het heiligdom bevindt, ik bevrijd hem die ik zou moeten bevrijden, ik voed hem die ik zou moeten voeden, ik verwijder de hindernis van hem wiens hindernis verwijderd zou moeten worden, ik bevrijd mijn eigen hindernis, bloed is mijn afschuw en ik zal bij de Heer des Levens zijn.
Ik ben het die de myriaden voor hem verzamelt, ik ben het die de entourage voor hem samenvoegt, ik ben het die degenen die zich rond het heiligdom bevinden, sterk maakt in overeenstemming met wat hij mij heeft bevolen.
Hij heeft mij geschapen met mijn ziel achter mij,20 om hem te laten weten wat ik weet, want ik doordring alle hemelen en reis door alle landen.
Ik heb gekloond wat hij mij geboden heeft, er is geen vlam voor mijn ziel vanwege haar onreinheid21 en mijn ziel zal niet worden bedwongen door de bewaker van de ledematen van Osiris.
Jij bezit je ziel en je kracht, zegt de Zelfgeschapene tegen mij.
Mijn ziel zal niet gegrepen worden door de Valken, mijn ziel zal niet gegrepen worden door de Varkens, mijn ziel zal niet gegrepen worden door de Aardgoden, mijn ziel zal niet gegrepen worden door magie.
Mijn ziel zal stilletjes langs hen gaan totdat ze het heiligdom binnengaat.
Ze heeft bezit genomen van wat van mij is, omdat ik voor haar in het bestaan ​​ben gekomen, ze geeft me macht over mijn vijanden en ik heb ze uit hun graven verdreven.
Ik heb hen in hun huizen omvergeworpen, ik heb degenen die daar zijn van hun zetels verdreven, ik heb hun waardigheid doen verdwijnen22, ik heb hun magie vernietigd, ik heb hun krachten afgesneden.23
Ik heb hen tot gekochte lijfeigenen verklaard, overeenkomstig wat de Zelfgeschapene bevolen heeft te doen met mijn vijanden, dood of levend, in de hemel of op aarde, die mijn weiden of akkers zullen binnendringen, die mij niet zullen verheffen en die mij de weg naar de Lofzang niet zullen wijzen.
Ik ben onzichtbaar van vorm, ik ben opgegaan in de Zonnegod.

1

Bij het vertalen van deze bezwering, waarvan er eenentwintig exemplaren bestaan, heb ik mij zoveel mogelijk aan S1C gehouden, die over het algemeen de beste tekst lijkt te leveren, hoewel er uitzonderingen zijn die hieronder naar behoren worden vermeld. Over de rol van Shu hier en in de bezweringen die volgen, zie Jaarbericht Ex Oriente Lux, nr. 18 (1964), 266 e.v. Vgl. de studie van deze spreuk door Zandee in ZÄS 97, 155 e.v.; 98, 149 e.v.; 99, 48 e.v., die ik pas zag nadat dit werk in drukproef was.

2

B6C voegt toe: ‘N is Thoth, N is Shu [ … ]’. 316a is weggelaten in S1C

3

Letterlijk: ‘Ik ben iemand die aan de zijde van de god staat’

4

Vermoedelijk de zonnegod. Aangezien Shu de god van de lucht is, kan de ‘voorspelling’ van de zonsopgang verwijzen naar de atmosferische kleuren die de komende dageraad aankondigen.

5

De acht oergoden, vgl. Sethe, Amun, § § 120 e.v.

6

Over de zonnegod.

7

Variant: ‘Ik heb gezeten’; ‘Ik heb gestaan ​​en gezeten’; ‘Ik heb gezeten en gestaan’.

8

Variant: ‘Ik kom uit mezelf tot bestaan’.

9

Kennelijk wordt het bestaan ​​van de lucht (de ziel van Shu of Shu zelf) toegeschreven aan de adem die uit de neus van de oergod wordt uitgeademd. Deze passage komt slechts in zeven teksten voor, maar kan wel degelijk in het archetype aanwezig zijn geweest.

10

Alle teksten behalve S1C voegen in: ‘zij die in hun holen zijn, vrezen hem’, gevolgd door een herhaling van 348c-d.

11

Variant: ‘Ik ben de god’; ‘Ik ben de grote god’; alleen G1T en A1C volgen S1C.

12

Variatie: ‘zijn groene velden’; ‘zijn groene velden in de Onderwereld’. B1Bo is corrupt.

13

Alle teksten behalve S1C, S2C en T3C voegen hier in: ‘mijn kleding is de levensadem die na mij uit de mond van Atum kwam’.

14

Voor 374d vervangt S2C 375e: ‘hij brengt vlam’.

15

Alle teksten behalve SIC en S2C voegen toe: ‘de vurige die oordeelt en de goden verzamelt’.

16

Variatie: ‘de hitte van de uitbarsting van zijn mond is niet tegen mij gericht’.

17

Variatie: ‘de goden’; ‘deze verheven god’.

18

Zo ook SIC, S2C en T3C; variatie: ‘Ik ben vertrokken en heb respect betoond aan’.

19

Variatie: ‘de zielen’ (B1Bo). M5C heeft: ‘Ik ben vertrokken (naar) de leeuwen, ik heb respect betoond aan de jakhalzen’.

20

Variatie: ‘Hij heeft voor mij gezaghebbende woorden geschapen, mijn ziel is achter mij’.

21

D.w.z. de ziel heeft geen onreinheid die door vuur gereinigd moet worden.

22

Variatie: ‘Ik heb hen vernietigd die daar op hun tronen zitten’.

23

Variatie: ‘hun macht en hun waardigheid’.